ECLI:NL:HR:1997:AA2214

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 juli 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32016
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A. Stoffer
  • J. Urlings
  • M. Zuurmond
  • P. Pos
  • A. Beukenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over aanslag inkomstenbelasting en dubbele belastingverdragen

In deze zaak gaat het om een beroep in cassatie van belanghebbende, X, tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 31 oktober 1995. De zaak betreft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1991, waarbij belanghebbende een belastbaar inkomen van ƒ 283.929,-- was opgelegd. Na bezwaar tegen deze aanslag, heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Hof. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Inspecteur, wat leidde tot het cassatieberoep.

Belanghebbende, die bestuurder is van A N.V. en ook van de dochtermaatschappijen in België, Italië, de Verenigde Staten, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, heeft in cassatie aangevoerd dat een deel van zijn salaris dat door A N.V. aan hem is betaald, moet worden beschouwd als beloning voor werkzaamheden verricht voor de buitenlandse dochterondernemingen. Dit zou volgens hem recht geven op vermindering van de Nederlandse inkomstenbelasting op basis van de belastingverdragen met België en de Verenigde Staten.

Het Hof heeft echter geoordeeld dat er onvoldoende direct verband bestaat tussen de werkzaamheden van belanghebbende als bestuurder van de dochterondernemingen en het salaris dat hij van A N.V. heeft ontvangen. Dit oordeel is door de Hoge Raad bevestigd, waarbij werd vastgesteld dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd. De Hoge Raad verwerpt het beroep en oordeelt dat er geen termen zijn voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 31 oktober 1995 betreffende de hem voor het jaar 1991 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 283.929,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is bestuurder van A N.V. en daarnaast statutair bestuurder van de dochtermaatschappijen van A N.V. in België, Italië, de Verenigde Staten van Noord-Amerika, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. In het onderhavige jaar, 1991, is circa 50 percent van het salaris dat belanghebbende van A N.V. heeft ontvangen, tezamen met de overige centrale concernkosten, in één bedrag doorbelast aan de buitenlandse dochtermaatschappijen, naar rato van de omzet en de personeelskosten van die maatschappijen. 3.2. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of belanghebbende ingevolge het bepaalde in artikel 16 van de Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing, met Protocol (Tractatenblad 1970, 192), respectievelijk artikel XVI van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika met betrekking tot belastingen van inkomsten en bepaalde andere belastingen (Tractatenblad 1948, 1464/1949, J80), zoals gewijzigd bij aanvullende overeenkomst van 20 december 1965 (Tractatenblad 1966, 97) recht heeft op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting. Het geschil betrof de vraag of een deel van de arbeidsbeloning die belanghebbende van A NV heeft ontvangen, moet worden beschouwd als beloning respectievelijk inkomsten in de zin van evenbedoelde verdragsbepalingen terzake van de werkzaamheden die hij in zijn hoedanigheid van bestuurder van de in België en in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde dochterondernemingen ten behoeve van die ondernemingen heeft verricht. 3.3. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Daartoe heeft het onder verwijzing naar de in 5.1.2 en 5.1.3 van zijn uitspraak vermelde omstandigheden redengevend geoordeeld dat tussen de werkzaamheden die door belanghebbende als bestuurder respectievelijk "director" van de Belgische en Amerikaanse dochterondernemingen zijn verricht en het daaraan toegerekende deel van zijn van A NV ontvangen salaris enerzijds en de door die dochterondernemingen aan A NV betaalde vergoeding voor concernkosten anderzijds onvoldoende direct verband bestond om wat betreft het evenbedoelde deel van zijn salaris te kunnen spreken van een beloning welke als zodanig aan hem als bestuurder of "director" door of namens de dochterondernemingen is betaald voor de door hem ten behoeve van die ondernemingen verrichte werkzaamheden. 3.4. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige als van feitelijke aard en geen nadere motivering behoevende, in cassatie niet met vrucht worden bestreden. 3.5. Aan zijn in 3.3. weergegeven oordeel heeft het Hof terecht de gevolgtrekking verbonden dat aan belanghebbende geen vermindering van Nederlandse inkomstenbelasting behoefde te worden verleend op basis van de in 3.2. vermelde verdragen. 3.6. Gezien het in 3.3. tot en met 3.5. overwogene falen de klachten.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 15 juli 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, en op die datum in het openbaar uitgesproken.