Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1082

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
20/535 tot en met 20/542
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet op de dividendbelasting 1965Art. 10 Wet op de dividendbelasting 1965Art. 5 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 3 Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971Art. 8:68 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake teruggaaf dividendbelasting door in VK gevestigde unit-linked verzekeraar

Belanghebbende, een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde unit-linked verzekeraar, vordert teruggaaf van ingehouden Nederlandse dividendbelasting over meerdere jaren. De inspecteur wees de verzoeken af, waarna belanghebbende bezwaar en beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde het hof prejudiciële vragen aan het HvJ EU, die in november 2024 werden beantwoord.

Het hof oordeelt dat belanghebbende opbrengstgerechtigd en uiteindelijk gerechtigd is tot de dividenden, ondanks dat de cliënten slechts een afgeleid economisch belang hebben. De effectenmandjes zijn administratief gescheiden maar vormen geen afgescheiden vermogen. Belanghebbende heeft absolute zeggenschap over de beleggingen en is geen lasthebber of zaakwaarnemer.

Het hof verwerpt het standpunt dat belanghebbende vergelijkbaar is met een in Nederland vrijgesteld pensioenfonds, omdat zij niet voldoet aan de kernvoorwaarden daarvoor. Wel heeft belanghebbende op grond van het Unierecht recht op teruggaaf van dividendbelasting, omdat zij niet zwaarder mag worden belast dan een vergelijkbare binnenlandse vennootschap die vennootschapsbelasting betaalt. De nationale regeling erkent het rechtstreekse verband tussen rendement en verplichtingen jegens cliënten.

Het hof verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en de afwijzingsbeschikking, en bepaalt dat de inspecteur de dividendbelasting van in totaal €53.775.031 aan belanghebbende moet terugbetalen. Tevens wordt de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep gegrond en bepaalt dat de inspecteur de dividendbelasting van €53.775.031 aan belanghebbende moet terugbetalen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 20/535 tot en met 20/542
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] (Verenigd Koninkrijk),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 augustus 2020, nummers BRE 19/1480 tot en met 19/1487 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Belanghebbende en [Pensions] (hierna: Pensions), ook gevestigd in [vestigingsplaats] , hebben verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting ingediend. Belanghebbende heeft verzoeken om teruggaaf ingediend voor de volgende jaren en bedragen:
2003
€ 3.702.706
2004
€ 3.630.806
2005
€ 7.599.112
2006
€ 8.034.156
2007
€ 9.807.698
2008
€ 9.674.943
2009
€ 9.344.240
2010
€ 1.981.370
Pensions heeft verzoeken om teruggaaf ingediend voor de volgende jaren en bedragen:
2006
€ 71.118
2007
€ 122.014
2008
€ 74.378
1.2.
De inspecteur heeft alle verzoeken afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft hiertegen in één geschrift bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. Voor het procesverloop in de fase tot aan de tweede zitting bij het hof verwijst het hof naar de uitspraak van 14 december 2022 [1] (hierna: de tussenuitspraak). Het hof heeft in de tussenuitspraak een prejudiciële vraag voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU).
1.6.
Het HvJ EU heeft die prejudiciële vraag beantwoord bij arrest van 7 november 2024 (hierna: de prejudiciële beslissing). [2]
1.7.
Het hof heeft partijen bij brief van 11 november 2024 in de gelegenheid gesteld om te reageren op het arrest van het HvJ EU. Belanghebbende heeft op 4 december 2024 gereageerd. De inspecteur heeft op 8 december 2024 gereageerd. Het hof heeft vervolgens bij brief van 10 december 2024 partijen in de gelegenheid gesteld om te reageren op de reactie van de andere partij. De inspecteur heeft op 29 januari 2025 gereageerd. Belanghebbende heeft op 31 januari 2025 gereageerd. Op 16 mei 2025 heeft belanghebbende een nader stuk ingediend. Op 10 juni 2025 heeft de inspecteur een pleitnota ingediend. Alle stukken zijn steeds met de andere partij gedeeld.
1.8.
De (derde) zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] , [gemachtigde 3] en [gemachtigde 4] , als gemachtigden van belanghebbende, vergezeld van [A] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] , [inspecteur 5] , [inspecteur 6] en [inspecteur 7] .
1.9.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.10.
Op 24 juni 2025 is bij het hof een brief van belanghebbende binnengekomen, waarin hij verzoekt om heropening van het onderzoek. Het hof heeft het verzoek afgewezen (zie 4.0).
1.11.
Van de (derde) zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap. De enig aandeelhouder van belanghebbende is een in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde, beursgenoteerde, vennootschap.
2.2.
Belanghebbende is in het Verenigd Koninkrijk geregistreerd als verzekeringsmaatschappij. Zij sluit - vrijwel uitsluitend met in het Verenigd Koninkrijk gevestigde institutionele pensioenverzekeraars en werkgevers (hierna kortweg: cliënten of polishouders) - overeenkomsten die worden aangeduid als “unit-linked polissen”.
2.3.
De cliënten maken gebruik van de diensten van belanghebbende wegens:
kostenvoordelen in verband met het gegeven dat belanghebbende door schaalvoordelen kostenefficiënt kan beleggen;
de expertise van belanghebbende, die onderdeel vormt van een van de grootste vermogensbeheerders ter wereld;
een grotere risicospreiding die kan worden gerealiseerd door het beleggen via belanghebbende dan indien de cliënt zelf zou beleggen.
2.4.
De overeenkomsten tussen belanghebbende en de cliënten hebben de juridische vorm (naar het recht van het Verenigd Koninkrijk) van een verzekeringsovereenkomst, hoewel die overeenkomsten geen verzekeringsrisico omvatten. De overeenkomsten tussen belanghebbende en de cliënten strekken (slechts) ertoe dat belanghebbende de van de cliënten ontvangen premiebedragen belegt teneinde beleggingsrendementen te genereren. Het (pensioen)verzekeringsrisico ten aanzien van tussen de cliënten en derden gesloten pensioenovereenkomsten berust bij de cliënten.
2.5.
Cliënten kunnen kiezen uit verschillende effectenmandjes waarin zij kunnen deelnemen. In die mandjes zijn bepaalde beleggingen gebundeld, met, bijvoorbeeld, differentiaties naar (beleggingen in) bepaalde sectoren. De inleggelden die belanghebbende op deze polissen ontvangt worden door haar belegd in effecten, waaronder aandelen. Bij de bepaling van de aard van de beleggingen wordt rekening gehouden met de vooraf met de cliënten afgesproken risicoprofielen.
