Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Converse Inc.,gevestigd te Boston, Massachussets, Verenigde Staten van Amerika,
Kesbo Sport B.V.,
gevestigd te Weert,
mr. R.G.B. Hermsen qq in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van Sporttrading Holland B.V., Sport Concept B.V., Ferro Footwear B.V. en Brandustry B.V.,kantoorhoudende te Tilburg,
Mexx Industries B.V., voorheen geheten FM Fashion B.V.,gevestigd en kantoorhoudende te Drunen, gemeente Heusden,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/205120/HA ZA 09-1107)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep van 3 augustus 2018 tevens incidentele conclusie tot schorsing van de tenuitvoerlegging en tot zekerheidstelling;
- de akte overlegging producties van Converse c.s., met producties genummerd 1 A t/m E, 2 A t/m C, 3, 4, 5, 6, 7, 8 A en B, 9, 9 A t/m L, 10;
- de antwoordmemorie in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de curator met producties 1 t/m 11;
- de antwoordmemorie in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van FM met producties 1 t/m 10;
- de memorie van grieven met producties 11 t/m 38 tevens houdende incidentele vordering tot inzage in en afschrift van bescheiden ex artikel 843a Rv en 1019a Rv, tevens houdende wijziging van eis;
- de antwoordmemorie in het incident ex artikel 843a Rv en 1019a Rv van de curator met productie 12;
- de antwoordmemorie in het incident ex artikel 843a Rv en 1019 Rv van FM met producties 11 t/m 14;
- de memorie van antwoord van de zijde van de curator, met producties 13 t/m 29;
- de memorie van antwoord van de zijde van FM met productie 15;
- het arrest in incident (351 Rv) van 9 april 2019, waarbij de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging is afgewezen;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel van de zijde van Converse c.s.;
- de akte houdende rectificatie van de zijde van Converse c.s.;
- de bij H12-formulier van 7 juni 2019 toegezonden akte houdende producties, met producties 39A en 39B van de zijde van Converse c.s.;
- de bij H12-formulier van 4 mei 2020 toegezonden akte overlegging aanvullende producties, met producties genummerd 40 en 41 van de zijde van Converse c.s.;
- de bij brief van 25 mei 2020 toegezonden producties 42A en 42B van de zijde van Converse c.s.;
- de bij H3-formulier van 7 mei 2020 toegezonden akte overlegging producties 30 en 31 van de zijde van de curator;
- de bij H12-formulier van 20 mei 2020 toegezonden productie 32 van de zijde van de curator;
- de bij H12-formulier van 29 mei 2020 toegezonden productie 33 van de zijde van de curator;
- de bij H3-formulier van 19 mei 2020 toegezonden akte overlegging producties (kostenspecificatie) met producties 16 en 17 van de zijde van FM;
- de bij H3-formulier van 29 mei 2020 toegezonden akte overlegging producties (kostenspecificatie) met producties 18 en 19 van de zijde van FM;
- de aantekeningen van de griffier van het pleidooi dat op 3 juni 2020 plaatsvond, waarbij bovengenoemde bij H-formulieren toegezonden stukken in het geding zijn gebracht;
- de pleitaantekeningen van de zijde van Converse c.s.;
- de pleitnota van de zijde van de curator;
- de pleitnota van de zijde van FM;
- de ter zitting voorgelezen en vervolgens ingediende schriftelijke verklaring van de heer [betrokkene 1] van de zijde van FM.
3.De beoordeling
“I am informed and believe that the shoes I examined and analysed were, according to the declarations and receipts attached as Exhibit B, purchased by or on behalf of Kesbo Sports BV at different retail stores in the Netherlands, and that one shoe of each pair purchased was forwarded to me by Kesbo Sports B.V. (…) for examination and analysis. (…) In conclusion, I confirm that each of the shoes I examined was not produced by or with the authorization of the Company and is therefore counterfeit.”
