Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
BNB2015/53.
BNB2011/251 geoordeeld dat de discriminatie-verboden van art. 14 EVRM Pro en art. 26 IVBPR Pro niet zijn geschonden omdat de bijzondere band tussen Nederlandse onderdanen en Nederland voldoende rechtvaardiging biedt voor Nederlandse belastingheffing ten laste van overig inkomen van Nederlandse werknemers van internationale organisaties.
2.Het EOO-Protocol en de EOB-Zetelovereenkomst
General specification
4.De interne regelgeving inzake diplomaten en internationale organisaties
5.De volkenrechtelijke discriminatieverboden
Prohibition of discrimination
6.Het EU-recht
7.Parlementaire geschiedenis
uniforme en gelijke behandeling van alle medewerkers van internationale organisatiesdie in Nederland zijn gevestigd. Daarbij wordt het hoogste personeel van een internationale organisatie gelijkgesteld aan diplomaten met gelijke rang van een ambassade en het overig personeel met administratief en technisch personeel van een ambassade. Op hen zijn de overeenkomstig bij die rangen behorende immuniteiten en (fiscale) privileges van toepassing. Hiermee wordt een adequaat en goed uit te voeren regime voor alle internationale organisaties gecreëerd, dat zich kan meten met de internationale concurrentie.
8.Rechtspraak
De Hoge Raad
BNB2011/153 [23] was een EOO-functionaris. De vraag was of voor de berekening van de aftrekdrempel buitengewone uitgaven ex art. 6.24 Wet IB 2001 ook zijn vrijgestelde EOO-inkomen meetelde. U meende van wel:
Trb.1965, 130, hierna: het EG-Protocol). De tekst van artikel 13 van Pro het EG-Protocol komt vrijwel geheel overeen met de tekst van de vrijstellingsregeling in artikel 16 lid Pro 1, tweede volzin, van het Protocol. De strekking van beide vrijstellingen stemt verder zozeer overeen dat er met het oog daarop onvoldoende aanleiding bestaat voor een verschillende uitleg.
LJNAA4206,
BNB2000/58.”
BNB2011/251 [24] betrof een in Nederland aangeworven EOB-werknemer met de Nederlandse nationaliteit. De vraag was of hij fiscaal net zo moest worden behandeld als niet-Nederlandse EOB-werknemers die als buitenlands belastingplichtig werden aangemerkt, waardoor bij hen de box 3-grondslag was beperkt tot in Nederland gelegen onroerende zaken. [25] Nederland verleende belastingplichtigen zoals de belanghebbende dezelfde voorrechten en immuniteiten als die van administratief en technisch personeel van een ambassade (zie 3.3 hierboven). Voor dat personeel geldt het box 3-grondslagvoorrecht alleen als het niet de Nederlandse nationaliteit heeft, noch duurzaam in Nederland verblijft. U overwoog:
Trb.2006, 155, hierna: de Overeenkomst).
Kamerstukken II2004/2005, 30 178, nr. 1, blz. 10-11). Die uniforme behandeling houdt in dat het hoogste personeel van een internationale organisatie eenzelfde behandeling krijgt als diplomaten met gelijke rang van een ambassade, en dat het overige personeel gelijkgesteld wordt met administratief en technisch personeel van een ambassade, onder meer met betrekking tot fiscale voorrechten.
BNB2015/53 [26] constateerde u dat Nederland bij verlening van voorrechten en immuniteiten aan personeel van het Europees Octrooi Bureau met een andere dan de Nederlandse nationaliteit onderscheid maakt tussen personeel dat bij aanvang van de werkzaamheden uit het buitenland afkomstig is en personeel dat bij die aanvang al duurzaam in Nederland verblijft. Aan laatstbedoeld personeel kent het Ministerie van Buitenlandse Zaken de status ‘duurzaam verblijf’ (DV) toe. DV-statushouders worden net als Nederlanders uitgesloten van een aantal fiscale privileges, waaronder de beperking van de box 3-grondslag tot in Nederland gelegen onroerende zaken. De vraag was of de belanghebbende, hoewel Nederlander, toch dat fiscale privilege toekwam omdat hij anders ongunstiger zou worden belast dan niet-Nederlandse collega’s die ten tijde van hun aanwerving noch Nederlander, noch DV-statushouder waren, maar inmiddels zo lang bij het EOB werkzaam waren dat zij duurzaam in Nederland verbleven. U oordeelde echter dat het beoordelingsmoment het moment van aanwerving is:
Knoors [27] betrof een Nederlander die in België woonde en daar sinds 1970 een centrale verwarmingsbedrijf, een loodgietersbedrijf en een waterfittersbedrijf dreef. Hij wilde deze activiteiten voortzetten in Nederland. Daarvoor was een vergunning ex art. 15(1) Vestigingswet Bedrijven 1954 van de Kamer van Koophandel vereist. Zijn verzoek daartoe werd afgewezen door de staatssecretaris van Economische zaken, omdat hij niet de door de Nederlandse wet vereiste vakbekwaamheidsbewijzen bezat. Volgens de staatssecretaris was Knoors geen “begunstigde” in de zin van art. 4(1)(a) Richtlijn nr. 64/427. [28] Het Hof van Justitie overwoog eerst dat art. 3 van Pro die richtlijn wederzijdse erkenning inhoudt:
D’Hoop [29] geoordeeld dat een EG-burger die van zijn EG-verkeersvrijheid gebruik heeft gemaakt, in beginsel ongeacht nationaliteit aanspraak kan maken op dezelfde behandeling als andere EG-burgers die zich in dezelfde situatie bevinden:
Asscher [30] heeft het HvJ EG zijn rechtspraak over ongunstiger (fiscale) behandeling van migrerende eigen onderdanen als volgt samengevat:
