ECLI:NL:HR:2024:1890

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2024
Publicatiedatum
19 december 2024
Zaaknummer
24/02547
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Nietig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:1 WvggzArt. 6:4 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking zorgmachtiging wegens onvoldoende vaststelling bereidheid tot horen betrokkene

In deze zaak heeft de officier van justitie een zorgmachtiging op grond van art. 6:4 Wvggz Pro verzocht ten aanzien van betrokkene voor de duur van twaalf maanden. De rechtbank Amsterdam heeft deze machtiging verleend na een mondelinge behandeling waarbij betrokkene niet aanwezig was, omdat hij niet wilde verschijnen, maar zijn advocaat wel aanwezig was en een standpunt namens hem innam.

Betrokkene stelde cassatie in tegen deze beschikking. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank niet voldoende heeft vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te laten horen, zoals vereist is op grond van art. 6:1 lid 1 Wvggz Pro. De rechtbank had moeten onderzoeken en motiveren dat betrokkene niet bereid was te worden gehoord, ook buiten de mondelinge behandeling, bijvoorbeeld op zijn woon- of verblijfplaats.

De Hoge Raad benadrukt dat het fundamentele beginsel van behoorlijke rechtspleging vereist dat betrokkene de gelegenheid krijgt zijn standpunt naar voren te brengen voordat een zorgmachtiging wordt opgelegd. De rechtbank heeft dit onderzoek en de motivering daarvan gemist, waardoor de beschikking niet in stand kan blijven.

Daarom vernietigt de Hoge Raad de beschikking van 11 april 2024 en wijst het geding terug naar de rechtbank Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing, waarbij de juiste vaststelling en motivering over de bereidheid van betrokkene om zich te laten horen dienen plaats te vinden.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling wegens onvoldoende vaststelling van de bereidheid van betrokkene om zich te laten horen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/02547
Datum20 december 2024
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: D. Rijpma,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/13/748411 FA RK 24-20217 van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2024.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd en daarbij als bijlage onder meer een niet eerder in het geding gebrachte Wvggz-beschikking van de rechtbank Midden-Nederland met betrekking tot betrokkene gevoegd. De eisen van een goede procesorde brengen mee dat bij de reactie op de conclusie van de Advocaat-Generaal, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, geen plaats is voor aanvulling van de stukken van het geding. De Hoge Raad zal daarom geen acht slaan op de inhoud van deze bijlage. [1]

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In deze procedure heeft de officier van justitie verzocht een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:4 Wvggz Pro te verlenen ten aanzien van betrokkene voor de duur van twaalf maanden.
2.2
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 11 april 2024 in het gerechtsgebouw. Daarbij zijn de advocaat van betrokkene en de case manager gehoord. Betrokkene zelf is niet verschenen. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling vermeldt onder meer:

De advocaatdeelt mee dat hij contact heeft gehad met betrokkene. Deze zal niet ter zitting verschijnen omdat hij er niet bij wil zijn.”
2.3
De rechtbank heeft een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden. [2] In rov. 1 van haar beschikking heeft de rechtbank onder meer overwogen:
“De advocaat deelt mee dat betrokkene niet komt omdat hij niet bij de mondelinge behandeling aanwezig wil zijn. De advocaat heeft wel contact met betrokkene gehad en voelt zich gemachtigd om namens hem een standpunt in te nemen. De rechtbank zal de behandeling daarom buiten aanwezigheid van betrokkene voortzetten.”

3.Beoordeling van het middel

3.1
Het middel keert zich tegen het hiervoor in 2.3 geciteerde oordeel van de rechtbank. Dit oordeel geeft volgens het middel blijk van een onjuiste rechtsopvatting of is niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd nu de rechtbank niet (zelf) heeft vastgesteld dat betrokkene niet wenste te worden gehoord. De verklaring van de advocaat van betrokkene ter zitting maakt dat niet anders. Uit die verklaring valt immers niet af te leiden dat betrokkene niet wilde worden gehoord, maar alleen dat hij niet bij de mondelinge behandeling aanwezig wilde zijn, aldus het middel.
3.2
Art. 6:1 lid 1 Wvggz Pro bepaalt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Het gaat hier om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet verplichte zorg kan worden opgelegd zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld.
Dit brengt mee dat de rechter die van oordeel is dat deze bereidheid ontbrak, dit in zijn beschikking dient vast te stellen en dat hij de gronden dient te vermelden waarop dat oordeel berust. Niet noodzakelijk is evenwel dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop de betrokkene zich heeft gedragen, in het bijzonder ook bij de door de rechter aangewende pogingen om de betrokkene in zijn woon- of verblijfplaats te horen op de voet van art. 6:1 lid 2 Wvggz Pro. [3]
3.3
De rechtbank heeft het hiervoor in 3.2 overwogene miskend, nu zij in de bestreden beschikking niet heeft vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen. Zij heeft weliswaar (in rov. 1) vastgesteld dat betrokkene niet bij de mondelinge behandeling aanwezig wilde zijn, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat de bereidheid van betrokkene om zich te doen horen, bijvoorbeeld in zijn woon- of verblijfplaats, ontbrak.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2024;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
20 december 2024.

Voetnoten

1.HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1104, rov. 1.
2.Rechtbank Amsterdam 11 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4502.
3.Zie onder meer HR 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:18, rov. 3.1.2; HR 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:547, rov. 3.2; HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1140, rov. 3.2; HR 22 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1721, rov. 3.2.