Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Op 2 augustus 2022 heeft Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]
Hoge Raad
Belanghebbende was statutair bestuurder van verschillende groepsvennootschappen en ontving bonussen die deels betrekking hadden op werkzaamheden in Brazilië en Zwitserland. De vraag was of deze bonussen als beloning voor bestuurderswerkzaamheden konden worden aangemerkt en hoe dubbele belastingheffing voorkomen kon worden.
Het Hof Den Haag oordeelde dat het formele bestuurdersbegrip geldt en dat belanghebbende niet als statutair bestuurder in Brazilië en Argentinië was benoemd, waardoor het belastingverdrag Nederland-Brazilië geen voorkoming van dubbele belasting bood. Ook werd geoordeeld dat het overgangsrecht van het belastingverdrag Nederland-Zwitserland 2010 van toepassing is, aangezien de bonussen in 2017 werden genoten.
De Hoge Raad verwierp de middelen van belanghebbende die stelden dat het materiële bestuurdersbegrip moest gelden en dat het oudere belastingverdrag Nederland-Zwitserland 1951 van toepassing zou zijn. Tevens bevestigde de Hoge Raad dat het Hof terecht oordeelde dat onvoldoende direct verband bestond tussen de bonussen en werkzaamheden voor buitenlandse groepsvennootschappen, waardoor geen verrekening mogelijk was.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en bevestigde daarmee de uitspraak van het Hof. De proceskosten werden niet aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Hof bevestigd.