ECLI:NL:HR:2013:BY4558
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling procespositie gefailleerde bij door curator voortgezet geding inzake schikking
In deze zaak gaat het om de procespositie van een gefailleerde in een procedure die door de curator is voortgezet op grond van artikel 28 lid 2 van Pro de Faillissementswet (Fw). De curator had namens de boedel hoger beroep ingesteld tegen een vonnis waarin de gefailleerde aansprakelijk werd gehouden voor een tekort in het faillissement van een vennootschap waarvan hij bestuurder was.
De curator verzocht vervolgens de rechter-commissaris om toestemming tot het aangaan van een schikking met de tegenpartij. De gefailleerde stelde zich op het standpunt dat hij als belanghebbende in de zin van artikel 67 Fw Pro tegen deze beschikking hoger beroep kon instellen. De rechtbank verklaarde het hoger beroep van de gefailleerde echter niet-ontvankelijk, omdat hij niet als partij kon worden aangemerkt.
De Hoge Raad bevestigt dat in een door de curator voortgezet geding dat gericht is op voldoening van een verbintenis uit de boedel, de curator de positie van de gefailleerde als partij overneemt. De procedure wordt dan voortgezet met het belang van de boedel als inzet, niet het belang van de gefailleerde. Dit betekent dat de gefailleerde buiten het geding komt te staan en niet als partij kan optreden tegen besluiten van de rechter-commissaris in die procedure.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee dat het hoger beroep van de gefailleerde tegen de beschikking van de rechter-commissaris niet-ontvankelijk is. Dit sluit aan bij de doelstelling van de Faillissementswet om de belangen van de boedel centraal te stellen in door de curator voortgezette procedures.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de gefailleerde niet als partij kan optreden in door de curator voortgezette procedures, waardoor zijn hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard.