ECLI:NL:HR:2026:126

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
24/00473
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Internationaal privaatrecht; conflictenrecht. Huwelijksvermogensrecht. Rechtskeuze ten processe voor Nederlands recht; vormvereisten ingevolge art. 13 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 juncto art. 1:115 lid 1 BW (notariële akte).

In deze zaak, die voor de Hoge Raad is gekomen, gaat het om een geschil tussen een vrouw en een man die in Iran zijn gehuwd. De vrouw heeft in cassatie beroep ingesteld tegen eerdere beschikkingen van de rechtbank en het gerechtshof. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld. De vrouw heeft verzocht om de echtscheiding uit te spreken en om de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen. De rechtbank heeft geoordeeld dat van 12 mei 2005 tot 20 februari 2006 Iraans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, en dat na deze datum Nederlands recht van toepassing is. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw geen vordering heeft op de man over de periode dat Iraans recht van toepassing was, omdat zij niet aan de voorwaarden van de huwelijksakte heeft voldaan. Het hof heeft in een tussenbeschikking een onderzoek bevolen naar de inhoud van het Iraans huwelijksvermogensrecht. In de eindbeschikking heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd voor wat betreft de gelaste wijze van verdeling en de verzoeken tot verdeling van de huwelijksgemeenschap afgewezen. De Hoge Raad heeft de beschikking van het hof vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de huwelijkse voorwaarden van partijen moeten worden beoordeeld aan de hand van het Iraanse recht, en dat de vrouw, gezien de huwelijkse voorwaarden minus de gewraakte bepaling, nog aanspraak kan maken op het vermogen van de man. De Hoge Raad heeft ook geoordeeld dat de openbare-orde-exceptie ambtshalve moet worden toegepast, ongeacht of het gaat om vreemd recht dat naar zijn inhoud onaanvaardbaar is of om vreemd recht dat buiten toepassing moet blijven omdat de toepassing ervan zou leiden tot een gevolg dat naar Nederlandse opvattingen niet kan worden geduld.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/00473
Datum30 januari 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [plaats] ,
VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het (voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep,
hierna: de vrouw,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
[de man] ,
wonende te [plaats] ,
VERWEERDER in cassatie, verzoeker in het (voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep,
hierna: de man,
advocaat: N.C. van Steijn.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaken C/10/574529 / FA RK 19-4451 en C/10/584420 / FA RK 19-9106 van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2020;
b. de beschikkingen in de zaak 200.279.974/01 van het gerechtshof Den Haag van 5 oktober 2022 en 19 december 2023.
De vrouw heeft tegen de beschikkingen van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De man heeft een verweerschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt in het principaal cassatieberoep tot vernietiging van de bestreden eindbeschikking en tot verwijzing, en in het voorwaardelijk ingestelde incidenteel cassatieberoep tot verwerping.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
De aanvullende conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het voorwaardelijk ingestelde incidenteel cassatieberoep.
De advocaat van de man heeft schriftelijk op deze aanvullende conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn met elkaar gehuwd in Iran op 12 mei 2005.
(ii) Op het moment van huwelijkssluiting had de man de Nederlandse en de Iraanse
nationaliteit en de vrouw alleen de Iraanse nationaliteit. De vrouw is op 20 februari 2006 in Nederland gaan wonen. Op 15 april 2009 heeft de vrouw tevens de Nederlandse nationaliteit verkregen.
(iii) De Iraanse huwelijksakte van partijen bevat – volgens een in het geding gebrachte beëdigde vertaling – onder meer de volgende clausule:
“A: De vrouw stelt de voorwaarde dat wanneer de echtscheiding niet de wens van de vrouw is en conform de bevinding van de rechtbank de vrouw haar taken als echtgenote heeft uitgevoerd en geen onzedelijk gedrag heeft begaan, de man verplicht is om de helft van zijn aanwezige vermogen, dat hij tijdens het huwelijk heeft opgebouwd, of de gelijke waarde daarvan, conform het besluit van de rechtbank aan de vrouw over te dragen.”
2.2
In deze procedure heeft de vrouw onder meer verzocht tussen partijen de echtscheiding uit te spreken en, voor zover in cassatie van belang, de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen overeenkomstig haar voorstel. Ook heeft de vrouw verzocht dat aan haar wordt betaald de helft van de vermogensaanwas van de man in de periode waarin Iraans recht van toepassing was op het huwelijksvermogensregime. De man heeft in eerste aanleg eveneens verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap verzocht, onder meer in die zin dat de echtelijke woning te [plaats] (hierna: de woning) aan hem wordt toegedeeld.
