Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Zwolle,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
3.Beoordeling van het middel
De werkneemster heeft in dit gesprek van 15 maart 2017 meegedeeld dat een aantal cliënten wilde stoppen met de zorgverlening door Omega. Een dag later heeft Omega, in reactie op deze mededeling, kenbaar gemaakt dat de overdrachtsgesprekken niet langer samen met de werkneemster zullen worden gevoerd, maar alleen door Omega.
subsidiair, indien geoordeeld wordt dat sprake is van een terecht gegeven ontslag op staande voet, echter zonder dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [de werkneemster], dan wel het niet toekennen ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is’,de toekenning van een transitievergoeding van € 9.766,20 bruto en een billijke vergoeding ex art. 7:681 BW Pro verzocht. De voorwaarde waaronder dit subsidiaire verzoek is ingesteld, is door [de werkneemster] niet nader uitgewerkt in het verzoekschrift in eerste aanleg. Hetgeen namens [de werkneemster] is gesteld in punt 17 van de pleitnotitie in eerste aanleg kan niet worden gezien als een wijziging van eis, in die zin dat [de werkneemster] haar verzoek op dit onderdeel wijzigde in een onvoorwaardelijk verzoek. Een dergelijke verandering of vermeerdering van verzoek moet zowel in eerste aanleg als in hoger beroep schriftelijk worden gedaan in de vorm van een (met een conclusie gelijk te stellen) processtuk of akte (artikel 130 Rv Pro is ingevolge artikel 283 Rv Pro en artikel 362 Rv Pro van overeenkomstige toepassing op verzoekschriftprocedures). De kantonrechter heeft in de beschikking van 21 juli 2017 deze opmerking daarom terecht niet als een wijziging van verzoek gezien. Naar het oordeel van het hof kan uit de stukken niet worden afgeleid dat evident sprake is van een kennelijke – en dus ook voor Omega kenbare – vergissing.
art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW om toekenning van een transitievergoeding heeft verzocht.
4.Beslissing
22 maart 2019.