Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 24 april 2013, nr. BK-11/00904, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
Belanghebbende kocht in 2002 een perceel met een boerderij en financierde dit met een hypothecaire lening waarvan de rente in 2002 en 2003 werd afgetrokken. Na plannen voor renovatie te hebben gewijzigd, besloot belanghebbende in 2006 een nieuwe woning te bouwen en vroeg bouwvergunningen aan die in 2007 en 2008 werden verleend. De feitelijke bouw begon in 2008. De Inspecteur weigerde de renteaftrek over 2006.
De Rechtbank en het Hof bevestigden dat in 2006 geen sprake was van een woning in aanbouw omdat nog geen feitelijke bouwwerkzaamheden waren gestart. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad bevestigt dat het begrip 'woning in aanbouw' in artikel 3.111 lid 3 Wet IB 2001 moet worden uitgelegd conform het spraakgebruik, namelijk dat dit pas geldt vanaf de feitelijke aanvang van bouwkundige werkzaamheden. De intentie om te bouwen of het verkrijgen van vergunningen is onvoldoende. Hierdoor is de renteaftrek over de periode vóór de aanvang van de bouw niet toegestaan.
De Hoge Raad wijst erop dat deze uitleg in lijn is met eerdere jurisprudentie en de parlementaire geschiedenis, en verklaart het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de rente over 2006 niet aftrekbaar is als eigenwoningrente omdat de woning in aanbouw nog niet feitelijk was begonnen.