Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1] ,gevestigd te [vestigingsplaats] , Duitsland,
[appellant 2],
wonende te [woonplaats] , Duitsland,
1.Bureau Beheer Landbouwgronden,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
Provincie Limburg,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
5.Het verloop van de procedure
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- productie 42, die [appellant] bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.
6.De beoordeling
Ook voor het overige kan het hof [appellant] niet volgen in haar betoog dat hier beide genoemde artikelen analoog dienen te worden toegepast. De inhoud van de maatstaf voor een schending van artikel 4 lid 3 VEU Pro jo. artikel 102 VWEU Pro is vaste rechtspraak, namelijk dat sprake moet zijn van opleggen, begunstigen of versterken door de overheid van misbruik van een economische machtspositie door een onderneming (6.6.8). Voor een schending van artikel 106 VWEU Pro jo. artikel 102 VWEU Pro ten opzichte van artikel 4 lid 3 VEU Pro jo. artikel 102 VWEU Pro geldt een lichtere drempel in die zin dat het doen ontstaan van een risico op misbruik van machtspositie voldoende kan zijn. Bij de toepassing van artikel 106 VWEU Pro gaat het immers om de verlening van bijzondere of exclusieve rechten aan ondernemingen. Daarbij zal door de aard van die rechten het risico op het ontstaan van een economische machtspositie en misbruik daarvan in de regel eerder aan de orde zijn dan bij overheidsmaatregelen waarbij dergelijke rechten niet worden verleend, zoals bij de verkoop van een enkel vermogensbestanddeel. Gelet op het voorgaande kan er in de onderhavige kwestie geen sprake zijn van analoge toepassing van de maatstaf uit artikel 106 VWEU Pro jo. artikel 102 VWEU Pro.
€ 3.222,-