2.6.
Belanghebbende brengt de beleggingen in haar administratie dienovereenkomstig onder in afzonderlijk geadministreerde unit-linkedfondsen (de hiervoor bedoelde effectenmandjes). Deze mandjes zijn uitsluitend voor boekhoudkundige doeleinden binnen het vermogen van belanghebbende afgezonderd. Belanghebbende geeft met betrekking tot de mandjes geen aandelenbewijzen uit en er zijn geen overeenkomsten waarin de onderlinge verhouding tussen de cliënten en/of verzekerden bij cliënten en die mandjes zijn geregeld. De aparte administratie van de mandjes strekt ertoe dat de waardeontwikkeling van de mandjes kan worden gevolgd.
2.7.
De van cliënten ontvangen premies worden toegewezen aan één of meer gekozen (unitlinked) mandjes, in ruil waarvoor aan cliënten units worden toebedeeld. Volgens de overeenkomst tussen belanghebbende en de cliënt heeft de cliënt recht op een waarde die gelijk is aan het aantal units, vermenigvuldigd met de waarde per unit op elk moment waarop de cliënt recht heeft op uitkering. De momenten waarop cliënten recht hebben op uitkering worden bij reguliere afwikkeling van de overeenkomsten bepaald door de momenten waarop cliënten jegens hun verzekerden tot (pensioen)uitkering gehouden zijn.
2.8.
De cliënten kunnen, behoudens de vaststelling van het risicoprofiel, de daadwerkelijke keuze van effecten waarin belanghebbende belegt, niet beïnvloeden. Zij hebben ook geen recht op onderliggende effecten waarin wordt belegd. Zij hebben slechts een afgeleid economisch belang bij de effecten waarin de ‘units’ zijn belegd.
2.9.
Belanghebbende besteedt de feitelijke beleggingswerkzaamheden uit aan [C] (hierna: [C] ) en/of [D] (hierna: [D] ); beide vennootschappen behoren tot de [B-groep] .
2.10.
Belanghebbende ontvangt een vergoeding voor de aan cliënten aangeboden (beleggings)werkzaamheden. De aan de cliënten in rekening gebrachte vergoeding is gelijk aan een percentage van de waarde van het door haar beheerde vermogen. Deze beheersvergoeding die belanghebbende voor haar werkzaamheden ontvangt is dus - naast de omvang van de ingelegde gelden - mede afhankelijk van de beleggingsresultaten die zij behaalt.
2.11.
Tot de mandjes behoren in de onderhavige jaren aandelen in het kapitaal van in Nederland gevestigde vennootschappen. Op de dividenden die door deze vennootschappen zijn uitgekeerd is - per saldo - vijftien percent Nederlandse dividendbelasting ingehouden.
2.12.
De effecten waarin belanghebbende belegt, waaronder de aandelen in het kapitaal van in Nederland gevestigde vennootschappen, zijn vermeld op de balansen in jaarrekeningen van belanghebbende. De desbetreffende aandelen worden gewaardeerd op de reële waarde (
fair value). De verplichtingen jegens cliënten worden eveneens gewaardeerd op
fair value. Mutaties in de waarde van op
fair valuegewaardeerde beleggingen en overig beleggingsrendement (in de vorm van rentebaten) leiden, behoudens aan belanghebbende en aan haar gelieerde groepslichamen toekomende vergoedingen en ondergeschikte kosten, tot dienovereenkomstige mutaties in de waarde van de verplichtingen jegens cliënten.
2.13.
Belanghebbende is in het Verenigd Koninkrijk onderworpen aan de heffing van winstbelasting. Zij kan in het Verenigd Koninkrijk effectief geen aanspraak maken op verrekening van in Nederland ingehouden dividendbelasting.
2.14.
Met ingang van 29 december 2006 is de naam van [E] gewijzigd in [Pensions] (ofwel: Pensions).
2.15.
Belanghebbende stond tot 2 december 2009 bekend als [F] . Met ingang van 2 december 2009 is belanghebbendes naam gewijzigd in [G] (hierna: [G] ). Met ingang van 13 december 2011 is belanghebbendes naam gewijzigd naar [belanghebbende] (ofwel: belanghebbende).
2.16.
Op 23 december 2009 en 20 januari 2010 zijn de in 1.1 vermelde teruggaafverzoeken van Pensions ingediend.
2.17.
Op 31 december 2011 heeft, anders dan in de uitspraak van de rechtbank en in de tussenuitspraak van het hof onder de feiten staat vermeld en ook anders dan waar partijen eerder in de procedure van uitgingen, géén juridische fusie plaatsgevonden tussen belanghebbende en Pensions. Wel heeft een overdracht van activa en passiva plaatsgevonden van Pensions naar belanghebbende. Pensions is na die overdracht blijven bestaan. In het jaarverslag over de periode 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2024 van Pensions staat - voor zover relevant - het volgende vermeld:

Principal activity
The principal activity of the Company is to remain in existence in order to facilitate the receipt of potential withholding tax reclaims. This is in the event an overseas tax authority erroneously refuses to recognise [belanghebbende] as the entitled recipient of pending withholding tax reclaims, and seeks to award repayments to the Company.
The expectation is that such withholding tax reclaims should be paid to [belanghebbende] , as the recipient of the trade and assets and liabilities of the Company (including pending withholding tax reclaims) in accordance with the terms under Part VII of the Financial Services and Markets Act 2000 on 31 December 2011.”
2.18.
In de
court orderinzake de overname van
de entire long term insurance businessvan Pensions door belanghebbende staat - voor zover relevant - het volgende vermeld:
“on and with effect from the Effective Date (or as applicable, the Subsequent Transfer Date), any Proceedings (other than the Excluded Proceedings) which are pending or current or may be commenced, by, against, or in relation to [Pensions] [hof: Pensions] in connection with the Transferred Business shall be continued or commenced by, against or in relation to [G] [hof: belanghebbende] in accordance with paragraph 4 of the Scheme, and [G] shall be entitled to all defences, claims, counterclaims and rights of set-off which were or would have been available to [Pensions] in relation to such proceedings;”
2.19.