Vice President Legalvan Converse heeft vervolgens in maart en
affidavitsafgegeven, onder meer inhoudende: ‘
As a result of Mr. [betrokkene 3] ’s detailed examination, we have concluded that the shoes are counterfeit (…)’.
counterfeit) onder zich had. Van de 355 pallets Converse-schoenen bleken volgens Converse c.s. 161 pallets
counterfeitschoenen te bevatten. De overige schoenen waren originele schoenen. Deze schoenen (ongeveer 30.000 paar) zijn door Converse c.s. vrijgegeven. Op 15 oktober 2019 heeft [betrokkene 3] schriftelijk verklaard dat hij de schoenen op 25 en 26 mei 2009 heeft onderzocht en heeft hij aangegeven welke schoenen naar zijn mening
counterfeitzijn.
“Wij stellen vast dat de in de rapportage van 3 augustus 2009 genoemde 478.107 paar door Sporttrading ingekochte Converse-schoenen uiteindelijk afkomstig zijn van officiële Europese Converse distributeurs of een partij die anderszins handelde met instemming van of namens Converse (Brand Search International Ltd.). (…)
direct afkomstig zijn van Borol, een eveneens in de EER gevestigde onderneming;
dan wel via Pelham Sport (een aan Ressokd-Rings gelieerde onderneming) van Borol afkomstig zijn;
Borol de schoenen geleverd heeft gekregen van Infinity.
”
Converse-schoenen van buiten de EER heeft ingevoerd.”
Converse c.s. stelt immers dat de door Sporttrading c.s. verhandelde Converse schoenen counterfeit schoenen zijn die door een organisatie van ondernemingen en personen
Converse-schoenen van buiten de EER heeft ingevoerd, waarvan een deel uiteindelijk – via Ressokd Rings (Spanje) – aan Sporttrading c.s. is geleverd, en dat er geen aanwijzingen zijn dat Sporttrading c.s. wist dan wel behoorde te weten dat deze schoenen niet afkomstig waren van een officiële distributeur van Converse binnen de EER, maar van de Organisatie.”(r.o. 2.17).
Verderop overweegt de rechtbank
“naar het oordeel van de rechtbank (staat) met de vaststelling door de deskundige dat de papieren route vermoedelijk afwijkt van de fysieke route, zodat de schoenen fysiek niet afkomstig zijn uit Spanje maar uit het magazijn van Alpi in Zaandam, niet vast dat de schoenen niet door Infinity of een andere officiële distributeur via Ressokd-Rings aan Sporttrading zijn geleverd.”(r.o. 2.30). De rechtbank komt tot de slotsom
“dat Converse c.s. niet is geslaagd in het bewijs dat er sprake is (van) een Organisatie die zich bezig houdt met grootschalige fraude, in die zin dat er een organisatie is die legale goederenstromen hergebruikt om daarmee illegale goederenstromen te maskeren. Op grond van het deskundigenrapport kan niet worden vastgesteld dat de door Sporttrading c.s. verhandelde schoenen zonder toestemming (of medewerking van een licentiehouder) van Converse zijn geïmporteerd en verder binnen de EER zijn verhandeld. Dat betekent dat het beroep op de uitputtingsregel van art. 2.23 lid 3 BVIE slaagt en er geen sprake is van merkinbreuk.”(r.o. 2.32).
Tevens heeft Converse voldoende belang bij voortzetting op eigen naam, met name ook voor wat betreft de periode van vóór 6 november 2012, zoals door de curator beaamd (onderdeel 57 pleitnota hoger beroep). Voor zover de curator nog nadere verweren heeft willen voeren tegen specifieke vorderingen van Converse c.s. vanwege de intussen gebleken lastgeving zijn die - mede gezien het uitdrukkelijk bezwaar van de zijde van Converse c.s. tijdens het pleidooi - vanwege de twee-conclusie-regel te laat gevoerd en zal het hof deze buiten beschouwing laten.
