Conclusie
(hierna: [eiseres 1] )
(hierna: de Provincie c.s.)
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Manfredi [8] en
Eco Swiss [9] – dat het hof terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat art. 102 VWEU Pro van openbare orde is en klaagt zij erover dat het hof ten onrechte deze bepaling niet ambtshalve heeft toegepast.
Manfredioverwoog het HvJ EG in dit verband voor het eerst expliciet, in een wat weggestopte overweging ten overvloede, als volgt: [10]
31. Voor het overige zij eraan herinnerd dat de artikelen 81 EG en 82 EG [thans art. 101 en Pro 102 VWEU, A-G
] bepalingen van openbare orde zijn die door de nationale rechter ambtshalve moeten worden toegepast (zie in die zin arrest van 1 juni 1999, Eco Swiss, C-126/97, Jurispr. blz. I-3055, punten 39 en 40).”
Eco Swiss-arrest [11] uit 1999 waarnaar het HvJ EG hier verwijst, stond de vraag centraal of de Nederlandse rechter een arbitraal vonnis moet vernietigen wegens strijd met de openbare orde (ex art. 1056 lid 1 sub e Rv Pro), indien dat vonnis in strijd is met het kartelverbod terwijl partijen daarop geen beroep hebben gedaan in de arbitrageprocedure. Het HvJ EG oordeelde dat art. 81 EG Pro een fundamentele bepaling vormt, die onontbeerlijk is voor de werking van de interne markt. Daaruit volgt dat wanneer een nationale rechter volgens de regels van zijn nationale procesrecht een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis moet toewijzen op grond van strijd met nationale regels van openbare orde, hij dat ook moet doen ingeval een dergelijke vordering is gebaseerd op schending van het in art. 81 EG Pro neergelegde verbod. [12] De Hoge Raad oordeelde vervolgens dat art. 81 EG Pro voor de toepassing van art. 1056 lid 1 sub e Rv Pro moet worden aangemerkt als een bepaling van openbare orde. [13]
T-Mobile [14] heeft het HvJ EG, onder verwijzing naar de hiervoor geciteerde rov. 31 uit
Manfredi, herhaald dat art. 81 EG Pro (thans 101 VWEU) – in de context van het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden – een bepaling van openbare orde is, die door de nationale rechter ambtshalve moet worden toegepast. Aangenomen moet worden dat dit ook geldt voor art. 102 VWEU Pro. [15]
buitende grenzen van de rechtsstrijd zou moeten gebeuren is onzeker, [16] maar dat is niet van belang voor de onderhavige zaak. In deze zaak leidt het immers geen enkele twijfel dat de rechtsstrijd het mogelijke marktmisbruik omvat en dat [eiseres 1] in de procedure expliciet een beroep heeft gedaan op art. 102 VWEU Pro.
in finemoet worden afgeleid dat het hof de door haar bepleite ambtshalve toetsing van art. 102 VWEU Pro afwijst.
In dit geval heeft [eiseres 1] in elk geval in hoger beroep nu juist wél een beroep gedaan op schending van artikel 102 VWEU Pro, en heeft het hof aan deze bepaling getoetst.”
Anders dan [eiseres 1] lijkt te stellen, ontslaat het feit dat deze bepaling van openbare orde is haar niet van de verplichting om de gestelde schending adequaat te onderbouwen met de relevante (economische) feiten en omstandigheden, waaronder een zorgvuldig afgebakende relevante markt. Aan die stelplicht heeft [eiseres 1] niet voldaan.”
in finemoet worden afgeleid dat het hof de door haar bepleite ambtshalve toetsing van art. 102 VWEU Pro afwijst, berust dat dus op een onjuiste lezing van deze rechtsoverweging.
Van Schijndel, [17] heeft miskend dat in dat arrest (nog) geen rekening is gehouden met het openbare orde-karakter van artt. 101 en 102 VWEU. Hieruit leidt [eiseres 1] af dat de uitleg die het hof in rov. 6.6.21 geeft aan het
Van Schijndel-arrest, geen
acte clairof
acte éclairéis. Gelet hierop had het hof de vraag naar de verplichting tot ambtshalve toetsing aan art. 102 VWEU Pro aan het HvJ EU moeten voorleggen. Althans, de Hoge Raad zal deze vraag alsnog aan het HvJ EU moeten voorleggen.
heeft[eiseres 1] immers een beroep gedaan op schending van art. 102 VWEU Pro. Daarmee heeft [eiseres 1] geen belang bij het stellen van de vraag of er een verplichting is tot het ambtshalve toetsen aan art. 102 VWEU Pro. De beantwoording van die vraag is ook niet relevant voor de beslissing van het geschil tussen [eiseres 1] en de Provincie c.s. [18]
heeftimmers een beroep gedaan op art. 102 VWEU Pro, zodat er voor het hof op dit punt geen rechtsgronden konden worden aangevuld.