De termen
‘Excluded Proceedings’en
‘Proceedings’zijn als volgt gedefinieerd in een document dat is opgesteld overeenkomstig Part VII van de Financial Services and Markets Act 2000 betreffende de overdracht van de gehele onderneming van Pensions naar [G] (thans: belanghebbende):

“Excluded Proceedings”all legal proceedings instituted by the Transferor in any member state of the European Union for the reclaim of tax on the ground that the relevant tax has been imposed or withheld in contravention of the Treaty on the Functioning of the European Union;
“Proceedings”any judicial, quasi-judicial, administrative or other proceedings (whether by way of a claim, complaint, demand, legal proceedings, execution of judgment, arbitration, regulatory review or process), and any judgment, settlement, order or award under existing or past proceedings obtained by or against the Transferor in relation to the Transferred Business;”
2.20.
In laatstgenoemd document wordt in onderdeel 4 ook ingegaan op de
continuity of Proceedings:
“4.1. On and with effect from the effective date, save in respect of the Excluded Proceedings which shall not be transferred by this scheme, any proceedings which are threatened, future, pending or current by or against the Transferor in connection with the Transferred Policies, the Transferred Assets or the Transferred Liabilities shall be continued by or against the Transferee and the Transferee shall be entitled to all defences, claims, counterclaims and rights of set-off that were or should have been available to the Transferor in relation to such Proceedings.”
2.21.
De teruggaafverzoeken van belanghebbende en Pensions zijn afgewezen op 1 april 2016 respectievelijk 6 april 2016.
2.22.
Belanghebbende heeft vervolgens op 2 mei 2016 bezwaar gemaakt. In het bezwaar staat - voor zover hier relevant - het volgende vermeld:
“Subject: [Pensions] and [belanghebbende] – Objection against the decision to reject our request for a refund of Dutch dividend tax
Dear Sir/Madam,
Please treat this letter as a formal objection against the two rejections received in respect of our request for a refund of Dutch dividend tax. Please find these two “rejection letters” enclosed, dated 1st April 2015 with reference “workflows 204, 8981 & 10894” and 6th April 2015 with reference “workflow 254”, respectively.
[Pensions] merged into [belanghebbende] on 1st January 2012. Therefore, this objection letters relates to both of the rejections regarding [Pensions] and [belanghebbende] .”
2.23.
Op 13 februari 2019 heeft de inspecteur bij één geschrift, gericht aan belanghebbende, de bezwaren van zowel belanghebbende als Pensions ongegrond verklaard.
2.24.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is niet mede namens Pensions ingesteld. In het beroepschrift is gewezen op de juridische fusie (die dus niet heeft plaatsgevonden) tussen belanghebbende en Pensions.
2.25.
De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van de in 1.1 vermelde dividendbelasting en heeft de beroepen ongegrond verklaard.
2.26.
Tot de stukken van het geding behoort een opinie van het in het Verenigd Koninkrijk gevestigde Linklaters van 30 januari 2025. Daarin staat - voor zover hier relevant - het volgende vermeld:
“The Company has been incorporated and is existing as a private company with limited liability under the laws of England. The Company has legal personality and is capable of owning property in its own name. Therefore, to the extent that the Company owns any assets or cash (including any assets or cash held for the purposes of its unit-linked life insurance business), it is the Company itself that owns such assets and all the rights flowing from them (and not, for example, the shareholders of the Company or the policyholders). In particular, where the Company owns shares in another company, including where this is in connection with its unit-linked business (…), it is the Company itself which is the legal owner of those shares and all rights flowing from such ownership (including the right to dividends declared in respect of such shares), and not its shareholders or policyholders.”
2.27.
Tot de gedingstukken behoren polisvoorwaarden die gelden tussen belanghebbende en de cliënten die betrekking hebben op – voor zover hier relevant – de jaren 2001, 2005, 2007 en 2014. Die polisvoorwaarden zijn nagenoeg gelijkluidend en daarin staat – voor zover hier relevant – het volgende vermeld:
“Section D (8) —
"The allocation of units to this Policy is solely for the purposes of calculating the benefits under the Policy and conveys no beneficial rights to those units or the underlying assets of the Fund." [3]
Section H (1) —
""Funds" are such investment portfolios established from time to time by the Company within its "Pension Business Fund" for the sole purpose of ascertaining the benefits payable under this and other similar policies. The Company is the absolute beneficial owner of the assets representing the Funds and has absolute discretion over their investment."”

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van de in 1.1 vermelde dividendbelasting ter zake van de door haar ontvangen dividenden. Het geschil spitst zich toe op de beantwoording van de volgende deelvragen:
I. Is belanghebbende ontvankelijk in het bezwaar en/of beroep voor zover dat ziet op teruggaafverzoeken die zijn ingediend door of namens Pensions?
II. Is belanghebbende a) de opbrengstgerechtigde en zo ja, b) de uiteindelijke gerechtigde tot de dividenden?
III. Indien vraag II bevestigend moet worden beantwoord: is belanghebbende vergelijkbaar met een in Nederland vrijgesteld pensioenlichaam?
IV. Indien vraag II bevestigend en vraag III ontkennend moet worden beantwoord: heeft belanghebbende op grond van het Unierecht recht op teruggaaf van dividendbelasting omdat zij niet zwaarder mag worden belast dan een met haar vergelijkbare binnenlands belastingplichtige die is onderworpen aan de heffing van vennootschapsbelasting?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot teruggaaf van de in 1.1 vermelde dividendbelasting. De inspecteur concludeert tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar en/of beroep met betrekking tot de verzoeken die namens Pensions zijn gedaan en voor het overige tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Vooraf
4.0.
Het hof merkt de onder 1.10 vermelde brief aan als een verzoek tot heropening van het onderzoek, als voorzien in artikel 8:68 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het hof heeft in dat wat belanghebbende aanvoert geen reden gevonden om tot heropening van het onderzoek over te gaan, omdat het hof van oordeel is dat het onderzoek volledig is geweest, gelet op wat hierna in 4.15 is overwogen.
Ten aanzien van het geschil
I.
Ontvankelijkheid
4.1.
De inspecteur stelt dat voor zover de procedure betrekking heeft op de in 1.1 vermelde namens Pensions ingediende teruggaafverzoeken het bezwaar en/of beroep niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, omdat Pensions na de overdracht van activa en passiva op 31 december 2011 is blijven bestaan (zie 2.17).
4.2.
Belanghebbende stelt daarentegen dat de toekomstige rechten op teruggaaf uit de teruggaafverzoeken als
‘proceedings’zijn aan te merken en niet als
‘excluded proceedings’en stelt dat daarom de rechten op opbrengsten uit de teruggaafverzoeken en ook de procesrechten zijn overgegaan van Pensions naar belanghebbende (zie 2.19 en 2.20), waardoor belanghebbende de juiste rechtspersoon is geweest die de procedure heeft gevoerd ten aanzien van de namens Pensions ingediende teruggaafverzoeken.