2.3
De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld. [1]
De rechtbank heeft ten aanzien van de verdeling van het huwelijksvermogen overwogen dat van 12 mei 2005 tot 20 februari 2006 Iraans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, welk recht een wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen kent, en na 20 februari 2006 Nederlands recht, zodat vanaf 20 februari 2006 een huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen is ontstaan. (rov. 3.5.3-3.5.7 en rov. 3.5.12)
De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw over de periode dat Iraans recht van toepassing is geen vordering heeft op de man, omdat de vrouw niet aan de voorwaarden van de hiervoor in 2.1 onder (iii) genoemde clausule uit het huwelijkscontract heeft voldaan om recht te hebben op de helft van de vermogensaanwas van de man, nu zij zelf de echtscheidingsprocedure is aangevangen. De rechtbank acht een dergelijke clausule niet in strijd met de Nederlandse openbare orde, aangezien dit een clausule is die de vrouw beschermt tegen de financiële gevolgen van een echtscheiding op initiatief van de man. (rov. 3.5.8-3.5.11)
Ten aanzien van de woning heeft de rechtbank overwogen dat partijen het erover eens zijn dat deze aan de man moet worden toegedeeld, dat de rechtbank de waarde van de woning vaststelt op € 940.000,--, en dat partijen het erover eens zijn dat de man de hypothecaire lening van € 940.000,-- voor zijn rekening neemt en de aan de hypothecaire lening verbonden levensverzekering bij ASR zal worden toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 130.760,-- en onder verrekening van de helft van die waarde met de vrouw. De rechtbank heeft voorts aan de overname van de woning door de man, zoals verzocht door de vrouw, een termijn verbonden van drie maanden na de datum van de beschikking, en overwogen dat de woning moet worden verkocht als de man binnen die termijn niet in staat is de toedeling van de woning aan hem, met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, te realiseren. (rov. 3.5.15)
2.4
Het hof heeft bij tussenbeschikking een onderzoek bevolen door het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: IJI) naar de inhoud van het Iraans huwelijksvermogensrecht. [2] Daartoe heeft het hof het volgende overwogen:

Rechtsmacht en toepasselijk recht
(…)
5.2
De rechtbank heeft geoordeeld dat van 12 mei 2005 tot 20 februari 2006 Iraans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen en met ingang van 20 februari 2006 Nederlands recht.
5.3
De man is het daar niet mee eens. Hij stelt zich primair op het standpunt dat het huwelijksvermogensregime van partijen op grond van artikel 7 lid 1 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 nimmer is gewijzigd, omdat partijen huwelijkse voorwaarden hebben opgemaakt. Derhalve moet het huwelijksvermogensregime van partijen naar Iraans recht worden afgewikkeld. Subsidiair stelt de man dat Nederlands recht van toepassing is geworden op 15 april 2009 omdat de vrouw toen de Nederlandse nationaliteit verkreeg. Meer subsidiair stelt de man dat Nederlands recht van toepassing is geworden op 20 februari 2006 omdat de vrouw zich toen in Nederland heeft gevestigd.
5.4
De vrouw sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld over de wijziging van het op het huwelijksvermogensregime van partijen toepasselijke recht. Zij betwist dat partijen huwelijks voorwaarden hebben opgemaakt.
5.5
Het hof overweegt als volgt. Gelet op de datum van huwelijkssluiting is het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130 (het Verdrag) van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.
5.6
De man heeft als productie 16 in hoger beroep een beëdigde vertaling van een uittreksel van een huwelijksakte overgelegd, welke vertaling door de vrouw niet is betwist. Daarin is - voor zover hier van belang - het volgende opgenomen:
“(…)
Vereiste voorwaarden in dit contract:
A: De vrouw stelt de voorwaarde dat wanneer de echtscheiding niet de wens van de vrouw is en conform de bevinding van de rechtbank de vrouw haar taken als echtgenote heeft uitgevoerd en geen onzedelijk gedrag heeft begaan, de man verplicht is om de helft van zijn aanwezige vermogen, dat hij tijdens het huwelijk heeft opgebouwd, of de gelijke waarde daarvan, conform het besluit van de rechtbank aan de vrouw over te dragen. Handtekening van de man, handtekening van de vrouw.
(…)”
5.7
Tussen partijen is niet in geschil dat deze huwelijksakte - waarin tevens ‘vereiste’ voorwaarden zijn opgenomen - wat de vorm betreft rechtsgeldig is opgesteld ten overstaan van de daartoe bevoegde huwelijksambtenaar in Iran, alsmede dat de akte is gedagtekend en door beide echtgenoten is ondertekend.
5.8
Mede gelet op de jurisprudentie, dient naar het oordeel van het hof de in voormelde huwelijksakte opgenomen regeling betreffende de afwikkeling van het huwelijksvermogen indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan, als huwelijkse voorwaarde naar Iraans recht te worden aangemerkt (zie bijvoorbeeld Hof Den Haag 26 februari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:486 en Hof Arnhem-Leeuwarden 2 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5397). Met deze voorwaarde wordt afgeweken van het Iraanse wettelijke stelsel dat - kort gezegd - een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen inhoudt.
5.9
De tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden naar Iraans recht staan er op grond van artikel 7 lid 2 van het Verdrag aan in de weg dat het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht automatisch wijzigt op grond van een wijziging van gewone verblijfplaats of nationaliteit van een van partijen. Het huwelijksvermogensregime van partijen wordt derhalve beheerst door het Iraanse recht.