subonderdeel 1.4is het oordeel van het hof in rov. 6.6.21, voor zover het daarin aanneemt dat [eiseres 1] nu juist wél een beroep heeft gedaan op toepassing van art. 102 VWEU Pro, inconsistent althans onlogisch. Dit omdat dat oordeel ertoe zou leiden dat een partij die niets heeft gesteld, beter af is dan een partij die zoveel als mogelijk heeft gesteld. In het eerste geval zou de rechter op grond van de ambtshalve toetsing zelf een onderzoek naar de schending van artikel 102 VWEU Pro instellen, en in het tweede geval niet.
heeftgedaan (zie ook onder 3.10).
partijendie het debat over de mogelijke schending moeten voeren. [22]
ANVR/IATA [23] overweegt het hof dat degene die zich op het standpunt stelt dat een ander in strijd met het mededingingsrecht handelt, dit dient te onderbouwen met de relevante (economische) feiten en omstandigheden, opdat een voldoende adequaat en gefundeerd (economisch) partijdebat en daaropvolgend rechterlijk oordeel mogelijk worden gemaakt.
subonderdeel 2.2wordt geklaagd dat het hof niet had mogen volstaan met het toetsen van de stellingen van [eiseres 1] aan de maatstaf van
ANVR/IATA(anders dan [eiseres 1] zou ik niet willen spreken over ‘
de bewijsstandaard’ van
ANVR/IATA), maar had het zo nodig ambtshalve moeten vaststellen of sprake is van een schending van art. 102 VWEU Pro, en/althans had het daartoe – mede gebruikmakend van het bewijsaanbod van [eiseres 1] en haar aanbod tot actualisering van het door haar overgelegde KPMG-rapport [24] – moeten vaststellen of [A] als gevolg van de openbare verkoop van het landgoed een economische machtspositie zal verwerven, aldus [eiseres 1] .
In alle nationale of communautaire procedures tot toepassing van artikel 81 of Pro artikel 82 van Pro het Verdrag dient de partij of autoriteit die beweert dat een inbreuk op artikel 81, lid 1, of artikel 82 van Pro het Verdrag is gepleegd, de bewijslast van die inbreuk te dragen. De onderneming of ondernemersvereniging die zich op artikel 81, lid 3, van het Verdrag beroept, dient daarentegen de bewijslast te dragen dat aan de voorwaarden van deze bepaling is voldaan.”
ANVR/IATAuitgelaten over onder meer stelplicht en bewijslast in geval van een vermeende overtreding van het kartelverbod (art. 101 VWEU Pro) en het marktmisbruikverbod (art. 102 VWEU Pro). De Hoge Raad overwoog het volgende: [26]
Algemene vooropstellingen mededingingsrecht
ANVR/IATAgeformuleerde uitgangspunten nog steeds gelden. [28]
ANVR/IATAin rov. 3.6.1 gegeven maatstaf niet alleen geldt als een partij stelt dat een inbreuk op art. 101 of Pro 102 VWEU is gepleegd, maar ook als gesteld wordt – zoals in de onderhavige zaak – dat sprake is van
toekomstigmarktmisbruik. Voor zover het subonderdeel zo gelezen moet worden dat de maatstaf van
ANVR/IATAin dit geval niet geldt, faalt het dan ook.
subonderdeel 2.3zou niet zijn voldaan aan de in de rechtspraak ontwikkelde criteria voor het passeren van het bewijsaanbod van [eiseres 1] . [eiseres 1] wijst erop dat de rechter mede in verband met de eisen van een goede procesorde zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert.
