In deze zaak, die voor de Hoge Raad is gekomen, gaat het om een geschil tussen een vrouw en een man die in Iran zijn gehuwd. De vrouw heeft in cassatie beroep ingesteld tegen eerdere beschikkingen van de rechtbank en het gerechtshof. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld. De vrouw heeft verzocht om de echtscheiding uit te spreken en om de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen. De rechtbank heeft geoordeeld dat van 12 mei 2005 tot 20 februari 2006 Iraans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, en dat na deze datum Nederlands recht van toepassing is. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw geen vordering heeft op de man over de periode dat Iraans recht van toepassing was, omdat zij niet aan de voorwaarden van de huwelijksakte heeft voldaan. Het hof heeft in een tussenbeschikking een onderzoek bevolen naar de inhoud van het Iraans huwelijksvermogensrecht. In de eindbeschikking heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd voor wat betreft de gelaste wijze van verdeling en de verzoeken tot verdeling van de huwelijksgemeenschap afgewezen. De Hoge Raad heeft de beschikking van het hof vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de huwelijkse voorwaarden van partijen moeten worden beoordeeld aan de hand van het Iraanse recht, en dat de vrouw, gezien de huwelijkse voorwaarden minus de gewraakte bepaling, nog aanspraak kan maken op het vermogen van de man. De Hoge Raad heeft ook geoordeeld dat de openbare-orde-exceptie ambtshalve moet worden toegepast, ongeacht of het gaat om vreemd recht dat naar zijn inhoud onaanvaardbaar is of om vreemd recht dat buiten toepassing moet blijven omdat de toepassing ervan zou leiden tot een gevolg dat naar Nederlandse opvattingen niet kan worden geduld.