4.3.
Het hof overweegt eerst ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar als volgt. De verzoeken van belanghebbende en Pensions zijn afzonderlijk afgewezen op 1 april 2016 respectievelijk 6 april 2016. Vervolgens heeft belanghebbende op 2 mei 2016 in één geschrift bezwaar gemaakt tegen zowel de afgewezen teruggaafverzoeken van belanghebbende als van Pensions en in dat bezwaar gewezen op de – dus uiteindelijk niet plaatsgevonden – juridische fusie. Het hof is van oordeel dat in zoverre het bezwaar tegen de afwijzing van de namens Pensions ingediende teruggaafverzoeken – ondanks de door belanghebbende geschetste onjuiste voorstelling van zaken over de fusie – toch ontvankelijk is, omdat het bezwaar aldus namens Pensions is ingediend. Vervolgens moet evenwel worden onderzocht of ook het door belanghebbende ingestelde beroep voor zover het betrekking heeft op de namens Pensions ingediende teruggaafverzoeken ontvankelijk is.
4.4.
Het beroepschrift is door de toenmalige gemachtigde ingediend namens belanghebbende. Het is niet ingediend namens Pensions. In artikel 26a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is limitatief omschreven wie beroepsgerechtigd is. De voor bezwaar vatbare beschikking van 6 april 2016 richtte zich tot Pensions. Nu géén van de situaties uit artikel 26a AWR aan de orde is, moet worden geconcludeerd dat het beroep voor zover dat ziet op de door of namens Pensions ingediende teruggaafverzoeken in beginsel niet door belanghebbende had kunnen worden ingesteld.
4.5.
Aangezien bovendien vaststaat dat geen sprake is geweest van een juridische fusie, kan ook niet worden gezegd dat een overgang onder algemene titel heeft plaatsgevonden waardoor belanghebbende als een voortzetter van de rechtspositie van Pensions moet worden beschouwd. Beroep kan dan, gelet op het voorgaande en uitgezonderd specifieke situaties waarvoor de Hoge Raad de kring van belanghebbenden heeft uitgebreid, slechts worden ingesteld door de oorspronkelijk belastingplichtige, ofwel in dit geval Pensions.
4.6.
Aan dat oordeel doet niet af dat tussen belanghebbende en Pensions onderling afspraken (de Proceedings en excluded proceedings) zijn gemaakt over opbrengsten uit teruggaafverzoeken en over eventuele procesrechten; die onderlinge afspraken tussen belanghebbende en Pensions zijn namelijk gemaakt in het kader van een overdracht onder bijzondere titel. Dat een overdracht onder bijzondere titel bedoeld is volgt ook uit de reden dat Pensions is blijven bestaan, namelijk het ‘faciliteren’ van het ontvangen van gelden uit die teruggaafverzoeken. Deze tussen belanghebbende en Pensions gemaakte afspraken regarderen hun onderlinge relatie, maar kunnen niet meebrengen dat belanghebbende beroepsgerechtigde wordt ten aanzien van de beslissing op de namens Pensions ingediende teruggaafverzoeken.
4.7.
Het voorgaande betekent dat het beroep voor zover dat betrekking heeft op de door Pensions ingediende teruggaafverzoeken niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.
II.
A) Is belanghebbende de opbrengstgerechtigde?
(Wettelijk) kader
4.8.
Artikel 1, lid 1, Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: Wet DB) bepaalt ten laste van wie de dividendbelasting wordt geheven. Dat is voor zover in dit geval relevant degene die gerechtigd is tot de opbrengst van aandelen in in Nederland gevestigde vennootschappen met een in aandelen verdeeld kapitaal.
4.9.
Met de woorden “te zijnen laste ingehouden dividendbelasting” in de zin van artikel 10 Wet Pro DB is tot uitdrukking gebracht dat de terug te geven dividendbelasting moet zijn geheven van de verzoeker als gerechtigde tot de opbrengst in de zin van artikel 1, lid 1, Wet DB.
4.10.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:49 (hierna: het arrest van 19 januari 2024), waarin onder meer een invulling is gegeven aan het begrip opbrengstgerechtigde, als volgt overwogen:
“Dividendbelasting als voorheffing op vennootschapsbelasting – algemeen kader
(...)
4.2.2
Volgens artikel 1, lid 1, van de Wet Db wordt als gerechtigde tot de opbrengst van aandelen aangemerkt degene die daartoe rechtstreeks of door middel van certificaten is gerechtigd. Hierbij heeft als uitgangspunt te gelden dat als opbrengstgerechtigde alleen kan worden aangemerkt degene die in civielrechtelijke zin is gerechtigd tot de opbrengst van de aandelen4. Die opbrengstgerechtigde is de bezitter van het aandeel, het dividendbewijs of een soortgelijk recht op de vruchten van het aandeel5. In de regel, indien niet een dergelijk recht op de opbrengst van het aandeel is afgesplitst, zal de hoedanigheid van opbrengstgerechtigde samenvallen met de hoedanigheid van aandeelhouder.
Betwist de inspecteur dat de belastingplichtige de gerechtigde tot de opbrengst is waarop de dividendbelasting is ingehouden, dan rust op de belastingplichtige de last om feiten te stellen en, bij betwisting daarvan door de inspecteur, aannemelijk te maken, die meebrengen dat hij die hoedanigheid heeft6.
(…)
Voetnoot 4: Zie Kamerstukken II 1962/63, 6000, nr. 11, blz. 2-3, en Kamerstukken I 2001/02, 27 896 en 28 246, nr. 117b, blz. 3.
Voetnoot 5: Zie Kamerstukken II 2000/2001, 27 896, nr. 3, blz. 7.
Voetnoot 6: Vgl. Hoge Raad 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1610, r.o. 2.4.2, derde volzin.”.
Standpunten partijen
4.11.
De inspecteur stelt voorop dat belanghebbende niet de volledige polisvoorwaarden tussen belanghebbende en de cliënten heeft verstrekt. Ter zitting heeft de inspecteur daaraan toegevoegd dat de wel overgelegde
policy documentszien op niet in geschil zijnde jaren en daarmee niet van belang zijn voor deze zaak.