Bewijsaanbod
138. [eisers] biedt in aanvulling op de reeds overgelegde producties, voor het geval zij nader bewijs dient te leveren, uitdrukkelijk bewijs aan, te leveren door alle middelen rechtens, in het bijzonder door het horen van onder andere de navolgende personen als getuigen onder ede:
[betrokkene 3] ;
[betrokkene 4] ;
[betrokkene 5] ;
[betrokkene 6] ;
[betrokkene 7] ;
[betrokkene 8] ;
23. Bovendien is [eiseres 1] niet in staat om ofwel zelfstandig dan wel in consortium met andere geïnteresseerden een bod uit te brengen op het landgoed zoals de Provincie voornemens is dat aan te bieden (i.e. in één geheel). Zo zal [eiseres 1] vanwege de in absolute zin beperkte omvang van haar onderneming (circa 50 werknemers) niet over de benodigde financiering kunnen beschikken om in het kader van een openbare biedprocedure zelfstandig een bod uit te brengen op het gehele landgoed en zal [eiseres 1] een onaanvaardbaar resp. onverantwoord financieel risico lopen ingeval zij in consortium met andere geïnteresseerden een dergelijk bod zal uitbrengen. Ingeval [eiseres 1] al in staat zou zijn een geschikte consortiumpartner te vinden en in consortium een bod zou kunnen uitbrengen, zal de Provincie van de consortiumpartners zoals te doen gebruikelijk is hoofdelijke aansprakelijkheid verlangen. [32] ”
51. Daarnaast wijs ik erop dat het verwijt van de Provincie aan het adres van [eiseres 1] geen doel treft, gelet op al hetgeen [eiseres 1] heeft aangevoerd, in het geding heeft gebracht en de concrete wijze waarop [eiseres 1] veelvuldig heeft aangeboden zo nodig nader bewijs te willen leveren. Hierbij dient te worden bedacht dat de rechtbank in eerste aanleg zonder nadere motiveringallebewijsaanboden van [eiseres 1] heeft gepasseerd. Dit terwijl tal van bewijsmiddelen en bewijsaanboden nu juist betrekking hebben op economische feiten en omstandigheden die volgens de Provincie relevant zijn in het kader het partijdebat, zoals:
de structuur en kenmerken van de (Europese) markt voor sportgraszoden;
de positie van [eiseres 1] en [A] op die markt; en
de gevolgen van de door de Provincie beoogde wijze van verkoop van het landgoed voor die markt. [33]
106. Ten onrechte passeert de Rechtbank het door [eiseres 1] aangeboden bewijs zonder de daaraan ten grondslag liggende redenen in het Vonnis te vermelden.”
welkbewijsaanbod nu precies om
welke redenenten onrechte is gepasseerd. Reeds daarop strandt de klacht van het subonderdeel.
specifiekbetrekking op de tekortkomingen die het hof constateert in de stellingen van [eiseres 1] , [34] namelijk (kort gezegd):
om het KPMG-rapport te actualiseren’ is op te merken dat de door het hof gesignaleerde tekortkomingen in de stellingen van [eiseres 1] geen betrekking hebben op het niet actueel zijn van het KPMG-rapport. Daarmee was dit aanbod niet relevant voor ’s hofs beoordeling.
ANVR/IATA-arrest (zie hiervoor onder 3.30).
relevante productmarktomvat alle producten en/of diensten die op grond van hun kenmerken, hun prijzen en het gebruik waarvoor zij zijn bestemd, door de consument als onderling verwisselbaar of substitueerbaar worden beschouwd. [36]
relevante geografische marktis het gebied waarbinnen de betrokken ondernemingen een rol spelen in de vraag naar en het aanbod van goederen of diensten, waarbinnen de concurrentievoorwaarden voldoende homogeen zijn en dat van aangrenzende gebieden kan worden onderscheiden doordat daar duidelijk afwijkende concurrentievoorwaarden heersen. [37]
‘the comparability of natural to artificial and hybrid turn is only limited due to legal, economical and quality reasons’, terwijl het hof anderzijds uit het rapport afleidt dat er reeds een aanzienlijk aantal clubs is overgestapt op hybride of kunstgras, wat suggereert dat dergelijke substitueerbaarheid wél bestaat. In de door [eiseres 1] aangehaalde passages is hierover niet iets (anders) te lezen.
3.23 Ook onderbouwt het rapport niet duidelijk waarom kunstgras geen substituut is voor natuurgras. Dit is te meer opmerkelijk omdat KPMG de Duitse profvoetbaldivisies (waar kunstgras verboden is) en de Nederlandse eredivisie (waar kunst- en natuurgras naast elkaar zijn toegestaan) toch tot één markt rekent. Het door de Duitse voetbalbond gestelde kunstgrasverbod, lijkt eerder te wijzen op het bestaan van één afzonderlijke markt die tot Duitsland beperkt is (…).”
5.2.21 Ten eerste heeft [eiseres 1] de relevante markt niet afgebakend, noch heeft zij voldoende (feitelijk) inzicht gegeven in het functioneren van de relevante markt. (…)
natuurlijkesportgraszoden). [40]
3.24 Verder is onduidelijk waarom andere landen niet tot de relevante markt behoren. (…) Dit wekt verbazing omdat zowel [eiseres 1] als [A] aan voetbalclubs in heel Europa leveren. (…) De algemene opmerking dat “[het] dan ook economisch niet haalbaar [is] voor voetbalteams om het gras te kopen van een leverancier wiens landbouwgrond ver weg ligt van het veld”, wordt niet alleen niet onderbouwd, maar is dus ook in tegenspraak met de economische werkelijkheid.
La Roche-uitspraak van het HvJ EG. [41]
La Roche-uitspraak waarnaar [eiseres 1] verwijst. De strekking van het oordeel van het hof in rov. 6.6.13 is immers dat het KPMG-rapport niet duidelijk is (want: niet eenduidig) en dat [eiseres 1] daarom zijn stellingname op het punt van de afbakening van de relevante markt onvoldoende heeft onderbouwd (zie onder 3.57).
in fineoordeelt het hof dat [eiseres 1] ’s stellingen en onderbouwing van de afbakening van de geografische markt tekortschieten.
eerste plaatsniet duidelijk is wat volgens [eiseres 1] de precieze omvang van de relevante geografische markt is. [eiseres 1] maakt niet duidelijk uit welke landen en/of clubs de door haar aangeduide “Europese markt” en het daarvan deel uitmakende Europese topsegment en West-Europese subsegment precies bestaan. Het KPMG-rapport gaat uit van een markt die bestaat uit Duitsland en Nederland, dat wil zeggen de Duitse Bundesliga, 2e Bundesliga en een selectie van clubs uit de Nederlandse Eredivisie. Het hof overweegt dat het KPMG-rapport in zoverre wel duidelijk is, maar dus niet aansluit bij de eigen stellingen van [eiseres 1] .
tweede plaatseen deugdelijke substitutieanalyse ontbreekt. Het hof leidt uit de stellingen van [eiseres 1] af dat [eiseres 1] de gestelde economische machtspositie na verkoop van het land kennelijk baseert op een markt die bestaat uit Duitsland en Nederland. Het hof overweegt dat het niet duidelijk is waarom de concurrentievoorwaarden in Nederland en Duitsland zodanig homogeen zijn en tegelijkertijd zodanig afwijken van andere landen, dat Nederland en Duitsland als één afzonderlijke markt afgebakend zouden moeten worden. Zo is bijvoorbeeld niet duidelijk waarom België, Frankrijk en Spanje niet tot de relevante markt behoren, aangezien [eiseres 1] ook daar klanten bedient met gras dat op het landgoed is geteeld. Daarbij dringt zich ook de vraag op waarom de overige leveranciers die in deze landen actief zijn geen reëel alternatief zouden zijn voor de clubs in Nederland en Duitsland, en zij dus niet moeten worden meegenomen bij het bepalen van de marktaandelen.
in de tweede plaatsde stellingen en onderbouwingen van [eiseres 1] ten aanzien van de relevante geografische markt tekortschieten. Nu het eerste gedeelte van rov. 6.6.15 zelfstandig de beslissing van het hof kan dragen en in cassatie onbestreden is, strandt deze motiveringsklacht reeds op gebrek aan belang.
nietwordt het standpunt ingenomen dat de relevante geografische markt zou bestaan uit Nederland, Duitsland, België en Luxemburg. Dat standpunt is ook niet te lezen in de pleitnota in hoger beroep (onder 20 en 21); daar wordt gesproken over de ‘Europese markt voor sportgraszoden’.
onderdeel 3hebben betrekking op het misbruik van de economische machtspositie en het risico daarop, alsmede op de bijbehorende ‘bewijsstandaard’. Het onderdeel richt zich met name tegen rov. 6.6.17.
risicovan misbruik van een machtspositie doen ontstaan, en daarmee de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar
kunnenbrengen.
Daarmee kan de klacht niet slagen.
DEI-arrest [43] heeft verworpen, het hof heeft miskend dat het de toepasbaarheid van (de strekking) van het
DEI-arrest niet kon afwijzen zonder een vraag over de toepasbaarheid in de onderhavige situatie aan het HvJ EU voor te leggen. Blijkens rov. 6.6.22 miskent het hof dat die vraag geen
acte clairof
acte éclairéis. Het hof had dus de vraag of een overheidshandeling (ook) in strijd kan zijn met artt. 4 lid 3 VEU jo. 102 VWEU als die handeling een risico creëert op een toekomstig misbruik van economische machtspositie (analoge toepassing van de maatstaf die wordt aangelegd bij toepassing van artt. 106 VWEU jo. 102 VWEU) aan het HvJ EU moeten voorleggen alvorens jegens [eiseres 1] de te zware bewijsstandaard van het aantonen van misbruik te hanteren, en/althans zal in elk geval de Hoge Raad deze vraag aan het HvJ EU dienen voor te leggen.