ECLI:NL:HR:2020:400
Hoge Raad
- Cassatie
- G. de Groot
- J.A.C.A. Overgaauw
- M.A. Fierstra
- J. Wortel
- A.F.M.Q. Beukers-van Dooren
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat artikel 10 lid 6 Zetelovereenkomst ongerechtvaardigde beperking vormt van vrij verkeer werknemers
Belanghebbende, een werknemer met de Nederlandse nationaliteit die voor het Europees Octrooibureau (EOB) werkte, werd aangeslagen voor inkomstenbelasting inclusief inkomen uit sparen en beleggen. Het Hof Den Haag oordeelde dat artikel 10 lid 6 van Pro de Zetelovereenkomst, dat Nederlandse werknemers uitsluit van bepaalde belastingvrijstellingen, een ongerechtvaardigde beperking vormt van artikel 45 VWEU Pro over vrij verkeer van werknemers.
De Staatssecretaris van Financiën stelde in cassatie dat het onderscheid gerechtvaardigd is vanwege internationale praktijk, het waarborgen van de onafhankelijkheid van het EOB en een evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheden. De Hoge Raad verwierp deze argumenten en bevestigde dat deze gronden geen dwingende redenen van algemeen belang vormen om Nederlandse werknemers uit te sluiten van de voorrechten en immuniteiten.
De Hoge Raad benadrukte dat het recht op vrij verkeer van werknemers ook geldt voor eigen onderdanen die zich in een vergelijkbare positie bevinden als andere EU-werknemers. De uitspraak bevestigt dat het onderscheid in artikel 10 lid 6 Zetelovereenkomst Pro in strijd is met het EU-recht en verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; artikel 10 lid 6 Zetelovereenkomst vormt een ongerechtvaardigde beperking van het recht op vrij verkeer van werknemers.