De inspecteur stelt vervolgens dat sprake is van
asset poolingen daarmee van het beleggen van vermogen voor de gemeenschappelijke rekening van twee of meer deelgerechtigden, de polishouders; zij zijn dan ook de opbrengstgerechtigden vanwege hun indirecte recht met vermogenswaarde, terwijl belanghebbende zelf geen directe of indirecte economische aanspraak op het vermogen heeft. Belanghebbende is slechts
asset managervoor de mandjes, die op zichzelf bezien afgescheiden vermogens vormen. De inspecteur stelt verder dat de civielrechtelijke gerechtigdheid leidend is en dat belanghebbende ook daarom niet de opbrengstgerechtigde is. Hoewel de
credit adviceszijn uitgereikt aan belanghebbende is daarmee nog niet duidelijk of belanghebbende de eindbelegger is of slechts beheerder/bewaarder van aandelen die geclusterd zijn en corresponderen met de mandjes. Ten slotte heeft de inspecteur ter zitting gesteld dat belanghebbende zelf, in het kader van de
competent authority agreement, voor latere jaren schriftelijk heeft verklaard dat niet belanghebbende, maar de polishouders de opbrengstgerechtigden zijn.
De inspecteur is, concluderend, van mening dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij naar het recht van het Verenigd Koninkrijk houder van de aandelen en daarmee rechtstreeks gerechtigde tot de dividenden is.
4.12.
Belanghebbende stelt daarentegen dat de polishouders slechts aanspraken in geld hebben op belanghebbende, een contractuele verbintenis tussen de polishouders onderling ontbreekt. Ook vormen de mandjes geen doelvermogen, maar hebben zij slechts een boekhoudkundige betekenis, terwijl de combinatie van (rendementen van) beleggingen en (aangroei van) verplichtingen voor rekening en risico van belanghebbende komt. Belanghebbende is de
absolute beneficial owneren heeft ook absolute zeggenschap over de investeringen, aldus belanghebbende. Niet doorslaggevend is bij wie de juridische eigendom ligt. Belanghebbende stelt vervolgens dat naar het recht van het Verenigd Koninkrijk belanghebbende in civielrechtelijke zin is gerechtigd tot de opbrengsten van de dividenden en houder van die aandelen is en verwijst daarbij naar de opinie van Linklaters (zie 2.26). Belanghebbende betwist ten slotte dat zij heeft aangegeven dat de polishouders opbrengstgerechtigden zijn.
Oordeel
4.13.
Het hof stelt voorop dat de stelling van de inspecteur dat niet de (volledige) polisvoorwaarden over alle in geschil zijnde jaren zijn overgelegd buiten beschouwing moet blijven in verband met strijdigheid met de goede procesorde. De inspecteur heeft voor het eerst in zijn stuk van 8 december 2024 geklaagd over de (volledigheid van) de polisvoorwaarden, terwijl gedurende de gehele procedure door belanghebbende veelvuldig naar de in het dossier aanwezige polisvoorwaarden is verwezen. De inspecteur heeft daarmee voldoende kansen gehad om te klagen over de (on)volledigheid van de fondsvoorwaarden, maar dit steeds nagelaten. Het hof stelt bovendien vast dat de tot de stukken van het geding behorende polisvoorwaarden betreffende de jaren 2001, 2005, 2007 en 2014 op de relevante punten niet verschillen en het hof acht daarom aannemelijk dat ook de polisvoorwaarden zoals die golden in de overige in geschil zijnde jaren niet anders luiden.
4.14.
Tussen partijen is niet in geschil dat naar Brits giraal effectenrecht moet worden beoordeeld of belanghebbende heeft te gelden als houder van de aandelen, en daarmee gerechtigd tot de dividenden was. Het hof komt tot diezelfde conclusie en volgt partijen in zoverre.
4.15.
Het hof is, gelet op het hiernavolgende, van oordeel dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de opbrengstgerechtigde tot de dividenden is. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de juridische eigendom bij beursaandelen als hier aan de orde, berust bij de custodian, maar dat de economische eigendom bij de belegger berust waarvoor de (sub)custodian optreedt. Dat is in het onderhavige geval belanghebbende. Dat volgt ook uit de polisvoorwaarden waarin uitdrukkelijk is vermeld dat belanghebbende de
beneficial owneris. Anders dan de inspecteur verdedigt, hebben de polishouders slechts een vermogensrecht waarvan de waarde is afgeleid van de aandelen waarin belanghebbende belegt. Van dit ‘indirecte recht’ kan niet worden gezegd dat daarmee de polishouders de eindbeleggers zijn. De mandjes hebben slechts een administratieve functie en vormen naar het oordeel van het hof geen afgescheiden vermogen (zie 2.6). Belanghebbende is dus in economische zin gerechtigd tot de dividenden. Bovendien heeft belanghebbende, zo volgt uit die voorwaarden, de (absolute) zeggenschap over de dividenden. Belanghebbende is, hoewel zij behalve wat betreft de hoogte van de beheersvergoeding geen risico loopt ten aanzien van de beleggingen, daarmee rechtstreeks gerechtigd tot de opbrengsten. Dat ook vanuit het Britse giraal effectenrecht aannemelijk is dat belanghebbende opbrengstgerechtigde is, volgt naar het oordeel van het hof uit de door belanghebbende ingebrachte opinie van Linklaters. Ten slotte vormt het eerst ter zitting ingenomen standpunt van de inspecteur dat belanghebbende heeft verklaard dat de polishouders de opbrengstgerechtigden zouden zijn een blote stelling die niet verder is onderbouwd, terwijl belanghebbende die stelling alleen al in de pleitnota voor de zitting van 7 oktober 2022 voldoende heeft weersproken. De inspecteur heeft zonder nader bewijs zijn stelling niet aannemelijk gemaakt.
4.16.
Van een afgesplitst recht zoals bedoeld in het arrest van 19 januari 2024 – waaronder het hof in dit verband verstaat een goederenrechtelijk verzelfstandigd recht op dividend jegens de vennootschap zoals een dividendbewijs of (onder omstandigheden) een vruchtgebruik, dan wel een vergelijkbare buitenlandse rechtsfiguur – is naar het oordeel van het hof geen sprake.
II.
B) Is belanghebbende de uiteindelijk gerechtigde?
4.17.
