Conclusie
Overzicht
Toepassingsvo. 987/2009 niet hoefde te volgen; (ii) niet gebonden is aan de Luxemburgse E106-verklaring op basis van de niet-toepasselijke Vo. 1408/71; (iii) niet bevoegd of gehouden is om de ‘regularisatieprocedure’ (bedoeld is: de
uitzonderings-procedure) ex art. 16
Basisvo. 883/2004 en art. 18 Toepassingsvo Pro. 987/2009 te voeren en (iv) geen algemene rechtsbeginselen of beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden.
Middel (i)berust op de mijns inziens onjuiste veronderstelling dat de aanwijsregel van art. 13 Vo Pro. 883/2004 van toepassing is. Die geldt echter niet voor rijnvarenden. Voor hen zijn op basis van art. 16 Vo Pro. 883/2004 (de
uitzonderingsprocedure) de aanwijsregels van de artt. 11 t/m 15 Vo. 883/2004 vervangen door de aanwijsregels van art. 4 Rvov Pro. Daaruit volgt mijns inziens dat ook de toepassingsregels voor die immers
niet-toepasselijke Vo.-aanwijsregels uitgeschakeld zijn. Mogelijke onzekerheden bij de toepassing van art. 13 Vo Pro. 883/2004 die met de regularisatieprocedure ex art. 16 Toepassingsvo Pro. weggenomen zouden moeten worden, zijn al weggenomen door de exclusieve aanwijzing van de scheepsexploitantstaat in de Rvov. Dat volgt mijns inziens ook uit art. 5(2) Rvov: het bevoegde orgaan van de scheepsexploitantstaat verklaart op verzoek dat diens wetgeving van toepassing is. De belanghebbende heeft niet zo’n verzoek bij de Svb gedaan. Zou de regularisatieprocedure wél van toepassing zou geweest, dan had de belanghebbende zich moeten melden bij de Svb, hetgeen hij heeft nagelaten. Uit HR BNB 2019/44 en 45 leid ik overigens af dat het betoog al afstuit op het gegeven dat de inspecteur helemaal niet bevoegd is tot regularisatie: daarover gaat alleen de Svb.
naar analogievan de regularisatieprocedure op verzoek voorlopig een stelsel aangewezen moet worden, gevolgd door kennisgeving aan en overleg met de andere Staat. Dat geval doet zich in casu echter niet voor: de belanghebbende(s werkgever) heeft geen verzoek gedaan maar is in strijd met de regels voor rijnvarenden in een lidstaat van zijn keuze gaan inhouden, en Luxemburg is geenszins van mening dat de scheepsexploitant in Luxemburg is gevestigd, zodat er geen jurisdictieconflict is. Zelfs
alsde inspecteur bevoegd zou zijn (analogisch) te regulariseren of als de Svb ingegaan was op een (analogisch) regularisatieverzoek, zou de uitkomst daarvan slechts kunnen zijn dat alleen Nederland bevoegd is. Daarmee ontvalt mijns inziens ook de basis aan de stellingen dat Nederland EU-rechtelijke loyale-samenwerkings-, doeltreffendheids- en effectieve-rechtsbeschermingsbeginselen zou hebben geschonden.
middel (ii): uit HvJ
X en Van Dijken HR
BNB2016/101 volgt dat onjuiste Luxemburgse E-verklaringen afgegeven op basis van de niet voor rijnvarenden geldende oude Vo. 1408/71 andere lidstaten niet binden en dat toepassing van het wél geldende Rijnvarendenverdrag (RV) daarom noch het EU-loyaliteitsbeginsel noch ander EU-recht schendt. De stelling dat belanghebbendes irrelevante en onjuiste Luxemburgse E106-verklaring ná inwerkingtreding van de nieuwe Vo 883/2004 alsnog wél - beslissende - betekenis zou hebben verkregen, vindt mijns inziens geen steun in het recht. Iets dat nooit betekenis heeft gehad voor de stelselaanwijzing omdat exclusief een andere regeling geldt, kan mijns inziens niet alsnog geldig worden door een wetswijziging die nog steeds die andere regeling aanwijst. De E106-verklaring is ook niet “overeenkomstig” het RV afgegeven, zodat ook een beroep op het overgangsrecht van art. 6 Rvov Pro faalt.