(…)
Strijd met openbare orde?
5.12
Naar aanleiding van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad [van 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721] dient het hof te beoordelen of de bepaling uit de naar Iraans recht rechtsgeldig overeengekomen huwelijkse voorwaarden van partijen die de vrouw enkel een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak toekent onder de voorwaarde dat de echtscheiding niet haar wens is en zij conform de bevinding van de rechter haar taken als echtgenote heeft uitgevoerd en geen onzedelijk gedrag heeft begaan (hierna ook: ‘de gewraakte bepaling’), kennelijk in strijd is met de openbare orde van Nederland, zoals bedoeld in artikel 14 inzake het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van 14 maart 1978. Het hof stelt voorop dat uit de prejudiciële beslissing blijkt dat de Hoge Raad - anders dan de conclusie van de Advocaat-Generaal, nr. 2.6 - van oordeel is dat het Iraanse recht op dit punt ‘niet op zichzelf al naar zijn inhoud onaanvaardbaar is’ (het zogenaamde buitengrenscriterium), maar dat het Iraanse recht toch buiten toepassing kan blijven ‘indien toepassing zou leiden tot een gevolg dat naar Nederlandse opvattingen niet kan worden geduld’ (het zogenaamde binnengrenscriterium). Daarbij spelen de omstandigheden van het geval een rol en met name de betrokkenheid van Nederland met de zaak. Naarmate de Nederlandse betrokkenheid groter is, zal eerder sprake zijn van strijd met de openbare orde.
5.13
Het hof overweegt als volgt. Uit de prejudiciële beslissing blijkt niet duidelijk naar welk moment de betrokkenheid met de rechtssfeer van Nederland moet worden getoetst: het moment van totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden of het moment waarop de rechter wordt verzocht om een oordeel te geven over de rechtsgeldigheid van de huwelijkse voorwaarden (zie Hof Den Haag, 6 juli 2022 ECLI:NL:GHDHA:2022:1288).
5.14
Het hof is van oordeel dat de betrokkenheid van Nederland moet worden getoetst naar het moment waarop de Nederlandse rechter wordt gevraagd een beslissing te nemen over het huwelijksvermogensregime van partijen. Het hof overweegt daartoe als volgt. Om te beginnen, wijst het hof erop dat er geen (bijzondere) wettelijke regeling bestaat die uitdrukkelijk voorschrijft dat de betrokkenheid van Nederland moet worden getoetst naar het moment van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden. Dat is bijvoorbeeld wel het geval in artikel 10:32, aanhef, BW waarin voor de toepassing van de openbare orde exceptie in het kader van de erkenning van een in het buitenland voltrokken huwelijk, de betrokkenheid van de Nederlandse rechtssfeer wordt getoetst ‘op het tijdstip van de sluiting van dat huwelijk’. Voorts overweegt het hof dat de aard van de rechtshandeling en het daarmee beoogde rechtsgevolg rechtvaardigen dat de betrokkenheid van Nederland in dit geval wordt getoetst naar het moment waarop de Nederlandse rechter wordt gevraagd een beslissing te nemen over het huwelijksvermogensregime van partijen. Het gaat om huwelijkse voorwaarden die erop neerkomen dat de vrouw slechts onder de voorwaarde dat de echtscheiding niet door haar gewenst is en dat zij daaraan geen schuld heeft, aanspraak kan maken op het vermogen van de man dat hij tijdens het huwelijk van partijen heeft verworven terwijl de man geen enkele aanspraak heeft op (een deel van) het vermogen van de vrouw. Deze huwelijkse voorwaarden gelden gedurende het huwelijk van partijen en zien op – in dit geval: de afwikkeling door de Nederlandse echtscheidingsrechter van de – vermogensbestanddelen die de man gedurende de huwelijkse periode heeft verkregen. Het huwelijk van partijen heeft zich grotendeels afgespeeld in Nederland en in deze periode hebben partijen hun vermogen in Nederland verworven. Een regeling zoals omschreven in de huwelijkse voorwaarden waarbij bij de financiële afwikkeling van de echtscheiding de schuldvraag dient te worden beantwoord en al naar gelang daarvan de afwikkeling dient te worden vastgesteld, wordt daarmee in strijd met de openbare orde geacht.
Rechtsgevolgen van kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde
5.15
Uit de prejudiciële beslissing volgt dat thans aan de hand van het Iraanse huwelijksvermogensrecht moet worden bepaald in hoeverre de vrouw in dit geval een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak kan ontlenen aan de huwelijkse voorwaarden minus het door de openbare orde getroffen en buiten toepassing gelaten onderdeel daarvan (de gewraakte bepaling). Dit vergt een uitleg van het Iraanse huwelijksvermogensrecht. Het hof overweegt daarover als volgt.