In beginsel wordt, zo volgt uit het arrest van 19 januari 2024, de opbrengstgerechtigde aangemerkt als uiteindelijk gerechtigde indien hij vrijelijk over de dividenden kan beschikken en bij de ontvangst daarvan niet als zaakwaarnemer of lasthebber optreedt. Of dat het geval is, moet worden beoordeeld op het moment dat de opbrengst ter beschikking wordt gesteld. De opbrengstgerechtigde is vervolgens slechts dan niet de uiteindelijk gerechtigde, als sprake is van dividendstripping. [4] Op de inspecteur rust de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat belanghebbende niet de uiteindelijk gerechtigde is. [5]
4.18.
De inspecteur stelt – samengevat – dat belanghebbende niet de rechthebbende tot de dividendbewijzen is en geen enkel economisch belang heeft in de Nederlandse aandelen en daaruit voortvloeiende dividenden; zij is volgens de inspecteur niet meer dan een vermogensbeheerder. Daarnaast kan belanghebbende niet vrijelijk over de dividenden beschikken omdat zij a) de dividenden alleen mag aanwenden conform de relevante beleggingsprofielen en b) het niet belanghebbende is die de herinvestering mag verrichten, maar [C] (eventueel gedelegeerd aan [D] ). Belanghebbende verricht haar activiteiten met betrekking tot de dividenden tenslotte als zaakwaarnemer of lasthebber en is niet meer dan één schakel in een keten van lasthebbers en lastgevers, aldus de inspecteur. De polishouders zijn als uiteindelijke lastgevers de uiteindelijk gerechtigden tot de dividenden; belanghebbende houdt en administreert slechts de beleggingen voor rekening van de cliënten. Gelet op het voorgaande is belanghebbende volgens de inspecteur niet de uiteindelijk gerechtigde.
4.19.
Belanghebbende stelt daarentegen dat zij uiteindelijk gerechtigde is tot de dividenden en dat sprake is van grote vergelijkbaarheid met het arrest van de Hoge Raad van 27 augustus 1997, [6] waarin de Hoge Raad tot het oordeel kwam dat de belanghebbende in die zaak ook de uiteindelijk gerechtigde was. Belanghebbende is geen vermogensbeheerder, omdat juridisch gezien sprake is van verzekeringscontracten. Belanghebbende vindt bovendien steun in het huidige Belastingverdrag voor haar standpunt dat zij de uiteindelijk gerechtigde is. De verdragsreductie waarvoor in het Belastingverdrag ook als voorwaarde gold dat belanghebbende de uiteindelijk gerechtigde was, heeft nooit ter discussie gestaan. Belanghebbende stelt verder dat zij geen lasthebber is; de rechtshandelingen worden namelijk verricht naar eigen inzicht en voor eigen rekening.
4.20.
Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur met wat hij daaromtrent heeft gesteld niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende geen vrije, eigen beschikkingsmacht heeft over de opbrengst van de aandelen. Gelet op de polisvoorwaarden is het namelijk belanghebbende die de absolute zeggenschap heeft over de investeringen (zie 2.27). Dat belanghebbende handelt met inachtneming van met cliënten afgesproken risicoprofielen leidt niet tot een ander oordeel; daarmee is belanghebbende slechts in zeer geringe mate beperkt in zijn beschikkingsmacht; binnen het risicoprofiel mag vrijelijk worden belegd. Dat belanghebbende ervoor heeft gekozen het daadwerkelijk doen van de herinvesteringen uit te besteden leidt niet tot een ander oordeel; zij kan er namelijk vrijelijk voor kiezen die keuze anders in te richten. Belanghebbende is naar het oordeel van het hof ook geen zaakwaarnemer omdat belanghebbende niet namens de polishouders handelt, maar op eigen naam. Belanghebbende is naar het oordeel van het hof evenmin lasthebber; daarvoor is de tussen belanghebbende en de cliënten gemaakte afspraak om te beleggen volgens een bepaald risicoprofiel onvoldoende specifiek.
4.21.
Aangezien dividendstripping niet aan de orde is, heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende als opbrengstgerechtigde niet ook de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden is.
III.
Is belanghebbende vergelijkbaar met een in Nederland vrijgesteld pensioenfonds?
4.22.
Artikel 5 Wet Pro op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) luidt - voor zover hier van belang - als volgt [7] :
“1. Wij behouden Ons voor bij algemene maatregel van bestuur onder daarbij te stellen voorwaarden van de belasting vrij te stellen:
a. (…)
b. lichamen welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel stellen de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel partners en gewezen partners en van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt, een en ander door middel van pensioen krachtens een pensioenregeling of van uitkeringen krachtens een regeling voor vervroegde uittreding, behoudens voor zover zij voordelen behalen uit bij algemene maatregel van bestuur aangewezen werkzaamheden die niet rechtstreeks verband houden met het uitvoeren van bedoelde regelingen.”.
4.23.
Artikel 3 Uitvoeringsbesluit Pro vennootschapsbelasting 1971 luidt als volgt:
“Een in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de wet omschreven lichaam is van de belasting vrijgesteld mits de werkzaamheden van het lichaam in overeenstemming zijn met het in voormelde onderdeel b aangegeven doel en bovendien de winst, behoudens een uitkering tot ten hoogste vijf percent per jaar over het gestorte kapitaal of over de inleggelden, uitsluitend kan worden aangewend ten bate van de verzekerden, een ingevolge het onderhavige artikel vrijgesteld lichaam, of een algemeen maatschappelijk belang.”.
4.24.
In Nederland gevestigde pensioenlichamen die voldoen aan de in de Wet Vpb gestelde voorwaarden zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Aan hen wordt, als zij aan de overigens gestelde voorwaarden voldoen, teruggaaf verleend van dividendbelasting op grond van artikel 10, lid 1, Wet DB. Het ligt op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat aan die voorwaarden is voldaan.
4.25.
Belanghebbende stelt dat zij wat betreft de teruggaafregeling vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigd en vrijgesteld pensioenlichaam. Belanghebbende wordt in het Verenigd Koninkrijk namelijk als pensioenfonds belast en gezien als onderdeel van de keten van pensioenaanbieders. Hoewel belanghebbende niet aan alle daarvoor geldende voorwaarden voldoet, moet belanghebbende op grond van het
A SCPI-arrest [8] toch als vrijgesteld pensioenlichaam worden behandeld; de grensoverschrijdende situatie wordt namelijk ondanks dat het objectieve voorwaarden betreft minder gunstig behandeld dan de situatie van een in Nederland gevestigd en vrijgesteld pensioenfonds.
4.26.
