ECLI:NL:GHDHA:2013:1688
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling woning in aanbouw voor hypotheekrenteaftrek in inkomstenbelasting 2006
Belanghebbende voerde in hoger beroep aan dat de onroerende zaak aan de [b-straat 1] te [Z] in 2006 een woning in aanbouw was, zodat hij recht had op hypotheekrenteaftrek op grond van artikel 3.111, derde lid, Wet IB 2001. Hij wees op voorbereidingshandelingen zoals het indienen van een eerste fase bouwvergunning in oktober 2006 en de intentie om een tweede fase vergunning aan te vragen.
De Inspecteur betwistte dit en stelde dat in 2006 geen sprake was van een woning in aanbouw, omdat de bouwvergunningen pas in 2007 en 2008 werden verleend en de feitelijke bouw pas in april 2008 begon. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de woning binnen twee jaar na 2006 als eigen woning ter beschikking zou staan en dat louter administratieve voorbereidingen niet gelijk staan aan bouwactiviteiten.
Het Hof bevestigde dit oordeel en stelde dat zonder aanvang van bouwrijp maken, bouw of verbouw ultimo 2006 geen woning in aanbouw was. Het hoger beroep faalde, en de uitspraak van de rechtbank werd bekrachtigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat geen sprake was van een woning in aanbouw in 2006, waardoor hypotheekrenteaftrek niet toekomt.