ECLI:NL:HR:2024:746
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt recht op loonkostenvoordeel oudere werknemer bij overgang onderneming
De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over het recht op loonkostenvoordeel (LKV) voor oudere werknemers bij overgang van een onderneming.
De werknemer trad in maart 2018 in dienst bij een eenmanszaak, die in mei 2018 werd omgezet in een vennootschap onder firma. De vennootschap vroeg LKV aan voor de werknemer, maar de Inspecteur wees dit af. Het Hof oordeelde dat de overgang van onderneming volgens artikel 7:663 BW Pro meebrengt dat de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst overgaan op de nieuwe werkgever, en dat het recht op LKV blijft bestaan zoals bij de oorspronkelijke werkgever.
De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en stelt dat het tijdstip van aanvang van de dienstbetrekking moet worden bepaald aan de hand van de wilsovereenstemming tussen werknemer en oorspronkelijke werkgever, niet het moment van overgang. Ook blijft de doelgroepverklaring geldig na overgang, ook als deze op naam van de oorspronkelijke werkgever is gesteld.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten. Hiermee wordt het recht op LKV oudere werknemer bij overgang van onderneming bevestigd, in lijn met het doel van de Wtl om kwetsbare werknemers te stimuleren.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond en bevestigt het recht op loonkostenvoordeel oudere werknemer bij overgang van onderneming.