ECLI:NL:GHDHA:2026:328
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- P.C. van den Brink
- P.J.J. Vonk
- C. Maas
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning na bezwaar en hoger beroep wegens onvoldoende onderbouwing lagere waarde
De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een hoekwoning in Westland voor het jaar 2022 vast op €315.000. Belanghebbende betwistte deze waarde en voerde aan dat de waarde te hoog was vastgesteld, mede vanwege een lagere kwaliteit en ligging van de woning. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om immateriële schade af.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de toezendplicht van artikel 40, lid 2, Wet WOZ was geschonden, dat er een schending was van het hoorrecht op grond van artikel 7:9 Awb Pro, en dat de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld. Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende gegevens had verstrekt om de vastgestelde waarde te onderbouwen en dat de aanvullende referentieverkopen in de uitspraak op bezwaar slechts ter bevestiging van het standpunt dienden, zodat geen schending van het hoorrecht was.
De bewijslastverdeling werd toegepast conform jurisprudentie van de Hoge Raad, waarbij de heffingsambtenaar aannemelijk maakte dat rekening was gehouden met de door belanghebbende aangevoerde waardedruk. De waarde van €315.000 werd als niet te hoog vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de WOZ-waarde van €315.000 en verklaart het hoger beroep ongegrond.