ECLI:NL:HR:2006:AZ1500
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- E.J. Numann
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt terugkeerverplichting in internationale kinderontvoeringszaak volgens Haags Verdrag
In deze internationale kinderontvoeringszaak oordeelt de Hoge Raad over de toepassing van het Haags Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (HKOV). De moeder hield het kind ongeoorloofd achter in Nederland nadat het gezin vanuit Australië was gekomen. De Centrale Autoriteit verzocht de rechtbank om terugbrenging van het kind naar Australië. De rechtbank wees dit verzoek in eerste aanleg af, maar het hof vernietigde deze beslissing en gaf de moeder een terugkeerverplichting.
De moeder stelde dat de vader uitdrukkelijk of impliciet had ingestemd met het definitieve verblijf van het kind in Nederland, en dat het kind dus niet ongeoorloofd werd achtergehouden. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat de vader niet uitdrukkelijk heeft ingestemd en ook niet heeft berust in het definitieve verblijf in Nederland. Het verblijf was tijdelijk bedoeld en de vader heeft actie ondernomen om het kind terug te krijgen.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 onder Pro b HKOV, die bescherming biedt tegen terugkeer bij risico op ernstig gevaar voor het kind, restrictief moet worden toegepast. De omstandigheden van de moeder zijn onvoldoende om deze grond te doen gelden. Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid wordt afgewezen. Het beroep van de moeder wordt verworpen en het bevel tot terugkeer blijft van kracht.
Uitkomst: Het beroep van de moeder wordt verworpen en zij wordt bevolen het kind terug te brengen naar Australië.