ECLI:NL:PHR:1998:AA2354
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toetsing van autokostenfictie aan het gelijkheidsbeginsel en art. 26 IVBPR
De zaak betreft een cassatieberoep van de staatssecretaris van Financiën tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch over de toepassing van de autokostenfictie in de Inkomstenbelasting 1993. De belanghebbende had in 1993 een auto van twee werkgevers ter beschikking, waarop de autokostenfictie werd toegepast omdat hij niet kon aantonen dat het privégebruik onder 1000 km bleef. Het hof had geoordeeld dat de regeling ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen werknemers die een auto van de zaak gebruiken en die het privégebruik kunnen aantonen en degenen die dat niet kunnen, en had art. 42 lid 4 Wet Pro IB 1964 buiten toepassing gelaten.
De Hoge Raad analyseert uitgebreid het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod uit art. 26 IVBPR Pro, waarbij wordt vastgesteld dat ongelijke gevallen ongelijk mogen worden behandeld mits objectief en redelijk gerechtvaardigd. De wetgever heeft ervoor gekozen om de grens van 1000 km privégebruik als criterium te hanteren om praktische afbakeningsproblemen te voorkomen. De Hoge Raad oordeelt dat deze keuze niet onbegrijpelijk is en dat het hof ten onrechte het onderscheid niet relevant achtte.
De Hoge Raad stelt dat de toetsing van wettelijke regelingen aan art. 26 IVBPR Pro afhankelijk is van de aard van het onderwerp en dat in dit fiscale geval een toets op rationaliteit en het ontbreken van willekeur volstaat. De staatssecretaris' middelen worden deels gegrond verklaard, het arrest van het hof wordt vernietigd en de uitspraak van de inspecteur bevestigd.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de aanslag van de inspecteur bevestigd.