Middel (iii)acht de inspecteur niet bevoegd om premie te heffen omdat de belanghebbende van het kastje naar de muur wordt gestuurd: de inspecteur doet niets om de Luxemburgse wetgeving van toepassing te doen verklaren hoewel hij dubbele premieheffing zou moeten voorkomen, terwijl de Svb zich niet uitlaat over het toepasselijke recht, geen A1-verklaring afgeeft en niet ingaat op een regularisatieverzoek. Dat de Svb geen A1-verklaring heeft afgegeven, staat echter niet in de weg aan geheel correcte toepassing van de Rvov en de nationale wet door de inspecteur. Geeft de Svb alsnog een andersluidende verklaring af, dan kan de premieheffing zo nodig herzien worden (HR
BNB2019/44). Dat de Svb niet ingaat op een regularisatieverzoek, lijkt mij correct, nu niet art. 16 Toepassingsvo Pro., maar art. 4 en Pro 5 Rvov van toepassing zijn. Bedoelt de belanghebbende dat art. 16 van Pro de
basisverordening (de
uitzonderingsprocedure) gevolgd had moeten worden omdat de Rvov leidt tot door hem niet gewenste premieplicht in Nederland, faalt zijn betoog op de gronden vermeld in 1.8. Dat dubbele premieheffing ontstaat, is inderdaad hoogst onwenselijk, maar niet toerekenbaar aan Nederland. De belanghebbende is in strijd met het RV en de Rvov aangemeld in Luxemburg, heeft zich in strijd met het door hem ingeroepen (maar niet-toepasselijke) art. 16 Toepassingsvo Pro. niet (tijdig) voor regularisatie gemeld bij de Svb (welk verzoek mijns inziens alleen maar afgewezen had kunnen worden), heeft in Luxemburg geen A1-verklaring gevraagd en heeft evenmin op basis van art. 16 basisverordening Pro een
uitzonderingsverzoek ingediend bij de Staat wiens wetgeving hij prefereert boven die van de bevoegde Staat.
Middel (iv)acht de inspecteur (nog) niet bevoegd tot premieheffing omdat de Svb (nog) niet volgens de regularisatieprocedure van art. 16 Toepassingsvo Pro. een besluit heeft genomen over de toepasselijke wetgeving en evenmin Besluit nr. 1 van de Administratieve Commissie (AC) heeft nageleefd, zodat de vereiste loyale samenwerking tussen de betrokken lidstaten achterwege is gebleven. Evenmin heeft de Svb de zaak ex art. 5(4) Toepassingsvo. aan de AC voorgelegd. Dit middel herhaalt in wezen dat een aanwijsverklaring onder de nieuwe basisverordening wél constitutief vereist zou zijn voor premieheffingsbevoegdheid en faalt daarom (zie 1.8 en HR 17/04541, ECLI:NL:HR:2018:803). De regularisatieprocedure is mijns inziens overigens niet van toepassing. Voor zover de overleg- en bemiddelingsprocedure ex art. 76 Vo Pro. 883/2004 wel gevolgd zou hebben moeten worden, kan het niet-volgen daarvan de inspecteur zijn heffingsbevoegdheid niet ontnemen. Overleg met Luxemburg is overigens gaande en de regering heeft de premie-invordering zolang uitgesteld. Het als gevolg van belanghebbendes (werkgever’s) verzuimen niet tijdig gevolgd kunnen zijn van overleg- en bemiddelingsprocedures – als die al van toepassing zijn op rijnvarenden - kan mijns inziens hoe dan ook niet tot gevolg hebben dat de onbetwist bevoegde Staat
nietzou mogen heffen en de onbetwist
niet-bevoegde Staat bij uitsluiting of voorrang bevoegd zou zijn.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
X en Van Dijk(zie onderdeel 5.4 van de bijlage) achtte de Rechtbank de Luxemburgse E-106-verklaring in Nederland niet relevant, nu het RV vóór gaat op Vo. 1408/71 en er geen reden is om aan te nemen dat het anders zou zijn onder diens opvolgers, Vo. 883/2004 en de Rvov:
X en Van Dijk; PJW]. In rechtsoverweging 51 van dat arrest is het volgende vermeld:
uitzonderingsprocedure; PJW] te voeren. Anders dan belanghebbende voorstaat, ziet het Hof gelet op het voorgaande geen aanleiding om hierover op grond van artikel 267 van Pro het VWEU prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
3.Het geding in cassatie
uitzonderingsprocedure) ex art. 16 Vo Pro. 883/2004 en art. 18 Toepassingsvo Pro. 987/2009 in te leiden en (iv) geen algemene rechtsbeginselen of beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Hij licht dat als volgt toe:
middel (i): dat in casu de toepasselijke sociale zekerheidswetgeving moet worden vastgesteld op basis van de Rijnvarendenovereenkomst (Rvov), brengt niet mee dat de regularisatieprocedure van art. 16 Toepassingsvo Pro. 987/2009 toepassing mist. Het tegendeel volgt uit de uitspraken van de CRvB van 29 december 2017 (zie onderdeel 5.17 van de bijlage) en Hof Den Bosch van 27 september 2018 (zie 5.16 bijlage). Uw oordeel in HR
BNB2009/312 (zie 5.9 bijlage) dat een E101-verklaring geen constitutief vereiste is voor verzekeringsplicht, is gewezen onder het regime van de oude Vo. 1408/71 en geldt volgens de belanghebbende niet onder de nieuwe Vo. 883/2004, want als de niet-bevoegde inspecteur desondanks het toepasselijke sociaal verzekeringsrecht vaststelt, wordt de bevoegde Svb gepasseerd waardoor de verplichte regularisatieprocedure van art. 16 Vo Pro. 987/009 wordt gefrustreerd, die immers niet door de niet-bevoegde inspecteur kan worden gevolgd. Dat schendt het EU-loyaliteitsbeginsel. Zou de Svb alsnog met toepassing van art. 16 Toepassingsvo Pro. 987/2009 een A1-verklaring afgeven, dan zou de belanghebbende daarover opnieuw bij de sociale-verzekeringsrechter moeten procederen hoewel hij over de premie-aanslag al uitgeprocedeerd is bij de belastingrechter en zou hij eventueel herziening van de fiscale uitspraak moeten vragen. Uit HvJ zaak C-278/06,
Impact, jur. 2008, p. 1-2483, ECLI:EU:C:2008:223, volgt dat dat een schending zou zijn van het doeltreffendheidsbeginsel c.q. ‘het Europese hoofdbeginsel van effectieve rechtsbescherming’. De inspecteur kan daarom geen premieplicht opleggen. HR
BNB2019/44 (zie 5.14 bijlage), inhoudende dat de rechtskracht van een A1-verklaring voor de eigen instellingen van de verklarende lidstaat wordt beheerst door diens interne recht en dat de belastingrechter de A1-verklaring van de Svb niet mag toetsen, schendt volgens de belanghebbende de door art. 26 AWR Pro vereiste rechtsbescherming en is onverenigbaar met de vereiste rechtstreekse werking van Vo. 883/2004 c.a.
BNB2019/44 (zie 5.14 bijlage) een A1-verklaring zonder meer moeten respecteren. Hij wijst erop dat volgens de Administratieve Commissie het overgangsrecht van art. 87(8) Vo. 883/2004 ook geldt voor Rijnvarenden voor wie de toepasselijke wetgeving voorheen op grond van art. 7(2) Vo. 1408/71 werd vastgesteld (u zie ter zake onderdeel 4.44 van de bijlage, met name voetnoot 27).
uitzonderingente maken op de aanwijsregels van Vo. 883/2004, zoals zij gedaan hebben in de Rijnvarendenovereenkomst. Hij verwijst immers naar en citeert art. 16 Vo Pro. 883/2004 (zie 4.21 bijlage). Verwarrenderwijs verwijst hij echter ook steeds naar ‘de regularisatieprocedure’, maar die gaat over iets anders, nl. over de
regulieretoepassing van art. 13 Vo Pro. 883/2004 (personen die in twee of meer lidstaten werken), welke toepassing is uitgewerkt in art. 16 van Pro de
Toepassingsvo. 987/2009 (zie 4.30 bijlage).
middel (iii)dat het Hof weliswaar is ingegaan op art. 18 Toepassingsvo Pro. 987/2009 (zie 4.22 bijlage), maar niet op zijn betoog dat de Inspecteur ex art. 16 Vo Pro. 883/2004 in het belang van een bepaalde (groep) perso(o)n(en), zoals de belanghebbende, uitzonderingen kan maken op de aanwijsregels van Vo. 883/2004, óók als op basis van die bepaling al een generiek Rijnvarendenverdrag is gesloten. Als het Luxemburgse sociaal-zekerheidsrecht niet exclusief op hem van toepassing wordt verklaard, wordt hij geconfronteerd met datgene wat de verordeningen juist beogen te voorkomen, nl. dubbele premieheffing. De belanghebbende verzoekt u het HvJ EU prejudicieel de vraag te stellen of de lidstaten de discretionaire bevoegdheid hebben om art. 16 Vo Pro. 883/2004 niet te activeren als zich dubbele premieheffing ten laste van bepaalde personen zoals een rijnvarende zoals hij voordoet.
