ECLI:NL:HR:2002:AD7378
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging benoeming dwangvertegenwoordiger bij verdeling onroerend goed
De vrouw verzocht bij de Rechtbank Utrecht om benoeming van een dwangvertegenwoordiger voor de man op grond van artikel 3:300 lid 1 jo Pro. 3:181 BW, om hem te vertegenwoordigen bij de notariële akte tot verdeling van een garage en een boerderij. De Rechtbank benoemde mr. M. Vleesch de Bois als vertegenwoordiger en bepaalde dat diens beloning door de man betaald moest worden.
De man stelde hoger beroep in tegen deze beschikking bij het Gerechtshof Amsterdam, dat de beschikking bevestigde. Vervolgens stelde de man beroep in cassatie in bij de Hoge Raad, stellende dat het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden omdat hij niet op het verzoekschrift had kunnen reageren.
De Hoge Raad oordeelde dat het beginsel van hoor en wederhoor niet was geschonden omdat de zaak in hoger beroep volledig aan het Hof was voorgelegd, waar de man alsnog zijn standpunten kon toelichten. De devolutieve werking van het hoger beroep betekent dat het Hof de zaak in zijn geheel behandelt, ook in verzoekschriftprocedures.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de benoeming van de dwangvertegenwoordiger. De beschikking is gegeven door de vice-president en vier raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer A. Hammerstein op 1 februari 2002.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de benoeming van de dwangvertegenwoordiger bevestigd.