Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2014:675

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 maart 2014
Publicatiedatum
20 maart 2014
Zaaknummer
13/01510
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 lid 2 FwArt. 27 FwArt. 28 FwArt. 29 FwArt. 30 lid 1 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt schorsing cassatieprocedure na faillissement partij

In deze zaak heeft eiseres cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Leeuwarden. Tijdens de procedure werd SRC-Cultuurvakanties B.V. failliet verklaard. Eiseres verzocht de cassatieprocedure te schorsen op grond van artikel 28 Faillissementswet Pro om de curatoren in het geding te kunnen roepen.

De Hoge Raad overwoog dat de procedure op grond van artikel 29 Faillissementswet Pro van rechtswege geschorst is voor vorderingen die zien op voldoening van verbintenissen uit de boedel. Voor vorderingen tot verklaring voor recht en gebod, zoals in deze zaak, is de schorsing afhankelijk van de mate waarin de procedure aan invloed van partijen is onttrokken. Omdat de datum van arrest nog niet was bepaald en partijen nog schriftelijk konden reageren op de conclusie van de Procureur-Generaal, was de procedure nog niet aan invloed van partijen onttrokken.

De Hoge Raad oordeelde dat de vorderingen tot verklaring voor recht en gebod geen zelfstandige betekenis hadden naast de vorderingen tot voldoening van verbintenissen uit de boedel. Daarom is de procedure ook voor deze vorderingen van rechtswege geschorst. Het verzoek tot schorsing op grond van artikel 28 Faillissementswet Pro werd afgewezen. De cassatieprocedure is aldus geschorst.

Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2014.

Uitkomst: De cassatieprocedure is geschorst op grond van de Faillissementswet na faillietverklaring van SRC.

Uitspraak

21 maart 2014
Eerste Kamer
13/01510
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. S.F. Sagel,
t e g e n
SRC-CULTUURVAKANTIES B.V.,
gevestigd te Groningen,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en SRC.

1.Procesgang

[eiseres] heeft op 18 maart 2013 cassatieberoep ingesteld tegen een arrest gewezen op 18 december 2012 door het gerechtshof Leeuwarden tussen haar als appellante in het principale appel, tevens geïntimeerde in het incidentele appel, en SRC-Cultuurvakanties B.V. (SRC) als geïntimeerde in het principale appel, tevens appellante in het incidentele appel.
SRC is in cassatie niet verschenen; tegen haar is op 17 mei 2013 verstek verleend.
[eiseres] heeft ter rolzitting van 13 september 2013 stukken gefourneerd en arrest gevraagd.
Ter rolzitting van 11 oktober 2013 is bepaald dat de Procureur-Generaal op 24 januari 2014 in deze zaak zal concluderen.
Bij brief van 19 november 2013 is namens [eiseres] aan de Hoge Raad verzocht (i) het geding te schorsen en (ii) een termijn te bepalen waarbinnen zij de curatoren van SRC in het geding kan roepen. Bij deze brief is een kopie van het vonnis van de rechtbank Overijssel van 25 september 2013 overgelegd. In dit vonnis is SRC failliet verklaard.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot afwijzing van het verzoek.
De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 24 januari 2014 op die conclusie gereageerd.

2.Verzoek om schorsing teneinde de curatoren in het geding te roepen

2.1
[eiseres] heeft in deze procedure het volgende gevorderd:
(i) een verklaring voor recht dat tussen haar en SRC een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bestaat;
(ii) veroordeling van SRC tot betaling van achterstallig salaris;
(iii) veroordeling van SRC om [eiseres] een nieuwe oproepovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden dan wel voor bepaalde tijd met garantie na elk nieuw reisseizoen een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan te bieden;
(iv) veroordeling van SRC tot betaling van salaris conform de cao voor de reisbranche, over het reisseizoen 2007 totdat de arbeidsverhouding rechtsgeldig zal zijn beëindigd dan wel van schadevergoeding ter grootte van dit salaris;
(v) veroordeling van SRC tot betaling van immateriële schadevergoeding van € 15.000,--.
2.2
Aan het verzoek om schorsing is het volgende ten grondslag gelegd.
[eiseres] stelt dat de vorderingen (i) en (iii) tijdens de faillietverklaring aanhangige vorderingen zijn in de zin van art. 28 Fw Pro. Zij verzoekt daarom dat de cassatieprocedure ten aanzien van deze vorderingen op de voet van art. 28 lid 1 Fw Pro wordt geschorst opdat zij de curatoren in het geding kan roepen.
Geen schorsing wordt verzocht ten aanzien van de vorderingen (ii), (iv) en (v). Deze strekken tot voldoening van een verbintenis uit de boedel. Daarom is het geding in zoverre op de voet van art. 29 Fw Pro van rechtswege geschorst door het faillissement van SRC.

