Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
18 september 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor bedrieglijke bankbreuk gepleegd tussen januari 2009 en maart 2010 tijdens zijn faillissement. Het hof legde een gevangenisstraf van twaalf maanden op, waarvan drie voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en baseerde zich daarbij op het toen geldende strafmaximum van zes jaar uit art. 341 Sr Pro (oud).
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte het hogere strafmaximum van art. 341 Sr Pro toepaste, terwijl het mildere sanctieregime van art. 344a Sr met een strafmaximum van vier jaar van toepassing was. Hierdoor is de strafmotivering ontoereikend omdat het hof een onjuist strafmaximum als uitgangspunt nam.
De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van het arrest dat betrekking heeft op de strafoplegging en wijst de zaak terug aan het hof voor hernieuwde berechting en strafoplegging. Het overige beroep wordt verworpen. De beslissing benadrukt het belang van correcte toepassing van gewijzigde sanctieregels ten gunste van de verdachte.
Uitkomst: Het arrest wordt gedeeltelijk vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe strafoplegging met toepassing van het juiste sanctierecht.