De inspecteur stelt daarentegen dat belanghebbende geen pensioenfonds, maar een vermogensbeheerder is die geen verzekeringsrisico en slechts een zeer beperkt risico bij waardeveranderingen loopt. Bovendien worden op neutrale wijze dezelfde voorwaarden gesteld aan ingezeten en niet-ingezeten pensioenlichamen. Nederland is Unierechtelijk niet verplicht om de kwalificatie ‘pensioenfonds’ uit het Verenigd Koninkrijk over te nemen, aldus de inspecteur.
4.27.
Het hof stelt het volgende voorop. Het hof heeft belanghebbende op 2 juni 2021 in de gelegenheid gesteld om stukken te overleggen waaruit volgt dat zij voldoet aan de eisen die gelden voor Nederlandse vrijgestelde pensioenfondsen, daaronder begrepen de doeleis, de werkzaamhedeneis, de winstbestemmingseis en de eis dat belanghebbende geen directiepensioenlichaam is. Belanghebbende heeft daaraan nadien geen verder gehoor gegeven. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende niet voldoet aan alle voorwaarden die gelden voor Nederlandse pensioenlichamen.
4.28.
Het hof stelt vast dat op basis van de wet geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting. Het Unierecht kan in dat geval – voor zover hier van belang – alleen meebrengen dat toch recht bestaat op teruggaaf indien belanghebbende voldoende vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigd lichaam dat wel recht heeft op teruggaaf. De fiscale behandeling in de woonstaat – hier: het niet kunnen verrekenen van de Nederlandse dividendbelasting met de in het Verenigd Koninkrijk afgedragen winstbelasting – is in dat opzicht niet relevant. [9] Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende zich beroept op een vergelijking met een vrijgesteld pensioenlichaam en niet in geschil is dat belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden, faalt als uitgangspunt een beroep op die vergelijking. Hoewel mogelijk niet elke voorwaarde aan belanghebbende kan worden tegengeworpen, [10] geldt hier dat belanghebbende niet voldoet aan een groot aantal kernvoorwaarden. Van bijvoorbeeld de werkzaamhedeneis en de winstbestemmingseis kan niet worden gezegd dat sprake is van voorwaarden die per definitie of de facto eigen zijn aan de nationale markt, waardoor een beroep op het
A SCPI-arrestniet kan slagen. Dat Nederland en het Verenigd Koninkrijk verschillende voorwaarden stellen aan pensioenregelingen is een dispariteit. [11] Dat na de in geschil zijnde jaren een wijziging in het Belastingverdrag heeft plaatsgevonden waarin Nederland en het Verenigd Koninkrijk elkaars pensioenregelingen erkennen leidt in deze zaak niet tot een ander oordeel; relevant is immers de situatie in de in geschil zijnde jaren.
IV.
Heeft belanghebbende op grond van het Unierecht recht op teruggaaf van dividendbelasting omdat zij niet zwaarder mag worden belast dan een met haar vergelijkbare binnenlands belastingplichtige die is onderworpen aan de heffing van vennootschapsbelasting (drukvergelijking)?
4.29.
Belanghebbende betoogt dat de heffing van dividendbelasting over door haar ontvangen dividenden van Nederlandse herkomst leidt tot een zwaardere belastingheffing dan die waaraan met belanghebbende vergelijkbare, in Nederland gevestigde, lichamen worden onderworpen.
4.30.
Voor een uitgebreide uiteenzetting van deze vraag over de drukvergelijking verwijst het hof naar de tussenuitspraak. In de kern zijn partijen verdeeld over de vraag of in een geval als dit in het kader van de heffing van dividendbelasting rekening moet worden gehouden met kosten die worden opgeroepen door de toename van verplichtingen van belanghebbende jegens haar cliënten. Volgens de inspecteur moet die vraag ontkennend worden beantwoord, terwijl belanghebbende stelt dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord.
4.31.
Het hof heeft in dit kader een prejudiciële vraag gesteld aan het HvJ EU om duidelijkheid te verkrijgen omtrent de uitleg van het Unierecht en meer in het bijzonder om duidelijkheid te verkrijgen over hoe om dient te worden gegaan met de (met de inkomsten corresponderende) verplichtingen aan de cliënten, gelet op met name de arresten
Societé Génerale [12] , College Pension Plan of British Columbia [13] (hierna: CPPBC) en
Commisie/Finland [14] . Het HvJ EU heeft de in de tussenuitspraak gestelde prejudiciële vraag als volgt beantwoord:
“Artikel 63, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling op grond waarvan dividenden die door een ingezeten vennootschap worden uitgekeerd aan een niet-ingezeten vennootschap die ter dekking van toekomstige betalingsverplichtingen in aandelen van de eerstgenoemde vennootschap heeft belegd, zijn onderworpen aan een dividendbelasting van 15 % over het brutobedrag ervan, terwijl dividenden die aan een ingezeten vennootschap worden uitgekeerd zijn onderworpen aan een dividendbelasting die wordt ingehouden aan de bron, die volledig kan worden verrekend met de door deze laatste vennootschap verschuldigde vennootschapsbelasting en die aanleiding kan geven tot teruggaaf, zodat de belastingdruk op die dividenden nihil bedraagt, aangezien de kosten die volgen uit de toename van de toekomstige betalingsverplichtingen van die vennootschap in aanmerking worden genomen bij de berekening van de heffingsgrondslag voor haar vennootschapsbelasting.”
4.32.
Uit de prejudiciële beslissing volgt dat op een ingezeten vennootschap in een verder met belanghebbende vergelijkbare situatie effectief geen dividendbelasting zou drukken, terwijl dat bij belanghebbende wel het geval is. Die situatie is volgens het arrest van het HvJ EU onverenigbaar met het vrije verkeer van kapitaal dat door artikel 63 VWEU Pro wordt gegarandeerd.
4.33.
Uit de prejudiciële beslissing volgt kort gezegd verder dat het hof als verwijzende rechter in het kader van de objectieve vergelijkbaarheid dient te onderzoeken of de nationale wettelijke regeling erkent dat er tussen de dividenden die ingezeten vennootschappen ontvangen en de wijzigingen in hun verplichtingen jegens polishouders een rechtstreeks verband bestaat. [15] De inspecteur stelt dat Nederland niet een dergelijke wettelijke regeling – zoals de subjectieve vrijstelling voor pensioenfondsen – kent voor met belanghebbende vergelijkbare ingezetenen.
4.34.