5.16
Artikel 10:2 BW schrijft voor dat de Nederlandse rechter het buitenlandse recht ambtshalve toepast. Het hof acht het geraden hierbij een deskundige op dit gebied te raadplegen. Zoals met partijen ter zitting is besproken zal het hof het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) te Den Haag benoemen tot deskundige om de inhoud van het Iraanse recht op het in deze zaak relevante punt in kaart te brengen.
5.17
De vraag van het hof luidt als volgt:
- heeft de vrouw gezien de huwelijkse voorwaarden minus het door de openbare orde getroffen en buiten toepassing gelaten onderdeel daarvan (de gewraakte bepaling) naar Iraans huwelijksvermogensrecht nog een aanspraak op het vermogen van de man?”
2.5
In zijn rapport van 6 maart 2023 heeft het IJI geconcludeerd:
“Executive summary
1. Naar Iraans huwelijksvermogensrecht kan de vrouw ook zonder de gewraakte bepaling uit de huwelijkse voorwaarden een aanspraak ontlenen aan de huwelijkse voorwaarden en daarmee aanspraak maken op de helft van het tijdens het huwelijk verworven vermogen van de man. Naar Iraans huwelijksvermogensrecht zijn partijen bevoegd om hun huwelijksvermogensregime naar vrijheid in te richten en om zodanige financiële regelingen te treffen zonder daaraan voorwaarden te verbinden die te maken hebben met de vraag wie de echtscheiding initieert of met de schuldvraag. De enige voorwaarde is dat de te treffen regelingen niet in strijd mogen zijn met de essentie van het huwelijk (art. 1119 Iraans BW).
(…)
10. Op grond van artikel 1119 Iraans BW mogen de echtgenoten in hun huwelijkscontract afwijken van het wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen voor zover de overeengekomen bepalingen niet in strijd zijn met de essentie en het karakter van het huwelijk. (…)
11. Het is dus mogelijk dat de echtgenoten overeenkomen om het (huwelijks)vermogen (van de man) bij helfte te verdelen in geval van ontbinding van het huwelijk zonder dat daaraan voorwaarden worden verbonden. Dit gebeurt in de praktijk echter bijna nooit. (…)
12. Het voormelde brengt met zich dat de vrouw in de onderhavige kwestie gezien de huwelijkse voorwaarden minus het door de openbare orde getroffen en buiten gelaten onderdeel daarvan (de gewraakte bepaling) naar Iraans huwelijksvermogensrecht nog een aanspraak heeft op het vermogen van de man.”
2.6
Bij eindbeschikking heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, de beschikking van de rechtbank vernietigd voor wat betreft de gelaste wijze van verdeling en de inleidende verzoeken strekkende tot verdeling van de huwelijksgemeenschap alsnog afgewezen. [3] Het heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

Huwelijkse voorwaarden
Uitleg
4.1
Het hof heeft in zijn tussenbeschikking van 5 oktober 2022 in de overwegingen reeds beslist dat de huwelijksakte van partijen moet worden aangemerkt als een akte van huwelijkse voorwaarden alsmede dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het Iraanse recht. Het hof ziet geen reden op deze eerdere beslissingen terug te komen. Voorts heeft het hof ambtshalve een onderzoek door het IJI bevolen om zich nader te laten voorlichten over de inhoud van het Iraanse huwelijksvermogensrecht. Het hof verwijst ter zake naar r.o. 2.2 hiervoor.
4.2
Uit het voormelde IJI-rapport volgt dat echtgenoten op grond van artikel 1119 Iraans BW in hun huwelijkscontract mogen afwijken van het Iraans wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen voor zover de overeengekomen bepalingen niet in strijd zijn met de essentie van het huwelijk. Partijen mogen bijvoorbeeld niet overeenkomen dat zij geen kinderen willen krijgen. Zij mogen wel overeenkomen om het (huwelijks)vermogen (van de man) bij helfte te verdelen in geval van ontbinding van het huwelijk zonder dat daaraan voorwaarden worden verbonden. Dat gebeurt in de praktijk echter bijna nooit. De achtergrond van de standaardclausule (inhoudende dat de vrouw slechts onder de voorwaarde dat de echtscheiding niet door haar gewenst is en dat zij daaraan geen schuld heeft, aanspraak kan maken op het vermogen van de man dat hij tijdens het huwelijk van partijen heeft verworven terwijl de man geen enkele aanspraak heeft op (een deel van) het vermogen van de vrouw) die partijen in de onderhavige zaak in hun huwelijksakte hebben opgenomen, is dat het Iraans recht een algehele scheiding van goederen kent en geen sprake is van een (voortdurende) onderhoudsverplichting na het huwelijk. Indien de man dan wenst te scheiden, terwijl zijn echtgenote geen blaam treft en zij wel gehuwd wenst te blijven, blijft zij na het huwelijk toch verzorgd achter.
