ECLI:NL:HR:2010:BL3577
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Ongebruikelijke terbeschikkingstelling van pand binnen familieverband volgens Wet inkomstenbelasting
Belanghebbende, samen met zijn zus, kocht een pand van hun vader, die het eerder aan zijn BV verhuurde. De aankoop werd gefinancierd met een hypothecaire lening van vader, die de vordering aan de BV overdroeg. De BV huurde het pand vervolgens van de kinderen, waarbij huurinkomsten werden gebruikt voor hypotheekbetalingen. Hoewel de afzonderlijke rechtshandelingen zakelijk waren, stelde de Belastingdienst een aanslag inkomstenbelasting op wegens ongebruikelijke terbeschikkingstelling.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en verminderde de aanslag, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond. Het geschil betrof de vraag of de terbeschikkingstelling maatschappelijk ongebruikelijk was. Het Hof oordeelde dat het gehele samenstel van handelingen moest worden beoordeeld, niet slechts de afzonderlijke transacties.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. Het hof had terecht geoordeeld dat het geheel van omstandigheden, waaronder de wijze van verkrijging en financiering, bepalend is voor de beoordeling van gebruikelijkheid. De Hoge Raad vond het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd en wees het beroep af. Er werden geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de terbeschikkingstelling maatschappelijk ongebruikelijk is.