Dat wel tot twee keer toe bewijsbeslag is toegestaan maakt het voorgaande niet anders: uit het bovengenoemde arrest van de Hoge Raad blijkt immers dat aan de aannemelijkheid in het kader van beoogde inzage hogere eisen mogen worden gesteld:
“(….) anderzijds dienen aan de mate van aannemelijkheid van de gestelde tekortkoming of onrechtmatige daad bij de beoordeling van een inzagevordering hogere eisen te worden gesteld dan bij de beoordeling van een verzoek tot het in beslag mogen nemen van bewijsmateriaal.”(r.o. 3.1.5). Dat betekent dat de vordering tot inzage en afgifte ex artikel 843a Rv / 1019a Rv tegen FM zal worden afgewezen.
Verder zal FM worden veroordeeld om aan Converse en/of Kesbo terug te betalen, conform haar vordering hetgeen Converse en/of Kesbo ter uitvoering van de vonnissen boven het thans vast te stellen bedrag aan proceskosten in eerste aanleg aan FM heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling.
- eerste aanleg in conventie en reconventie € 40.000,00 aan advocaatkosten en € 262,00 aan verschotten;
- hoger beroep € 40.000,00 + (25% daarvan is) € 10.000,00, dus in totaal € 50.000,00 aan advocaatkosten en € 726,00 aan verschotten.
Voor procedures die lopen op het moment van faillietverklaring geven artikel 27 en Pro 28 Fw nadere regels. Artikel 27 Fw Pro betreft door de failliet in eerste instantie aanhangig gemaakte procedures, terwijl artikel 28 Fw Pro tegen de failliet in eerste instantie ingediende vorderingen betreft die niet verifieerbaar zijn als bedoeld in artikel 26 Fw Pro. Voor verifieerbare vorderingen, die op de voet van artikel 26 Fw Pro voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben, geldt dat deze uitsluitend kunnen worden ingesteld via aanmelding ter verificatie. Lopende procedures over verifieerbare vorderingen worden op de voet van artikel 29 Fw Pro ambtshalve geschorst, nu het geding alsdan van rechtswege al is geschorst op het tijdstip van faillietverklaring.
De curator kan voorts op ieder moment de procedure overnemen en de failliet buiten het geding stellen (lid 3).
“OPROEPINGSEXPLOOT EX ARTIKEL 27 en Pro 28 FW”.
“OPROEPINGSEXPLOOT EX ARTIKEL 27 en Pro 28 FW”.
“voor de hele procedure heeft gesteld”. Verder verwijst de curator naar aan laatstgenoemde akte gehechte brieven, en voert hij nadere argumenten aan die hieronder zullen worden weergegeven en besproken, samen met het standpunt van Converse c.s. en door deze aangevoerde argumenten voor het tegendeel.
“5(..) De procedure in conventie kan de curator thans niet meer overnemen omdat hij zich niet gesteld heeft binnen de daarvoor ex artikel 28 Fw Pro bepaalde termijn.6. Het gevolg van het feit dat de curator het geding in conventie niet heeft overgenomen is dat Converse over de niet-verifieerbare vorderingen kan doorprocederen tegen de gefailleerde gedaagden. Indien in conventie een vonnis wordt uitgesproken dat voor Converse geheel dan wel gedeeltelijk gunstig is, geldt ex artikel 28 lid 4 Fw Pro jo artikel 25 lid 2 Fw Pro dat het vonnis rechtskracht ten opzichte van de boedel heeft.”
de gehele procedure in conventieop de voet van artikel 29 Fw Pro was geschorst. Vandaar het voorstel van de curator van 13 januari 2011 (productie C bij akte van Converse c.s. van 14 september 2011), als gesteund door Converse c.s. middels de brief van haar advocaat van 1 februari 2011 (productie 1 van de Akte van de curator van 14 september 2011), om de gelegenheid te krijgen zich uit te laten over een splitsing in wel en niet verifieerbare vorderingen.