middel (iv)betoogt de belanghebbende dat de Svb niet volgens de procedure van art. 16 Toepassingsvo Pro. 987/2009 (‘regularisatie’) een besluit heeft genomen over de toepasselijke wetgeving. De Svb heeft ook Besluit nr. 1 van de Administratieve Commissie (zie 4.39 van de bijlage) niet nageleefd, zodat de vereiste loyale samenwerking tussen de betrokken lidstaten ten onrechte achterwege is gebleven. Evenmin heeft de Svb de zaak op basis van art. 5(4) Toepassingsvo. 987/2009 aan de ACR voorgelegd. Hieraan moet de belastingrechter volgens de belanghebbende het gevolg verbinden dat de inspecteur (nog) geen premie volksverzekeringen kan heffen. Volgens hem verschilt zijn zaak van HR
BNB2019/45 (zie 5.16 bijlage), waarin u verwijst naar HR
BNB2019/44 (zie 5.14 bijlage), omdat in die zaak wél een A1-verklaring was afgegeven en in belanghebbendes zaak niet. Voor het overige verwijst hij naar zijn toelichting op middel (i) en herhaalt hij dat HR
BNB2009/312 zijns inziens is achterhaald: een verklaring van toepasselijke sociale zekerheid is zijns inziens onder de nieuwe verordening wél een constitutief vereiste voor premieheffingsbevoegdheid.
middel (iii)(bedoeld is kennelijk middel (ii) meent de Staatssecretaris dat uit de considerans van de Rvov blijkt dat de rijnoeverlidstaten bij de inwerkingtreding van Vo. 883/2004 geen wijzigingen in de toepassing van het RV wensten en dus ook niet alsnog waarde wilden hechten aan onder het oude regime ten onrechte aan rijnvarenden afgegeven E106-verklaringen. In zoverre kon het Hof oordelen dat HR
BNB2013/257 (zie 5.11 bijlage) en HR
BNB2015/231 (zie 5.13 bijlage) hun betekenis hebben behouden.
middel (iv)dat de belanghebbende ten onrechte Toepassingsvo. 987/2009 onverkort van toepassing acht op zijn zaak waarin geen A1-verklaring is afgegeven. Nu hij geen A1-verklaring heeft gevraagd, heeft Nederland noch Luxemburg zijn sociaal zekerheidsregime voorlopig aangewezen. Van een meningsverschil over de toepasselijke wetgeving tussen lidstaten is dan geen sprake, waardoor ook geen aanleiding bestaat om door overleg tot een oplossing over de aanwijzing van de toepasselijke wetgeving te komen. Het staat de Inspecteur dan vrij om zelf de verzekeringsplicht te beoordelen, zo volgt ook uit de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 15 augustus 2017 (zie 5.26 bijlage), het cassatieberoep waartegen u met toepassing van art. 81 Wet Pro RO heeft verworpen (zie 5.26 bijlage).
Middel (i): inspecteur niet bevoegd; ten onrechte regularisatie achterwege gelaten
uitzonderingsprocedure; dus niet de
regularisatieprocedure ex art. 16
Toepassingsvo.) alle aanwijsregels van de artt. 11 t/m 15 Vo. 883/2004 uitgeschakeld, dus ook die van art. 13 Vo Pro. 883/2004. Zij hebben daarvoor in de plaats gesteld de aanwijsregels van art. 4 Rvov Pro, die gelijk luiden aan die van diens voorganger art. 11 RV Pro.
shoppen, valt mijns inziens te begrijpen.
uitzonderingsprocedure) is slechts in zoverre toepasselijk dat het de rechtsbasis is voor de Rvov. Art. 16 Vo Pro. 883/2004
isdus al toegepast, nl. door bij Rvov af te wijken van titel II van Vo. 883/2004. Belanghebbendes kennelijke opvatting dat de lidstaten verplicht zouden zijn om steeds een uitzonderingsprocedure te volgen als dat in het financiële “belang” van een individuele werknemer is, lijkt mij onjuist. De lidstaten zijn niet verplicht elke grensoverschrijdende werknemer te helpen stelsel
shoppen. Het gaat in art. 16 Vo Pro. 883/2004 om een ander ‘belang’. De lidstaten hebben de Rvov gesloten ter voorkoming van het voortdurend wisselen van de toepasselijke wetgeving als gevolg van het voortdurend grensoverschrijdende karakter van de werkzaamheden van rijnvarenden, welke versnippering niet in hun belang zou zijn.