4.3
Het hof overweegt als volgt. De oorspronkelijk door partijen gesloten huwelijkse voorwaarden zijn onlosmakelijk verbonden met de beschermingsgedachte en bedoeling dat de vrouw bij het einde van het huwelijk door echtscheiding voldoende financieel verzorgd moet achterblijven. De daarmee verband houdende voorwaarde in de huwelijkse voorwaarden dat de vrouw enkel recht heeft op een deel van het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde vermogen als zij de echtscheiding niet heeft gewild en zij daaraan geen schuld heeft, dient gezien de rechtspraak van de Hoge Raad wegens strijd met de Nederlandse openbare orde buiten beschouwing te worden gelaten. Als enkel die voorwaarde buiten toepassing zou blijven zou dit tot gevolg hebben dat de vrouw nu een onvoorwaardelijk recht zou hebben (gekregen) op het vermogen van de man. Dit is naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak in strijd de ratio van deze overeenkomst tussen partijen. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat, zoals uit het voornoemde IJI-rapport blijkt, een onvoorwaardelijke verdeling bij helfte van het vermogen in Iran in praktijk bijna nooit voorkomt. Overigens is in dit geval geen sprake van het financieel onverzorgd achterblijven van de vrouw. Immers, de vrouw kan naar Nederlands recht aanspraak maken op partneralimentatie. Daarnaast heeft zij, evenals de man, een goede baan als tandarts met het daarbij horende aanzienlijke inkomen. Evenals de man is zij in staat vermogen op te bouwen. De verzorgingsgedachte speelt hier derhalve geen rol.
4.4
Nu de huwelijkse voorwaarden van partijen voor het overige geen bepalingen ten aanzien van verrekening van vermogen inhouden, geldt naar het oordeel van het hof bij de afwikkeling van de financiële gevolgen van hun huwelijk het Iraans wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen. Het hof acht deze uitkomst gelet op de vergelijkbare inkomens- en vermogenspositie van partijen alleszins gerechtvaardigd. Het vorenstaande brengt mee dat de wijze van verdeling zoals vermeld onder 4.5 van het dictum van de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en de inleidende verzoeken tot verdeling van de huwelijksgemeenschap alsnog moeten worden afgewezen.
(…)
De woning
4.8
Uit de bestreden beschikking volgt naar het oordeel van het hof expliciet dat er tussen partijen overeenstemming bestond dat de voormalige echtelijke woning te [plaats] aan de man zou worden toegedeeld tegen een waarde van € 940.000,- en dat de man de op de woning rustende hypothecaire geldlening als een eigen schuld zou overnemen en de vrouw ter zake die lening zou vrijwaren. Uit het proces-verbaal van dit hof van de zitting van 8 april 2021 volgt eveneens dat de woning te [plaats] aan de man zou worden toegedeeld voor een bedrag van € 940.000,-. In het proces-verbaal staat letterlijk: “De voorzitter vat samen dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de waarde van de woning in die zin dat de waarde van de woning gelijk is aan de hypothecaire geldlening die erop rust.” Het enkele feit dat de man – mede bezien het conflict tussen partijen – niet binnen drie maanden de financiering heeft kunnen verkrijgen inzake de overname van de woning, rechtvaardigt niet dat de vrouw niet meer gebonden is aan de overeenkomst die zij met de man op 24 maart 2020 heeft gesloten met betrekking tot de verdeling van de woning. Ook zij heeft een aandeel erin gehad dat de man niet binnen de gestelde termijn van drie maanden uitvoering kon geven aan hetgeen partijen waren overeengekomen met betrekking tot de woning.
4.9
Voormelde afspraken tussen partijen omtrent de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van de woning lenen zich niet voor opname in het dictum aangezien het hof over de onderwerpen waarover overeenstemming is bereikt, niet meer hoeft te beslissen. Dit neemt niet weg dat partijen jegens elkaar gebonden zijn aan de afspraken die zij met elkaar over de verdeling van de woning hebben gemaakt en op grond waarvan de woning is verdeeld in de zin van artikel 3:182 BW. De vrouw dient derhalve mee te werken aan de goederenrechtelijke voltooiing van deze verdeling met toedeling van de woning aan de man.
ASR levensverzekering
4.1
Ter zitting is ook de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering bij ASR aan de orde gekomen. Partijen zijn in eerste aanleg overeengekomen dat deze levensverzekering zal worden toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 130.760,-, onder verrekening van de helft van die waarde met de vrouw. Aan deze afspraak, die zich evenmin leent voor opname in het dictum aangezien de rechter in dezen geen rechtsmacht heeft, zijn partijen gebonden.”

3.Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1.1
Onderdeel II van het middel klaagt onder meer dat het hof in rov. 5.1-5.9 van de tussenbeschikking heeft miskend dat uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep blijkt dat partijen ten processe alsnog een rechtskeuze hebben gemaakt voor Nederlands recht vanaf 15 april 2009, de datum waarop de vrouw de Nederlandse nationaliteit verkreeg. Het stond het hof daarom niet vrij te overwegen dat Iraans recht van toepassing is, aldus de klacht.
