Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
De abonnementhouder betaalt bij het afsluiten van een abonnement eenmalig een bedrag aan entreekosten, onder meer voor het afleggen van een vaartest en een instructiedag manoeuvreren.
3.De oordelen van het Hof
4.Beoordeling van de middelen
De middelen betogen dat de door belanghebbende aan de abonnementhouders aangeboden dienstverlening moet worden aangemerkt als het geven van gelegenheid tot sportbeoefening zoals bedoeld in post b.3 van Tabel I. De middelen leiden uit het arrest van 15 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:912, af dat de uitleg die de Hoge Raad in onder meer het arrest van 10 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3758, aan deze tabelpost heeft gegeven niet is achterhaald door de uitleg die het Hof van Justitie in het arrest Baštová heeft gegeven aan de in punt 14 van Bijlage III van BTW-richtlijn 2006 omschreven dienst ‘het verlenen van het recht gebruik te maken van sportaccommodaties’. Verder is volgens deze middelen – anders dan het Hof heeft geoordeeld – het zeilen met een kajuitjacht – wél in alle gevallen aan te merken als sportbeoefening, dus ook in het geval van recreatief zeilen.
Zoals hiervoor in 4.4 en 4.5.1 is geoordeeld, moeten de uitspraken van het Hof en van de Rechtbank worden vernietigd vanwege een onjuiste rechtsopvatting over de reikwijdte van post b.3 van Tabel I. Hierin ziet de Hoge Raad – doende wat de Rechtbank respectievelijk het Hof had behoren te doen – aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot een hogere vergoeding van de kosten van het geding voor de Rechtbank en voor het Hof dan het Hof heeft vastgesteld. De Hoge Raad zal daarbij uitgaan van wegingsfactor 1 (gemiddeld).