Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Eenzelfde vraag is aan de orde als het openbaar ministerie zo’n mogelijkheid heeft gehad om een vordering te doen tot het horen van een persoon als getuige en het openbaar ministerie desgevraagd uitdrukkelijk heeft gesteld daarvan af te zien, dan wel op de uitdrukkelijke vraag naar onderzoekswensen niet heeft gereageerd.
In het navolgende gaat de Hoge Raad in het bijzonder in op onderzoekswensen in de vorm van een verzoek van de verdediging om een bepaalde persoon als getuige te horen.
4.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
5.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
6.Samenvatting over getuigenverzoeken van de verdediging
uitdrukkelijk heeft gesteld geen getuigenverzoeken (meer) te hebben, en b) gevallen waarin de verdediging eerder
uitdrukkelijk is gevraagd of zij getuigen wil horen, waarbij er duidelijk op is gewezen dat het niet verzoeken van getuigen wordt opgevat als het niet hebben van getuigenverzoeken, en op die vraag door de verdediging
niet is gereageerd.
Als zich een van deze gevallen voordoet en de verdediging daarna toch een getuigenverzoek doet, kan van de verdediging worden gevergd dat zij toelicht waarom zij terugkomt van haar eerder ingenomen standpunt. De rechter kan het verzoek afwijzen als die toelichting uitblijft. Als de verdediging wel zo’n toelichting geeft, moet de rechter beoordelen of de opgegeven redenen van voldoende gewicht zijn. Als dat volgens de rechter niet het geval is, dan kan hij het verzoek eveneens afwijzen. Bij die beoordeling is onder meer van belang of er na het hiervoor onder a) of b) bedoelde moment sprake is van relevante nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot (het verloop van de procedure en de mogelijke uitkomst van) de strafzaak.
In dit arrest gaat de Hoge Raad in op de mogelijkheden die in het Nederlandse strafproces bestaan om voorafgaand aan en tijdens het onderzoek op de terechtzitting onderzoekshandelingen te laten verrichten, waaronder het op verzoek van de verdediging laten horen van getuigen ten overstaan van een rechter en in aanwezigheid van de verdediging (mede met het doel de verdediging in staat te stellen het ondervragingsrecht uit te oefenen). Tegen die achtergrond overweegt de Hoge Raad dat de vereiste toelichting op de omstandigheid dat het getuigenverzoek is gedaan na het onder a) of b) bedoelde moment, verband houdt met het belang van een goede, geordende en tijdige procesvoering, waaronder ook het door de wetgever onderstreepte belang van een goede regievoering. Het stellen van die eis is in overeenstemming met de “formal requirements and time-limits” van het Nederlandse strafprocesrecht, die niet alleen zien op een efficiënte procesvoering maar die ook de waarheidsvinding dienen en waarborgen dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting voldoet aan de vereisten van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
Verder benadrukt de Hoge Raad dat ook in de hier aangeduide gevallen op de rechter de taak rust om, voordat hij uitspraak doet, na te gaan of de procedure in haar geheel voldoet aan dit recht op een eerlijk proces. In die gevallen waarin het voorgaande ertoe leidt dat de verdediging niet de mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, betrekt de rechter daarbij, in onderling verband, (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, waarbij dus ook een rol kan spelen de reden die de verdediging heeft opgegeven waarom zij op het onder a) of b) bedoelde moment geen verzoek tot het horen van die getuige heeft gedaan, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.
7.Beslissing
14 oktober 2025.