In laatstgenoemde brief schrijft mr. Kroon namens Converse c.s. immers:
.Mr. Van Reek heeft u eveneens verzocht partijen de gelegenheid te bieden om zich uit te laten over de vraag welke vorderingen als verifieerbare vorderingen in de zin van art. 29 Fw Pro dienen te worden aangemerkt (die geschorst blijven) en over welke vorderingen voort geprocedeerd dient te worden.
. Wij hebben hierover reeds telefonisch overleg gepleegd met de curator.Derhalve verzoek ik u hierbij eerbiedig de zaak aan te houden en eerst een beslissing te nemen op het verzoek tot splitsing van de procedure in conventie[onderstreping hof]
. Voor het geval u niet tot aanhouding van de zaak beslist, bericht ik u hierbij dat zowel mr. Van Reek als de curator, mr. R.G.B. Hermsen,
Voorzover tijdens de faillietverklaring aanhangige rechtsvorderingen voldoening ener verbintenis uit de boedel ten doel hebben, wordt het geding na de faillietverklaring geschorst,om alleen dan voortgezet te worden[onderstreping hof]
, indien de verificatie der vordering betwist wordt. In dit geval wordt hij, die de betwisting doet, in de plaats van de gefailleerde, partij in het geding.”
Voortzetting van de procedure is - behoudens tussen alle betrokkenen gemaakte procesafspraken - dan ook eerst aan de orde indien de curator zijn eerdere betwisting (zie bijvoorbeeld artikel 112 Fw Pro) in de verificatievergadering handhaaft (zie artikel 122 jo Pro
“op dit punt”, dat wil zeggen de splitsing en de daaruit onvermijdelijk voortvloeiende mogelijke gedeeltelijke voortzetting van de procedure in conventie, een gezamenlijk standpunt te bereiken? En waarom zou anders relevant zijn dat bij gebreke van een aanhouding zowel de advocaat van de curator als de curator zelf geen bezwaar zouden hebben tegen een uitstel van 6 weken voor conclusie van repliek c.a., als niet voor Converse c.s. ook een gegeven was dat de curator zo mogelijk ook in conventie wilde voortprocederen?
Artikel 28 Fw Pro bevat – anders dan artikel 27 Fw Pro – geen uitdrukkelijke voorziening ten aanzien van het alsnog, maar dan later dan het moment waartegen de curator is opgeroepen, door de curator overnemen van de procedure.
Van Doren/Lifestylevan 8 april 2003 (C-244/00) heeft het Europees Hof van Justitie als volgt geoordeeld. Een bewijsregel op grond waarvan de uitputting van het merkrecht in principe moet worden bewezen door de derde die zich op uitputting beroept, is toegestaan. De vereisten van de bescherming van het vrije verkeer van goederen kunnen echter tot een wijziging van deze bewijsregel nopen. Wanneer de derde erin slaagt aan te tonen dat er een reëel gevaar bestaat dat de nationale markten worden afgeschermd wanneer hij uitputting moet bewijzen, moet de merkhouder aantonen dat de waren aanvankelijk door hemzelf of met zijn toestemming buiten de EER in de handel zijn gebracht. Dit is met name aan de orde wanneer de merkhouder zijn waren binnen de EER in de handel brengt door middel van een exclusief distributiesysteem. Indien dat bewijs door de merkhouder wordt geleverd, is het dan aan de derde om aan te tonen dat de merkhouder met het daarna in de handel brengen van betreffende waren binnen de EER heeft ingestemd.
“Converse-distributeurs in feite (…) bestelden wat zij maar wilden. De Converse-fabrieken in Azië produceerden vervolgens de schoenen en de Converse-distributeurs konden de schoenen binnen Europa vrij verhandelen. Infinity heeft daar gretig gebruik van gemaakt (en wellicht Sportland ook) maar door Converse werd daar (anders dan het opleggen van een incidentele boete) niet tegen opgetreden.”(conclusie van antwoord na deskundigenbericht d.d. 2 augustus 2017 onder 176) en ook dat
“Converse haar distributeurs niet onder controle had – en dat wist – maar daartegen niet daadwerkelijk optrad.”(mva 8.6.12), hetgeen op gespannen voet lijkt te staan met zijn stellingen omtrent het reële gevaar voor marktafscherming.