3.Beoordeling van het verzoek

3.1
In de hiervoor in 1 vermelde brief van 19 november 2013 worden voor het verzoek tot schorsing van het geding in cassatie twee gronden aangevoerd.
De eerste grond is dat art. 30 lid 1 Fw Pro niet in de weg staat aan toepassing van de art. 28 en Pro 29 Fw, aangezien art. 225 lid 4 Rv Pro bepaalt dat schorsing van het geding niet meer kan plaatsvinden nadat de datum is bepaald waarop het vonnis (of arrest) zal worden uitgesproken. In het onderhavige geval is die datum nog niet bepaald.
De tweede grond is dat partijen op de voet van art. 44 lid 3 Rv Pro nog schriftelijk mogen reageren op de conclusie van de Procureur-Generaal. Omdat de beslissing van de Hoge Raad door deze reactie kan worden beïnvloed, brengt de strekking van art. 30 Fw Pro mee dat art. 25 lid 2 Fw Pro en de art. 27-29 Fw niet van toepassing zijn indien de faillietverklaring plaatsvindt nadat de datum is bepaald waarop het vonnis of arrest zal worden uitgesproken, welke datumbepaling in de onderhavige cassatieprocedure nog niet is geschied.
3.2
Art. 30 Fw Pro bepaalt dat de art. 27-29 en art. 25 lid 2 Fw Pro niet toepasselijk zijn indien vóór de faillietverklaring de stukken van het geding tot het geven van een beslissing aan de rechter zijn overgelegd. Het verzoek stelt de vraag aan de orde hoe deze bepaling moet worden uitgelegd. Bij de beoordeling van het verzoek wordt het volgende vooropgesteld.
3.3.1
Art. 30 Fw Pro maakt deel uit van bepalingen in de Faillissementswet over de gevolgen van faillietverklaring voor gedingen die aanhangig zijn ten tijde van het faillissement van een procespartij. Het artikel moet worden uitgelegd tegen de achtergrond dat proces-handelingen die in een civiele procedure zijn verricht door de schuldenaar vóór diens faillissement, de boedel binden. Na de faillietverklaring kan de gefailleerde echter niet de boedel binden door proceshandelingen te verrichten. Hieruit volgt dat er geen reden is de beslissing van het geding aan te houden indien het geding zover is gevorderd dat "de processtof verder aan elke inwerking van partijen [is] onttrokken" (Van der Feltz I, p. 389). Voor dat geval bepaalt art. 30 Fw Pro dan ook dat de art. 25 lid 2 en Pro 27-29 Fw niet toepasselijk zijn.
3.3.2
Op de voet van art. 44 lid 3 Rv Pro kunnen partijen in cassatie, binnen twee weken nadat de conclusie door de Procureur-Generaal is genomen dan wel een afschrift daarvan aan partijen is verzonden, hun schriftelijk commentaar daarop aan de Hoge Raad doen toekomen.
De ratio hiervan is dat partijen gezien het beginsel van hoor en wederhoor (art. 19 Rv Pro) moeten kunnen reageren op een conclusie van de Procureur-Generaal, aangezien die conclusie in de oordeelsvorming van de Hoge Raad wordt betrokken (vgl. EHRM 30 oktober 1991, ECLI:NL:XX:1991:AD1521, NJ 1992/73, Borgers/België; EHRM 20 februari 1996, rov. 33, Reports 1996-I, p. 224 e.v., Vermeulen/België).
3.3.3
De reactie op de conclusie moet beknopt zijn.
In die reactie is geen plaats voor debat door partijen. Nieuwe stellingen en producties zijn niet toelaatbaar. Een meer uitvoerige reactie is echter mogelijk ingeval de conclusie daartoe aanleiding geeft. (Vgl. HR 22 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3299, NJ 2008/123 en HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162.) Omdat de reactie op de conclusie van invloed kan zijn op de beslissing van de Hoge Raad, is het geding niet aan de invloed van partijen onttrokken tot aan het verstrijken van de termijn voor het indienen van die reactie.
3.4
In het onderhavige geval zijn op 13 september 2013 stukken gefourneerd voor arrest en is op de rol van 11 oktober 2013 de datum voor conclusie van de Procureur-Generaal bepaald op 24 januari 2014. Hieruit volgt dat op 25 september 2013, de faillissementsdatum, het geding nog niet aan de invloed van partijen was onttrokken in de hiervoor in 3.3.1-3.3.3 vermelde zin. Daarom is art. 30 lid 1 Fw Pro nog niet van toepassing.
3.5.1
Aldus stelt het verzoek de vraag aan de orde of het geding ten aanzien van de hiervoor in 2.1 vermelde vorderingen (i) en (iii) op de voet van art. 28 Fw Pro dient te worden geschorst om [eiseres] in staat te stellen de curatoren in het geding te roepen.
3.5.2
De vorderingen (i) en (iii) strekken tot verkrijging van een verklaring voor recht en een gebod, die erop neerkomen dat wordt vastgesteld dat de arbeidsrelatie tussen [eiseres] en SRC steeds heeft voortgeduurd, althans voor elk nieuw reisseizoen telkens opnieuw had moeten worden aangegaan. Niet blijkt dat [eiseres] bij deze vorderingen een ander belang heeft dan dat haar vorderingen (ii) en (iv), die voldoening van verbintenissen uit de boedel ten doel hebben, toewijsbaar zijn. Voor de toepassing van de art. 25 lid 2 Fw Pro en 27-29 Fw hebben de vorderingen (i) en (iii) naast de vorderingen (ii) en (iv) daarom geen zelfstandige betekenis. Dit brengt mee dat de procedure ook voor zover het de vorderingen (i) en (iii) betreft, door het faillissement van SRC van rechtswege is geschorst.
Het verzoek is dus niet toewijsbaar.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verstaat dat het geding in cassatie is geschorst.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, C.E. Drion, G. Snijders en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
21 maart 2014.