Op grond van artikel 8, lid 1, Wet Vpb juncto artikel 3.8 Wet inkomstenbelasting 2001, wordt de winst opgevat en bepaald als het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming. Hier moet ‘voordelen’ worden gelezen als de opbrengsten minus de kosten. Als kosten hebben dan ook te gelden de met de inkomsten corresponderende verplichtingen aan de cliënten. In een situatie van een ingezeten vennootschap houdt het totaalwinstbegrip in dit kader in dat geen heffing plaatsvindt, gelet op het rechtstreekse verband [16] tussen (het rendement op) de beleggingen en (de toename van) de verplichtingen. Deze uitleg strookt met goed koopmansgebruik, dat in een dergelijk geval die kosten toerekent aan de daarmee samenhangende opbrengsten. Het hof is dan ook van oordeel dat de nationale wettelijke regeling (zijnde het totaalwinstbegrip) het bestaan van het rechtstreekse verband erkent. Gelet op de werking van het totaalwinstbegrip is evenmin sprake van een regeling die er louter in bestaat om dividenden, die worden uitgekeerd aan ingezeten vennootschappen die unit-linked overeenkomsten sluiten, vrij te stellen van belasting. [17]
4.35.
De stelling van de inspecteur dat de overeenkomsten tussen belanghebbende en de polishouders vermogensbeheerovereenkomsten zijn die niet op de fiscale balans thuishoren en geen verzekeringsovereenkomsten, waardoor geen voorziening zou kunnen worden gevormd voor
de unit linked verplichtingenen dus toch vennootschapsbelasting verschuldigd zou zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Van vermogensbeheer is in dit geval geen sprake, reeds omdat de aandelen niet op naam van de cliënten zijn gekocht. Belanghebbende beheert aldus niet het vermogen van die cliënten.
4.36.
De inspecteur verwijst nog naar de uiteindelijke uitkomst van de zaak College Pension Plan of British Columbia in Duitsland (hierna: de Duitse zaak), [18] waarin werd geoordeeld dat belanghebbende zich in die zaak niet in een vergelijkbare situatie bevond als een ingezeten pensioenfonds, waardoor toch geen sprake was van strijdigheid met de vrijheid van kapitaalverkeer. Ook dit leidt niet tot een ander oordeel. Nog in het midden gelaten de beperkte betekenis van een buitenlandse rechterlijke uitspraak voor de Unierechtelijke uitleg door de nationale rechter, verschillen de zaken feitelijk alleen al omdat in de hiervoor vermelde Duitse zaak de pensioenverplichtingen anders dan in de onderhavige zaak niet waren opgenomen op de balans en anders dan in de onderhavige zaak de verplichtingen in de Duitse zaak niet direct correspondeerden met de opbrengsten.
4.37.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep van belanghebbende in zoverre gegrond is. Voor dat geval zijn partijen het erover eens dat belanghebbende recht heeft op teruggave van de onder 1.1 vermelde bedragen aan dividendbelasting die betrekking hebben op de teruggaafverzoeken van belanghebbende.
Ten aanzien van het griffierecht
4.38.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 345 respectievelijk € 532 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.
Ten aanzien van de proceskosten
4.39.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is.
4.40.
Het hof stelt deze tegemoetkoming voor de fase van het beroep bij de rechtbank op 2 (punten) [19] x € 934 (waarde per punt) x 2 (factor gewicht van de zaak) is € 3.736.
4.41.
Het hof stelt deze tegemoetkoming voor de fase van het hoger beroep bij het hof op 9,5 (punten) [20] x € 934 (waarde per punt) x 2 (factor gewicht van de zaak) is € 17.746.

5.Beslissing

Het hof:
- verklaart het hoger beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep voor zover het ziet op de door Pensions ingediende teruggaafverzoeken niet-ontvankelijk;
- verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep met betrekking tot de door belanghebbende ingediende teruggaafverzoeken gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking heeft op de door belanghebbende ingediende teruggaafverzoeken;
- vernietigt de afwijzingsbeschikking met betrekking tot de door belanghebbende verzochte teruggaven;
- bepaalt dat de inspecteur teruggaaf van dividendbelasting dient te verlenen voor zover het de in 1.1 vermelde verzoeken van belanghebbende betreft van in totaal € 53.775.031;
- bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 877 vergoedt;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 21.482.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, A.J. Kromhout en M.J.C. Pieterse, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx T.A. Gladpootjes
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 december 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4471.
2.HvJ EU 7 november 2024, ECLI:EU:C:2024:932 (C-782/22).
3.Hof: in de polisvoorwaarden uit 2014 staat dit in Section D (10).
4.Zie r.o. 4.5.1 uit het arrest van 19 januari 2024.
5.Zie r.o. 4.3.5 uit het arrest van 19 januari 2024.
6.Hoge Raad 27 augustus 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3325.
7.Voor het jaar 2003 gold een iets afwijkende tekst.
8.HvJ EU 7 april 2022, ECLI:EU:C:2022:276.
9.Hoge Raad 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1128.
10.Vergelijk HvJ EU 30 januari 2020, Deka, ECLI:EU:C:2020:51, punten 37-47, 55-56 en 70-76.
11.Hoge Raad 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:518.
12.HvJ EU 17 september 2015, ECLI:EU:C:2015:608.
13.HvJ EU 13 november 2019, ECLI:EU:C:2019:960.
14.HvJ EU 8 november 2012, ECLI:EU:C:2012:688.
15.Punt 59 van de prejudiciële beslissing.
16.Zie ook r.o. 4.10.2. van de tussenuitspraak.
17.Punt 60 van de prejudiciële beslissing; het overige punt dat aan de verwijzende rechter stond om te onderzoeken.
18.Finanzgericht München 6 december 2021, 7 K 1435/15 en de beslissing op het daarop volgende hoger beroep van het Bundesfinanzhof 30 november 2022, ECLI:DE:BFH:2022:B.301122.IB4.22.0.
19.1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
20.1 punt voor het hoger beroepschrift, 0,5 punt voor de conclusie van repliek, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, 0,5 punt voor de schriftelijke reactie op de concept-prejudiciële vragen, 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting, 2 punten voor schriftelijke opmerkingen bij de prejudiciële procedure van het HvJ EU, 2 punten voor het verschijnen ter zitting bij het HvJ EU, 0,5 punt voor de schriftelijke reactie op het arrest van het HvJ EU, 0,5 punt voor de reactie van belanghebbende op de schriftelijke reactie van de inspecteur op het arrest van het HvJ EU, 1 punt voor het verschijnen op de zitting na de tussenuitspraak, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.