Uit het door de curator aangehaalde artikel 3.3. uit de licentieovereenkomst met Infinity (productie 29 bij de conclusie van dupliek in conventie c.a. van de curator d.d. 18 juli 2012) blijkt voorts door de verwijzing naar artikel 4.8 dat verkoop buiten het eigen territorium in bepaalde gevallen juist wel is toegestaan, en wel aan de aangegeven “accounts”.
Ook uit artikel 4.6 onder b) van betreffende overeenkomst blijkt deze uitzondering:
“
except as otherwise precluded in Paragraph 4.8 below, exports or causes to be exported Licensed Articles[onderstreping hof]
bearing the Converse Marks outside the Territory without prior written authorisation from Converse”. Artikel 4.8 ziet op levering en export naar Territory Pan Regional Accounts”. Uit appendix A (“Definitions”) bij dit contract blijkt wat dit zijn: “
Territory Pan Regional Accounts" shall mean pan regional accounts which are based in the Territory and have an outlet in one or moreadditional countries[onderstreping hof]
outside the Territory”.
Hoe verschillende distributeurs / licentienemers de relatie met Converse hebben ervaren – zoals blijkt uit de diverse overgelegde verklaringen – is niet beslissend. Contractuele beperkingen (in de vorm van een distributiestelsel) zijn immers tot op zekere hoogte toegestaan en uit de verklaringen blijkt slechts dat Converse in voorkomend geval haar licentienemers aan de gemaakte afspraken hield. Van volledige marktafscherming door middel van het merkenrecht blijkt daardoor niet.
“To avoid the client thinking that goods are coming from Holland, CMR should be issued from: Infinity…(Hungary)”. Converse c.s. heeft uitgebreid uiteengezet en met stukken onderbouwd dat de geld-goederenbeweging die HLB stelt te hebben vastgesteld (van Hongarije naar Spanje, en uiteindelijk naar Nederland) voor de hier besproken zendingen niet overeenkomt met de beweging van de goederen, namelijk van Singapore naar Hamburg/Talinn, vervolgens naar Alpi in Zaandam en daarna naar Sporttrading. Alpi heeft tijdens de zitting in een procedure die Converse c.s. tegen haar voert, verklaard dat een werkwijze waarbij
“de schoenen op papier in Spanje (werden) ingeklaard” “er helaas als standaard is ingeslopen” (proces-verbaal 18 oktober 2013, productie 70 bij antwoordconclusie na tussenvonnis van Converse c.s. d.d. 13 november 2013).
the wholeline”, zijn deze kennelijk niet verstrekt. Ze zijn in ieder geval nimmer overgelegd. De enige facturen van Infinity die in het dossier voorkomen, blijken vals te zijn.
Hierbij zal het hof het systeem dat de Faillissementswet bevat aangaande verificatie, waaronder bijvoorbeeld de waardering van (mogelijke) toekomstige vorderingen (vergelijk artikelen 130, 131 en 133 Fw), betrekken.
Hierbij geldt tevens dat materiële verschuldigdheden van vóór datum faillissement in beginsel schulden van de gefailleerde zijn en derhalve onder artikel 26 jo Pro 29 Fw vallen, dit alles conform de gelijkheid van schuldeisers (de zogenaamde paritas creditorum).
Vereffening van de boedel (Wessels Insolventierecht nr. VII), Kluwer 2013, par. 7094d (p. 60) bij HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108 (Koot Beheer/Tideman q.q.), waar hij opmerkt:
”
daarom geen zelfstandige betekenis’. Dat is hier anders: mede in het kader van de reconventie heeft deze conventionele vordering wel degelijk zelfstandige betekenis. De procedure is ten aanzien van deze vordering dus niet geschorst. De vordering als zodanig zal hierna apart worden beoordeeld.