3.1.2
In deze zaak is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 [4] van toepassing (rov. 5.5 van de tussenbeschikking, onbestreden in cassatie). Op grond van art. 6 van dit verdrag kunnen de echtgenoten tijdens het huwelijk – dus ook in het kader van een echtscheidingsprocedure – een rechtskeuze doen ter zake van het huwelijksvermogensregime. Volgens art. 13 van het verdrag dient deze rechtskeuze te geschieden in de vorm die voor huwelijkse voorwaarden is voorgeschreven door hetzij het gekozen recht, hetzij het recht van de plaats waar de rechtskeuze wordt gedaan. Een rechtskeuze voor Nederlands recht die in Nederland wordt gedaan, moet dus op grond van art. 13 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 in verbinding met art. 1:115 lid 1 BW geschieden bij notariële akte. Dat betekent dat een ten processe bij de Nederlandse rechter gedane rechtskeuze voor Nederlands recht die is neergelegd in een proces-verbaal van de zitting, niet voldoet. De hiervoor in 3.1.1 weergegeven klacht faalt.
3.2.1
Onderdeel III keert zich tegen rov. 4.1-4.4 van de eindbeschikking en bevat onder meer (in III.2 en in het tweede III.3) motiveringsklachten over de toepassing van Iraans recht door het hof. Deze klachten komen erop neer dat het oordeel van het hof over de inhoud van het Iraanse huwelijksvermogensrecht onbegrijpelijk is gemotiveerd in het licht van het onderzoeksrapport van het IJI.
3.2.2
In de hiervoor in 2.1 onder (iii) weergegeven clausule is een voorwaarde opgenomen die inhoudt dat de vrouw recht heeft op een deel van het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde vermogen indien zij de echtscheiding niet wenst en zij conform de bevinding van de rechtbank haar taken als echtgenote heeft uitgevoerd en geen onzedelijk gedrag heeft begaan (hierna ook: de gewraakte bepaling). Het hof heeft in de tussenbeschikking deze bepaling in strijd geacht met de Nederlandse openbare orde (rov. 5.14). Vervolgens heeft het hof zich de vraag gesteld of de vrouw, gezien de huwelijkse voorwaarden zonder de gewraakte bepaling, naar Iraans huwelijksvermogensrecht nog een aanspraak heeft op het vermogen van de man. Het hof heeft daartoe een onderzoek door het IJI bevolen (rov. 5.16-5.17 en dictum).
3.2.3
In het rapport van het IJI wordt geconcludeerd dat de vrouw in de onderhavige kwestie gezien de huwelijkse voorwaarden zonder het door de openbare orde getroffen en buiten toepassing gelaten onderdeel daarvan (de gewraakte bepaling) naar Iraans huwelijksvermogensrecht nog een aanspraak heeft op het vermogen van de man (zie hiervoor in 2.5).
3.2.4
In de eindbeschikking heeft het hof overwogen dat uit het IJI-rapport volgt dat echtgenoten op grond van art. 1119 Iraans BW in hun huwelijkscontract mogen afwijken van het Iraans wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen voor zover de overeengekomen bepalingen niet in strijd zijn met de essentie van het huwelijk. Partijen mogen bijvoorbeeld niet overeenkomen dat zij geen kinderen willen krijgen. Zij mogen wel overeenkomen om het (huwelijks)vermogen (van de man) bij helfte te verdelen in geval van ontbinding van het huwelijk zonder dat daaraan voorwaarden worden verbonden. Dat gebeurt in de praktijk echter bijna nooit (rov. 4.2).
3.2.5
Vervolgens heeft het hof in de eindbeschikking – kennelijk oordelend naar Iraans recht – geoordeeld dat de ratio van de oorspronkelijk door partijen gesloten huwelijkse voorwaarden is gelegen in de beschermingsgedachte en de bedoeling dat de vrouw bij het einde van het huwelijk door echtscheiding voldoende financieel verzorgd moet achterblijven, en dat het in strijd is met deze ratio indien de vrouw nu een onvoorwaardelijk recht zou hebben (gekregen) op het vermogen van de man; hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat een onvoorwaardelijke verdeling bij helfte van het vermogen in Iran in de praktijk bijna nooit voorkomt (rov. 4.3). Ten slotte heeft het hof overwogen dat, nu de huwelijkse voorwaarden van partijen voor het overige geen bepalingen ten aanzien van verrekening van vermogen inhouden, het Iraans wettelijk stelsel van algehele scheiding van goederen geldt (rov. 4.4).
3.2.6
De hiervoor in 3.2.5 weergegeven oordelen van het hof over de inhoud van het Iraanse recht zijn zonder nadere motivering onbegrijpelijk in het licht van het door het hof bevolen IJI-rapport. Uit dit rapport blijkt immers dat – zoals het hof in rov. 4.2 overweegt – echtgenoten wel geldig kunnen overeenkomen om het (huwelijks)vermogen (van de man) bij helfte te verdelen in geval van ontbinding van het huwelijk zonder dat daaraan voorwaarden worden verbonden, terwijl uit dat rapport niet blijkt dat naar Iraans recht de rechtsgevolgen van het buiten toepassing laten van een gedeelte van een tussen partijen overeengekomen clausule in de huwelijkse voorwaarden moeten worden vastgesteld aan de hand van de ratio van de tussen partijen overeengekomen clausule. Uit dit rapport blijkt evenmin dat het feit dat een onvoorwaardelijke verdeling bij helfte van het vermogen in Iran in de praktijk bijna nooit voorkomt, naar Iraans recht in deze zaak van belang is.
