Belanghebbende, eigenaar en gebruiker van een onroerende zaak, maakte bezwaar tegen gecombineerde aanslagen watersysteemheffing en andere heffingen over 2017 en 2018. De heffingsambtenaar wees het bezwaar af, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde vervolgens hoger beroep in bij het gerechtshof.
Tijdens het hoger beroep werden nieuwe stukken van belanghebbende niet toegelaten wegens te late indiening. Het geschil spitste zich toe op de vraag of de Verordening watersysteemheffing verbindend is en of de toegekende immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te laag is. Het hof oordeelde dat de rechtbank terecht de verdeelsleutel voor kosten had beoordeeld en dat de immateriële schadevergoeding van € 500 passend was, omdat het ging om één bezwaar gericht tegen meerdere aanslagregels op één aanslagbiljet.
Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een vergoeding van griffierecht en proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door het hof te ’s-Hertogenbosch op 12 januari 2022.