Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
9 september 2025.
Hoge Raad
In deze zaak is een klaagschrift ingediend tegen de inbeslagname van een telefoon op grond van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) uitgevaardigd door Franse autoriteiten. De rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het EOB door een officier van justitie was erkend, ondanks dat deze erkenning niet schriftelijk was vastgelegd.
De Hoge Raad bevestigt dat de wet niet voorschrijft dat de erkenning van een EOB door de officier van justitie schriftelijk moet worden vastgelegd, noch volgt dit uit de Europese Richtlijn 2014/41/EU. De rechter hoeft ook niet ambtshalve te onderzoeken of alle wettelijke voorschriften voorafgaand aan erkenning en uitvoering van het EOB zijn nageleefd.
De rechtbank mocht op basis van de mededeling van de officier van justitie tijdens de behandeling van het klaagschrift aannemen dat het EOB was erkend. De Hoge Raad acht dit oordeel niet onbegrijpelijk en verwerpt het cassatieberoep. Verder aangevoerde klachten leiden niet tot vernietiging van het vonnis.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat erkenning van het Europees Onderzoeksbevel door de officier van justitie niet schriftelijk hoeft te worden vastgelegd.