ECLI:NL:HR:2010:BJ8485
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- J.A.C.A. Overgaauw
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Vorming voorziening en waardering onderhanden werk bij wanprestatie in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een softwareontwikkelaar voor industriële robots, vormde in haar vennootschapsbelastingaangifte 2001 een voorziening voor een claim van B wegens wanprestatie door haar dochtermaatschappij A BV. Na diverse procedures vernietigde het hof de eerdere uitspraak en stelde het verlies vast, waarbij het hof oordeelde dat de voorziening terecht was gevormd ondanks dat A BV waarschijnlijk geen uitgaven zou doen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onjuiste rechtsopvattingen hanteerde door kosten die vrijwel zeker niet betaald zullen worden toch als voorziening te waarderen, wat niet strookt met goed koopmansgebruik en het realiteitsbeginsel. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het hof ten onrechte de bedragen die de aan B gedeclareerde termijnen overtroffen niet in mindering bracht op de voorziening, terwijl bij waardering van onderhanden werk alleen verlies mag worden genomen als het project als geheel verliesgevend is.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van de gegeven richtlijnen. Het incidentele beroep van belanghebbende werd niet behandeld. Proceskostenveroordeling werd achterwege gelaten.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofuitspraak en verwijst zaak terug voor herbeoordeling van voorziening en waardering onderhanden werk.