De hiervoor in 3.2.1 bedoelde motiveringsklachten slagen.
3.2.7
Na verwijzing dient het hof aan de hand van het toepasselijke Iraanse recht te bepalen in hoeverre de vrouw een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak kan ontlenen aan de huwelijkse voorwaarden in het geval dat de gewraakte bepaling wegens strijd met de Nederlandse openbare orde buiten toepassing blijft. Dit betekent dat het hof moet onderzoeken op welke wijze naar Iraans recht moet worden omgegaan met de omstandigheid dat een gedeelte van een tussen partijen overeengekomen clausule in de huwelijkse voorwaarden (bijvoorbeeld wegens partiële nietigheid van die clausule) buiten toepassing blijft.
3.3.1
Onderdeel IV.2 [5] keert zich onder meer met motiveringsklachten tegen rov. 4.8 van de eindbeschikking, waarin het hof heeft geoordeeld dat uit de bestreden beschikking van de rechtbank volgt dat er tussen partijen overeenstemming bestond dat de woning aan de man zou worden toebedeeld tegen een waarde van € 940.000,--, dat de man de op de woning rustende hypothecaire geldlening als eigen schuld zou overnemen en de vrouw ter zake van die lening zou vrijwaren, en dat uit het proces-verbaal van het hof van de zitting van 8 april 2021 eveneens volgt dat de woning aan de man zou worden toegedeeld voor een bedrag van € 940.000,--.
Het onderdeel klaagt dat het onbegrijpelijk is dat het hof heeft aangenomen dat er tussen partijen een overeenkomst met de door het hof bedoelde inhoud bestond. Daartoe voert het onderdeel onder meer aan, samengevat, dat de rechtbank op verzoek van de vrouw een termijn van drie maanden heeft gesteld voor de overname van de woning door de man tegen een waarde van € 940.000,-- en heeft bepaald dat de woning bij overschrijding van die termijn moet worden verkocht, waarbij de eventuele onder- of overwaarde tussen partijen dient te worden verdeeld, en dat het hof onbesproken heeft gelaten dat de vrouw ook tijdens de zitting van 8 april 2021 – zoals blijkt uit het proces-verbaal van die zitting – heeft aangedrongen op verkoop van de woning (aan een derde).
3.3.2
Zoals blijkt uit rov. 4.8 van de eindbeschikking, heeft het hof aangenomen dat er tussen partijen in dit verband overeenstemming bestond over de volgende aspecten: (i) de toedeling van de voormalige echtelijke woning aan de man, (ii) de waarde waartegen de woning wordt toegedeeld (€ 940.000,--), en (iii) de overname door de man van de op de woning rustende hypothecaire geldlening als eigen schuld met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze lening. Uit de beschikking van de rechtbank volgt dat tussen partijen overeenstemming bestond over de aspecten (i) en (iii). Uit die beschikking van de rechtbank (rov. 3.5.15) blijkt evenwel dat partijen het niet eens waren over aspect (ii). Daarom heeft de rechtbank de waarde van de woning zelf vastgesteld op € 940.000,--. In zoverre heeft het hof een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan de beschikking van de rechtbank, door te oordelen dat daaruit volgt dat tussen partijen over alle hiervoor genoemde aspecten overeenstemming bestond.
Het oordeel van het hof dat tussen partijen overeenstemming bestond over aspect (ii), berust evenwel ook zelfstandig op een uitleg van het verhandelde ter zitting van het hof. Die uitleg is aan het hof voorbehouden en niet onbegrijpelijk in het licht van het proces-verbaal van de zitting van het hof van 8 april 2021. Zoals overwogen door het hof, volgt uit het proces-verbaal dat de voorzitter ter zitting heeft geresumeerd (‘vat samen’) dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de waarde van de woning in die zin dat de waarde van de woning gelijk is aan de hypothecaire geldlening die erop rust. Op grond van het proces-verbaal kan niet worden geconcludeerd dat, zoals het onderdeel kennelijk betoogt, dit resumé van de voorzitter enkel een samenvatting is van hetgeen de advocaat van de man ter zitting heeft aangevoerd en onjuist is.
