ECLI:NL:PHR:2005:AR7343
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Rechtsvraag over derdenbeslag op Duitse pensioenuitkeringen via Nederlands verbindingsorgaan
De zaak betreft een geschil tussen de Ontvanger van de Belastingdienst en de Sociale Verzekeringsbank (rechtsopvolger van de Stichting Bureau voor Duitse Zaken) over de invordering van belastingschulden van een belastingplichtige die een Duits mijnwerkerspensioen ontvangt.
De Ontvanger vorderde op grond van art. 19 Invorderingswet Pro 1990 dat de Stichting het pensioen dat zij aan de belastingplichtige verschuldigd is, zou afdragen ter betaling van diens belastingschuld. De Stichting weigerde dit en stelde dat zij geen houder van penningen is en geen schuldenaar van de uitkeringen. De rechtbank oordeelde in het voordeel van de Stichting, maar het hof Arnhem stelde dat de Stichting wel als houder van penningen kan worden aangemerkt, doch dat toekomstige uitkeringen niet onder het beslag vallen.
De Hoge Raad overweegt dat de Stichting geen houder van penningen is in de zin van art. 19 lid Pro 2 Iw90 omdat zij geen afgescheiden vermogen ten behoeve van de belastingschuldige onder zich heeft. Bovendien zijn de pensioenuitkeringen toekomstige vorderingen die niet voortvloeien uit een rechtsverhouding tussen de belastingplichtige en de Stichting, maar tussen de belastingplichtige en de Duitse instantie. Daarom kan het derdenbeslag niet worden gelegd op toekomstige uitkeringen via de Stichting. Het arrest vernietigt het hofarrest en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de Stichting geen houder van penningen is en dat toekomstige pensioenuitkeringen niet onder het derdenbeslag vallen.