Rockler [31] als volgt:
Evans [32] heeft het HvJ EU uiteengezet dat het EU-recht moet worden uitgelegd in het licht van het volkenrecht:
Scholz [34] betrof een Duitse die door haar huwelijk de Italiaanse nationaliteit had verkregen en wier zeven jaren in Duitse overheidsdienst niet werden meegeteld door de Universiteit van Cagliari bij een
concorsovoor restaurantmedewerkers, hoewel (wel) punten werden toegekend voor dienstjaren in Italiaanse overheidsdienst. Het HvJ oordeelde:
Gilly [35] betrof een echtpaar dat in Frankrijk woonde. De man bezat de Franse nationaliteit en de van oorsprong Duitse vrouw had door haar huwelijk ook de Franse nationaliteit verworven. De vrouw werkte in Duitsland en wenste toepassing van het Duitse gesplitste tarief voor gehuwden, maar als niet-ingezetene van Duitsland werd zij daar belast als ongehuwde. Het HvJ oordeelde over de toepasselijkheid van het vrij verkeer van werknemers:
Van Hilten-van der Heijden [36] betrof een erflaatster met de Nederlandse nationaliteit, die binnen tien jaar nadat zij Nederland had verlaten - om in Zwitserland en later België te gaan wonen - was overleden. Naar Nederlands successierecht werd zij geacht nog steeds in Nederland te wonen, met het gevolg dat haar erven voor haar volledige nalatenschap werden aangeslagen (onder aftrek van door andere staten geheven successierechten). Het HvJ EU achtte dat niet in strijd met de vrijheid van kapitaalverkeer:
9.Literatuur
BNB2011/251 (zie 8.3 hierboven) het volgende aangetekend (ik laat voetnoten weg):
V-N2015/4.4 tekende bij uw arrest HR
BNB2015/53 (zie 8.4 hierboven) aan dat aan het onderscheid in de EOB-Zetelovereenkomst tussen Nederlanders en niet-Nederlanders een fictieve-woonplaatsbeginsel ten grondslag ligt:
FutD2019/0804 wijst in haar commentaar op de thans te beoordelen Hofuitspraken op het contrast met een eerdere uitspraak uit 2016 van hetzelfde Hof Den Haag [38] , ook over een EOB-werknemer, maar met tegengestelde uitkomst omdat het om een Nederlander ging die géén beroep op art. 45 VwEU Pro kon doen. Het cassatieberoep tegen die 2016-uitspraak is door u werd verworpen met toepassing van art. 81 Wet Pro RO. [39] Ik merk op dat dezelfde belanghebbende over dezelfde geschilpunten opnieuw procedeert ter zake van een later jaar; u zie de bij u aanhangige zaak 19/02953, waarin ik niet zal concluderen. De Redactie van
FutDschrijft:
Knoors-jurisprudentie van het HvJ EU blijkt dat lidstaten onderdanen die gebruik hebben gemaakt van hun vrijverkeersrecht niet (meer) omgekeerd mogen discrimineren (ik laat voetnoten weg):
Knoors-arrest verduidelijkt dat een lidstaat niet “omgekeerd” mag discrimineren tegen onderdanen die door gebruik te maken van de mogelijkheden op het gebied van vrije verkeer en vestiging, zich ten opzichte van hun staat van herkomst in een overeenkomstige positie bevinden als alle andere personen die door de Verdragen verzekerde rechten en vrijheden genieten. Iedere Unieburger die een beroepswerkzaamheid in een andere lidstaat heeft uitgeoefend, valt onder de werkingssfeer van het vrije verkeer van werknemers of de vrije vestiging, ongeacht zijn of haar nationaliteit of woonplaats. (…).
Re-importation and strategic migration
Surinder Singh. In 1982 Mr. Surinder Singh, an Indian national, married a British citizen. From 1983 tot 1985 they lived in Germany, where Mrs Singh was employed on a part-time basis. This meant that under Union law she was a worker who was entitled to be joined by her spouse. In 1985 she returned tot he UK to run a business. The question was whether Mrs. Singh’s husband could join her in the UK under Union law. If the situation was considered wholly internal then domestic law only would apply, with the result that Mr Singh was likely to be refused entry. If, however, the situation was not considered to be wholly internal then Union law would apply and Mr Sing could enter and remain in the UK as the spouse of an EU migrant. The court opted for the second approach. It reasoned that a national like Mrs Singh might be deterred from exercising her Union law rights of free movement if, on returning to her state of origin (the UK), the conditions of entry or residence were not at least equivalent to those which she would enjoy on entering the territory of another stat (e.g., France), including the right to be accompanied by her spouse. In this way
Singhserves to confirm the earlier case of
Knoors, where the Court found that a Belgian-qualified Dutch plumber who had worked in Belgium was entitled to rely on his Union law rights to work in the Netherlands (his home state) using his Belgian qualification. The Court said that his position was “assimilated to that of another person enjoying their rights and liberties guaranteed by the Treaty“.
Saundersand
Gaucharddemonstrate that nationals cannot invoke the free movement provisions against their own Member States if they have not exercised their rights of free movement in some way. EU migrants (and nationals like Mrs Singh and Mr Knoors who have taken advantage of their Union law rights) may therefore enjoy more favourable treatment in the host state.