uitzonderingex art. 16 Basisverordening Pro, in de vorm van de Rvov, die eenduidig de scheepsexploitantstaat aanwijst en dat is onbetwist Nederland. Er bestaat dus geen behoefte aan ‘regularisatie’ in verband met het werken in meer lidstaten.
naar analogievan de regularisatieprocedure op verzoek voorlopig een stelsel aangewezen moet worden, gevolgd door kennisgeving aan en overleg met de andere Staat. Dat geval doet zich in casu echter om twee redenen niet voor: (i) de belanghebbende(s werkgever) heeft geen zodanig verzoek gedaan maar is in strijd met de regels voor rijnvarenden in een lidstaat van zijn keuze gaan inhouden, en (ii) Luxemburg is geenszins van mening dat de scheepsexploitant in Luxemburg is gevestigd en dus geenszins van mening dat Luxemburg exclusief bevoegd zou zijn, zodat er geen jurisdictieconflict is dat weggenomen of gearbitreerd zou kunnen worden. Overigens zou daartoe nog steeds niet de inspecteur bevoegd zijn. Belanghebbendes probleem is een ander: dat Luxemburg zich beroept op zijn verjaringstermijn voor premierestitutie en op de onmogelijkheid binnen zijn stelsel om anders dan via de werkgever (het uitzendbureau) te restitueren, die wellicht failliet is. Daaraan heeft Nederland part noch deel.
5.Middel (ii): de betekenis van de Luxemburgse E106-verklaring
X en Van Dijk(zie 5.4 bijlage) en HR
BNB2016/101 (zie 5.4 bijlage) volgt dat E-verklaringen, afgegeven op basis van de niet op rijnvarenden toepasselijke oude Vo. 1408/71 (of slechts uit administratief gemak afgegeven aan rijnvarenden), andere lidstaten niet binden en dat het voorbijgaan eraan - omdat voor rijnvarenden exclusief het Rijnvarendenverdrag geldt - geen strijd oplevert met het EU-loyaliteitsbeginsel of enige andere EU-rechtelijke regel. De belanghebbende betoogt dat die voor de stelselaanwijzing irrelevante E-verklaringen na de inwerkingtreding van de nieuwe Vo. 883/2004 wél en zelfs beslissende betekenis hebben. Ik begrijp het betoog aldus dat de regelgevingstechniek van de nieuwe Vo. 883/2004 en de nieuwe Rijnvarendenovereenkomst een andere is dan die van de oude Vo. 1408/71 en het oude Rijnvarendenverdrag: de Rvov schakelt de Verordening niet meer uit, maar alleen diens materiële aanwijsregels (art. 11 t/m 15 Vo. 883/2004) en niet de procedureregels, zodat de betekenis van die tot 1 mei 2010 ongeldige verklaringen na die datum beoordeeld moeten worden op basis van de nieuwe procedureregels, die inhouden dat anterieure verklaringen van andere lidstaten de lidstaten binden.
BNB2019/44 herzien worden, zoals boven al bleek. Dat de Svb niet ingaat op een verzoek om regularisatie, lijkt mij correct, nu art. 16 Toepassingsverordening niet van toepassing is, zoals boven bleek.
uitzonderings-procedure dus) gevolgd had moeten worden omdat de eerder op die basis gevoerde uitzonderingsprocedure met de Rvov als resultaat niet heeft geleid tot door hem gewenste premieplicht in Luxemburg, maar tot door hem niet-gewenste premieplicht in Nederland, faalt zijn betoog op de gronden vermeld in 4.4.
uitzonderingsverzoek ingediend bij de Staat wiens wetgeving hij kennelijk prefereert, opdat die Staat (Luxemburg) contact had kunnen opnemen met de onbetwist wél bevoegde Staat (Nederland).
7.Middel (iv): niet-volgen van overleg- en bemiddelingsprocedure
nietbevoegd zou zijn en de onbetwist
niet-bevoegde Staat bevoegd. Ik herhaal dat door Luxemburg geen verklaring is afgegeven dat Luxemburgs sociaal verzekeringsrecht van toepassing zou zijn en dat de wel afgegeven E106-verklaring, die niet aldus verklaart, nooit geldig althans nooit bindend voor Nederland is geweest.