Het hof heeft, anders dan het onderdeel kennelijk aanvoert, niet miskend dat aan de afspraak betreffende de toedeling van de woning aan de man tegen de waarde van € 940.000,-- een voorwaarde was verbonden, namelijk dat de man de toedeling van de woning met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening binnen drie maanden moest realiseren. Het hof heeft blijkens rov. 4.8 van de eindbeschikking geconstateerd dat aan deze voorwaarde niet is voldaan, maar vervolgens geoordeeld dat dit niet rechtvaardigt dat de vrouw niet meer is gebonden aan de overeenkomst met betrekking tot de verdeling van de woning, nu ook de vrouw er een aandeel in heeft gehad dat de man daaraan niet binnen de gestelde termijn uitvoering kon geven. Daarmee heeft het hof ook gerespondeerd op het ter zitting van 8 april 2021 ingenomen standpunt van de vrouw dat de woning dient te worden verkocht.
Uit het voorgaande volgt dat onderdeel IV.2 faalt.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4.Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep

4.1
Het incidentele beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat een of meer klachten van het middel in het principale beroep slagen. Nu deze voorwaarde is vervuld, wordt toegekomen aan behandeling van het middel in het incidentele beroep.
4.2.1
Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen rov. 5.12-5.14 van de tussenbeschikking. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat de vrouw in hoger beroep niet is opgekomen tegen (i) het oordeel van de rechtbank dat de hiervoor in 2.1 onder (iii) genoemde clausule in de huwelijkse voorwaarden niet in strijd is met de Nederlandse rechtsorde (rov. 3.5.10), alsmede (ii) het oordeel van de rechtbank dat de vrouw geen vorderingen heeft op de man over de periode dat de rechtbank Iraans recht van toepassing acht op het huwelijksvermogensregime en dat het verzoek van de vrouw op de helft van de vermogensaanwas van de man over die periode wordt afgewezen (rov. 3.5.11).
De klacht van het onderdeel komt erop neer dat het hof buiten het door de grieven ontsloten gebied is getreden door in rov. 5.12 e.v. van de tussenbeschikking de gewraakte bepaling te toetsen aan de openbare orde. Volgens het onderdeel was het hof daartoe niet ambtshalve bevoegd, nu het hof in rov. 5.12 van de tussenbeschikking heeft vastgesteld dat het hier gaat om de toepassing van het zogenoemde binnengrenscriterium van de openbare orde (waarbij het gaat om vreemd recht dat buiten toepassing moet blijven omdat de toepassing ervan zou leiden tot een gevolg dat naar Nederlandse opvattingen niet kan worden geduld) en niet het buitengrenscriterium (waarbij het gaat om vreemd recht dat naar zijn inhoud onaanvaardbaar is).
4.2.2
Bij de beoordeling van het onderdeel dient tot uitgangspunt dat de openbare-orde-exceptie in het internationaal privaatrecht in processuele zin van openbare orde is. Dit geldt zowel voor de openbare-orde-exceptie in het commune internationaal privaatrecht (art. 10:6 BW) als voor de openbare-orde-exceptie in internationale regelingen, zoals in art. 14 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, dat in de onderhavige zaak toepasselijk is. Dit betekent dat zowel de rechter in eerste aanleg als de rechter in hoger beroep ertoe is gehouden ambtshalve de openbare-orde-exceptie toe te passen. Voor de rechter in hoger beroep geldt deze verplichting ook buiten de grenzen van het door de grieven ontsloten gebied, met dien verstande dat hij de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep dient te respecteren. [6]
Anders dan het onderdeel betoogt, geldt de verplichting tot ambtshalve toepassing van de openbare-orde-exceptie ongeacht of sprake is van vreemd recht dat naar zijn inhoud onaanvaardbaar is, of van vreemd recht dat buiten toepassing moet blijven omdat de toepassing ervan zou leiden tot een gevolg dat naar Nederlandse opvattingen niet kan worden geduld. [7] In beide gevallen kan geen toepassing van het vreemde recht plaatsvinden omdat dit in strijd is met fundamentele waarden en beginselen van de Nederlandse rechtsorde.
4.2.3
Uit hetgeen hiervoor in 4.2.2 is overwogen, volgt dat de in 4.2.1 weergegeven klacht faalt. Het hof was gehouden – zoals het ook heeft gedaan – om de openbare-orde-exceptie ambtshalve toe te passen, ook buiten het door de grieven ontsloten gebied. Dat – zoals het hof in rov. 5.12 van de tussenbeschikking heeft overwogen – het ging om vreemd recht dat buiten toepassing moet blijven omdat de toepassing ervan zou leiden tot een gevolg dat naar Nederlandse opvattingen niet kan worden geduld, en niet om vreemd recht dat naar zijn inhoud onaanvaardbaar is, maakt dat niet anders.
4.3
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 19 december 2023;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
in het incidentele beroep:
- verwerpt het beroep;
in het principale en incidentele beroep voorts:
- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
30 januari 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Rotterdam 24 maart 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:3277.
2.Gerechtshof Den Haag 5 oktober 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2153.
3.Gerechtshof Den Haag 19 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2560.
4.Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, ’s-Gravenhage, 14 maart 1978, Trb. 1988, 130.
5.Zie ook HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:127.
6.Vgl. HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:340, rov. 3.4.1-3.4.3.
7.Vgl. HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721, rov. 3.2.