Bestuursdwang, bestuurlijke dwangsom en bestuurlijke boete bij faillissement, Tijdschrift voor Insolventierecht 2008/40 onderdeel 4). De kosten laten zich op voorhand schatten en indienen ter verificatie op de voet van artikelen 130, 131 en 133 Fw, dan wel concreet bepalen aan de hand van de daadwerkelijk gemaakte kosten. Deze vorderingen zijn derhalve van rechtswege geschorst (zie in gelijke zin Verschuur & Rumora-Scheltema, IER 2012/40).
Het verweer is dus te laat gevoerd en dient buiten beschouwing te blijven. Voor ambtshalve toetsing bestaat op dit punt geen aanleiding.
dient te worden overgegaan tot nadere vaststelling van c.q. onderzoek naar de kwade trouw”. Dat kan in haar visie het beste geschieden nadat opgave is gedaan (vordering sub III) en inzage is verkregen (V) (punt 7.3 conclusie na deskundigenbericht).
De curator heeft bij memorie van antwoord naar voren gebracht dat, als er al inbreuk is gemaakt, dat komt doordat Sporttrading c.s. slachtoffer is geworden van de frauderende organisatie. Hij heeft er ook op gewezen dat Converse c.s. de gestelde kwade trouw op geen enkele wijze heeft onderbouwd. In haar pleidooi is Converse c.s. opnieuw niet inhoudelijk op de gestelde kwade trouw ingegaan. Deze vordering zal bij gebrek aan onderbouwing worden afgewezen.
Asser Procesrecht/Boonekamp6 2020/220 en naar de conclusie van AG Vranken bij HR 23 februari 1996 (art. 81 RO Pro), ECLI:NL:PHR:1996:AD2496 (inzake DKHB-KIVO).
‘Veroordeling tot opgave (vordering III), afgifte van de schoenen (vordering sub IV) en gedogen van inzage (vordering sub V)’. Daarmee is het belang van Converse c.s. bij deze vordering komen te vervallen, zoals Converse c.s. ook in haar pleitnota heeft onderkend.
Converse c.s. heeft deze gewenste hoofdelijke veroordeling niet nader onderbouwd. Converse c.s. is de onderhavige procedure tegen de diverse vennootschappen individueel maar in één dagvaarding begonnen, hetgeen ertoe heeft geleid dat zij gezamenlijk verweer hebben gevoerd. De gevorderde hoofdelijkheid zal dan ook worden afgewezen, al zal wel de curator in zijn hoedanigheid steeds worden veroordeeld met betrekking tot de respectieve failliete vennootschap.
Converse c.s. heeft de door haar gemaakte proceskosten gespecificeerd. De gevorderde proceskosten in eerste aanleg bedragen € 771,093,56, waarvan € 384.362,26 advocaatkosten, € 157.337,28 opslagkosten, € 52.865,15 kosten beslag en gerechtelijke bewaring, € 19.981,52 kosten verschotten en € 154.000,00 kosten expert. Voor het hoger beroep bedragen de kosten volgens de opgave van Converse c.s. € 197.691,60 aan advocaatkosten, € 37.826,04 aan opslagkosten en € 3.039,61 aan verschotten. Het totaal in eerste aanleg en hoger beroep bedraagt € 1.009.650,81.
4.De uitspraak
- de vorderingen van Converse c.s. sub VII-oud en sub VIII-oud als bedoeld in overweging 3.116;
- de vorderingen betrekking hebbend op kosten in het kader van de vorderingen sub III, IV en V, als bedoeld in overwegingen 3.122 - 3.124;
- vordering sub VI als bedoeld in overwegingen 3.125 - 3.127;
- de vorderingen van Converse c.s. sub VII-oud en sub VIII-oud als bedoeld in overweging 3.116;
- de vorderingen betrekking hebbend op kosten in het kader van de vorderingen sub III, IV en V, als bedoeld in overwegingen 3.122 - 3.124;
- vordering sub VI als bedoeld in overwegingen 3.125 - 3.127;