Uitspraak
6 juni 1997.
Hoge Raad
In deze zaak stond de ontbinding van een huurovereenkomst wegens gebreken aan een woning centraal. De huurder had de huurpenningen over een deel van de huurperiode niet betaald en stelde dat de woning onbewoonbaar was door ernstige gebreken. De verhuurder vorderde betaling van de achterstallige huur.
De Kantonrechter en de Rechtbank wezen de vordering van de verhuurder toe en verwierpen de ontbindingsvordering van de huurder. De Rechtbank overwoog dat ontbinding geen terugwerkende kracht heeft en dat de huurder het opschortingsrecht niet kon inroepen zonder de verhuurder eerst van de gebreken op de hoogte te stellen.
De Hoge Raad oordeelde dat bij ernstige gebreken de huurder bevoegd is de overeenkomst te ontbinden zonder ingebrekestelling, omdat nakoming tijdelijk onmogelijk is. Echter, de ontbinding en het opschortingsrecht gelden slechts vanaf het moment dat de verhuurder van de gebreken op de hoogte is gesteld, tenzij de verhuurder reeds bekend was met de gebreken. In deze zaak was niet komen vast te staan dat de verhuurder tijdig was geïnformeerd, waardoor de huurder zich niet op ontbinding of opschorting kon beroepen voor de periode waarin geen mededeling was gedaan.
Het beroep van de huurder werd verworpen en zij werd veroordeeld in de kosten van het cassatieproces.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de huurder wordt verworpen; ontbinding en opschorting zijn niet mogelijk zonder mededeling aan verhuurder.