ECLI:NL:HR:1963:61
Hoge Raad
- Cassatie
- de Jong
- Wiarda
- Houwing
- Hülsmann
- Petit
- Rechtspraak.nl
Waardevermindering van auto na aanrijding ondanks herstel en abstracte schadebegroting
In deze civiele zaak vordert de verweerder vergoeding van schade wegens waardevermindering van zijn auto na een aanrijding veroorzaakt door eiser. Hoewel de auto volledig is hersteld, is de handels- en inruilwaarde aanzienlijk gedaald doordat potentiële kopers rekening houden met het risico van verborgen gebreken.
De rechtbank en het gerechtshof oordeelden dat de waardevermindering een vorm van vermogensschade is die door eiser moet worden vergoed, ongeacht of de auto na het herstel is blijven rijden of is verkocht. De waardevermindering wordt vastgesteld door vergelijking met een vergelijkbare onbeschadigde auto.
Eiser stelde in cassatie dat de waardevermindering pas bij verkoop of inruil berekend mag worden, omdat de waarde door gebruik en veroudering ook zou afnemen, waardoor vergoeding zou leiden tot ongerechtvaardigde verrijking. De Hoge Raad verwierp dit verweer en bevestigde dat de schade ontstaat op het moment van de aanrijding, omdat het risico van een gebrek de waarde direct vermindert.
De Hoge Raad oordeelt dat de eigenaar recht heeft op vergoeding van deze waardevermindering, ook als hij de auto niet verkoopt of het risico zich niet verwezenlijkt. Het beroep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat waardevermindering van een auto door een aanrijding, ondanks herstel, vergoed moet worden, ongeacht of de eigenaar de auto verkoopt of blijft rijden.