Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2005:AU0874

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 augustus 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
39828
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.G. Pos
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat woning in aanbouw als woning geldt voor onroerendezaakbelasting

Belanghebbende had voor het jaar 2002 aanslagen onroerendezaakbelasting ontvangen voor een woning in aanbouw, die het hoofd van de afdeling belastingen van de gemeente Spijkenisse had opgelegd tegen het tarief voor niet-woningen. Na bezwaar handhaafde het hoofd deze aanslagen. Het hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en stelde dat de woning in aanbouw als woning moest worden aangemerkt, waardoor lagere aanslagtarieven golden. Het college van burgemeester en wethouders van Spijkenisse stelde hiertegen cassatieberoep in.

De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat voor de tariefbepaling een woning in aanbouw als woning moet worden beschouwd indien het onvoltooide bouwsel bestemd is om na voltooiing in hoofdzaak als woning te dienen. De Hoge Raad verwierp het verweer dat de woning in aanbouw alle voorzieningen voor bewoning moest hebben om als woning te gelden. Het hof had een juiste maatstaf gehanteerd en zijn oordeel was niet onjuist of onvoldoende gemotiveerd.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde daarmee de uitspraak van het hof. Er werden geen proceskosten aan het college opgelegd, maar wel een griffierecht geheven. Hiermee is de aanslag naar het tarief voor woningen definitief vastgesteld.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat een woning in aanbouw als woning geldt voor de onroerendezaakbelasting.

Uitspraak

Nr. 39.828
12 augustus 2005
BK
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Spijkenisse te Spijkenisse tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 juni 2003, nr. BK-02/02606, betreffende na te melden ten aanzien van X te Z opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen.
1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2002 wegens genot krachtens eigendom en wegens het gebruik van de onroerende zaak a-straat 1 te Z twee op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Spijkenisse opgelegd naar een heffingsgrondslag van € 172.437, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het hoofd van de afdeling belastingen en heffingen van de gemeente Spijkenisse (hierna: het hoofd) zijn gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van het hoofd vernietigd en de aanslagen verminderd tot respectievelijk € 269,80 en € 215,84. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Spijkenisse (hierna: het college) heeft tegen ?s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Het college heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Bij het begin van het kalenderjaar 2002 had belanghebbende het gebruik en genot krachtens eigendom van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-straat 1 te Z. Toentertijd was dit een huis in aanbouw, waarin nog niet kon worden gewoond.
3.1.2. Het hoofd heeft aanslagen in de gebruikersbelasting en de eigenarenbelasting opgelegd naar de tarieven voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen.
3.2. Het Hof heeft vastgesteld dat tussen partijen uitsluitend in geschil was of, zoals belanghebbende stelde en het hoofd bestreed, de onderscheidene aanslagen hadden moeten worden opgelegd naar de tarieven die zijn vastgesteld voor woningen. Het heeft die vraag bevestigend beantwoord.
3.3. Daartoe heeft het Hof eerst geoordeeld (7.3), op grond van een in zijn uitspraak geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis, dat waar het gaat om een tariefsdifferentiatie een woning in aanbouw dient te worden aangemerkt als een woning.
Onderdeel 1 van middel I bestrijdt dit oordeel tevergeefs, omdat het juist is.
3.4. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld (7.4) dat voor de vraag welk tarief in een geval als het onderhavige van toepassing is, een onroerende zaak is te beschouwen als een woning in aanbouw indien tot die onroerende zaak een onvoltooid bouwsel behoort en die onroerende zaak na de voltooiing ervan in hoofdzaak zal dienen tot woning, en heeft, daarvan uitgaande, geoordeeld (7.5) dat het hoofd geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die meebrengen dat de onderwerpelijke onroerende zaak niet moet worden aangemerkt als een woning in aanbouw, en dat zodanige feiten of omstandigheden ook niet uit de stukken blijken.
Het betoog van onderdeel 2 van middel I dat het Hof aldus een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, omdat een onroerende zaak in aanbouw voor de kwalificatie als woning moet beschikken over alle voor bewoning noodzakelijke voorzieningen, kan niet als juist worden aanvaard. De door het Hof in 7.4 geformuleerde maatstaf, waarin besloten ligt dat bepalend is of de onroerende zaak is bestemd om na de voltooiing van het bouwsel in hoofdzaak tot woning te dienen, is juist. 's Hofs oordeel kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het behoefde ook geen nadere motivering. Ook onderdeel 2 van middel I faalt derhalve.
3.5. Aangezien 's Hofs oordeel aangaande het begrip woning zijn beslissing zelfstandig kan dragen, behoeft middel II geen behandeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en P.J. van Amersfoort, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2005.
Van de Gemeente Spijkenisse wordt ter zake van het door het college ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 414.