ECLI:NL:PHR:2012:BV0276
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over saneringskosten en waardevermindering privéterrein bij verontreinigde grond
Belanghebbende had in zijn aangifte inkomstenbelasting voor 2002 een voorziening opgenomen voor de afvoer van verontreinigde grond van € 1.045.000. De Inspecteur nam deze voorziening niet in aanmerking, waarna belanghebbende bezwaar maakte en in beroep ging bij de Rechtbank en het Gerechtshof. De Rechtbank stelde dat slechts 30% van de begrote saneringskosten aftrekbaar was, terwijl het Hof het bedrag van de tegenprestatie voor het overnemen van de vervuilde grond op € 200.000 stelde.
De Hoge Raad bevestigt dat alleen daadwerkelijk gemaakte kosten in mindering kunnen worden gebracht op het resultaat uit overige werkzaamheden, conform vaste jurisprudentie over de zogenoemde kostenarresten. De waardevermindering van het privéterrein waarop de vervuilde grond is gestort, vormt geen fiscaal aftrekbare last, ook niet bij realisatie van dat verlies. Het Hof had ten onrechte een voorziening voor toekomstige saneringskosten op het privéterrein toegestaan.
Verder benadrukt de Hoge Raad dat terrein B tot het privévermogen van belanghebbende behoort en niet tot het werkzaamheidsvermogen, waardoor belastingheffing over de waardevermindering volgens box 3 plaatsvindt. De conclusie van de Advocaat-Generaal is dat de bestreden uitspraak van het Hof moet worden vernietigd en de aanslag van de Inspecteur gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het oordeel van het Hof en bevestigt de aanslag van de Inspecteur, waarbij alleen daadwerkelijk gemaakte saneringskosten aftrekbaar zijn en waardevermindering van privéterrein niet fiscaal aftrekbaar is.