ECLI:NL:GHDHA:2026:2288

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BK-25/490
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet op de BpmArt. 8 lid 5 Uitvoeringsregeling BpmArt. 8:75 AwbArt. 8:79 lid 1 AwbArt. 2 lid 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
15 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag bpm wegens gebreken taxatierapport en waardebepaling

Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag bpm ontvangen van €4.555, gebaseerd op een taxatierapport dat door de Inspecteur werd betwist vanwege formele en materiële gebreken. De Rechtbank wees het beroep van belanghebbende af, maar het Gerechtshof Den Haag vernietigde deze uitspraak en stelde de naheffingsaanslag vast op €4.375.

Het Hof oordeelde dat het taxatierapport van belanghebbende niet kan worden gebruikt ter onderbouwing van de handelsinkoopwaarde en de schadeaftrek, omdat de staat van de auto in het rapport niet overeenkomt met de werkelijke staat bij inschrijving. Belanghebbende slaagde er niet in aannemelijk te maken dat een hoger schadeaftrekpercentage dan de standaard 72% van toepassing is.

Verder werd de historische nieuwprijs vastgesteld op €71.789, inclusief btw en bruto bpm, conform de CO2-uitstoot van de auto. De Inspecteur mocht de afschrijving baseren op de afschrijvingstabel en de koerslijst XRAY, ondanks betwisting door belanghebbende. De naheffingsaanslag werd dienovereenkomstig verminderd.

Een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de termijn nog niet was verstreken. Het Hof veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan belanghebbende.

Uitkomst: De naheffingsaanslag bpm wordt verminderd tot €4.375 en de Inspecteur wordt veroordeeld in proceskosten en griffierechten; vergoeding immateriële schade wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/490

Uitspraak van 30 juni 2026

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 mei 2025, nummer SGR 23/7432.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 4.555 (de naheffingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 24 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 579. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend. Belanghebbende heeft op 26 maart 2026 een nader stuk ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 april 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 5.477 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Opel Insignia Sports Tourer 2.0 Turbo 4x4 GSI (de auto). De datum van eerste toelating is 21 april 2021.
2.2.
In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] van 16 december 2022. Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 71.393 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 35.245. De taxateur heeft € 19.231,24 aan schade aannemelijk geacht, waarvan € 17.308 (afgerond 90%) als waardevermindering in aanmerking is genomen. De handelsinkoopwaarde van de auto is derhalve bepaald op € 17.937. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 21.806 (CO2-uitstoot van 196 g/km).
2.3.
De Inspecteur heeft een bedrag van € 4.555 aan bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 6 januari 2023. Hierin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 70.494 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 34.080 (XRAY). DRZ heeft een bedrag van € 2.284,81 aan schade aannemelijk geacht, waarvan afgerond € 1.645 (72%) als waardevermindering in aanmerking is genomen. De handelsinkoopwaarde van de auto is derhalve bepaald op € 32.435 (afschrijving van 53,99%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 21.806 (CO2-uitstoot van 196 g/km).

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“(…)
Waardevermindering wegens schade
11. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiseres. Zij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat zij met verweerder van oordeel is dat dit rapport van het bewijs dient te worden uitgesloten en dient te worden verworpen, vanwege diverse formele en materiële gebreken die aan het taxatierapport van eiser kleven, zoals door verweerder ook uitgebreid weergegeven in zijn verweerschrift. Naar het oordeel van de rechtbank dient eiseresses taxatierapport reeds te worden verworpen vanwege het feit dat de staat van de auto tijdens de opname en zoals weergegeven in het taxatierapport duidelijk niet overeenkomt met de staat van de auto ten tijde van de inschrijving c.q. goedkeuring door de RDW.
Verweerder wijst in dit verband terecht ook op de aankoopprijs van € 34.812 dan wel € 32.812 (minus de correctie van € 2.000, zie onder 3.), welke ook een belangrijk uitgangspunt is en waarin ook steun te vinden is voor de conclusie dat eiseresses taxatie onjuist en ondeugdelijk is. Dat zou immers betekenen dat eiseres minimaal € 40.259 (exclusief p.m.) dan wel € 38.259 voor een auto in beschadigde staat betaalt terwijl de taxateur aangeeft dat de auto maar € 17.937 (inclusief Btw en Bpm en Schade) waard zou zijn.
12. Eiseres kan zich dan ook niet op het taxatierapport beroepen ter ondersteuning van haar stelling dat teveel Bpm is nageheven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres daarmee dus ook niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan door verweerder is onderkend. Dat binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld.
Schadeaftrek 72%
13. Eiseres stelt dat het door DRZ vastgestelde percentage van de schadeaftrek van 72% te laag is. Volgens eiseres dient de waardevermindering op 100% vastgesteld te worden. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat ook voor wat betreft de (omvang van de) vermindering in verband met schade, de bewijslast bij eiseres ligt. In die bewijslast slaagt eiseres niet. Nog daargelaten dat het taxatierapport niet kan dienen (zie hiervoor), is daarin zonder enige onderbouwing of concretisering een hoger percentage dan 72% in aanmerking genomen, namelijk 90%. Er is dus niet concreet aangegeven dat en waarom de (overigens voor het overgrote deel niet door DRZ of verweerder erkende) reparatiekosten voor een hoger percentage dan de gebruikelijke 72% in mindering kunnen worden gebracht. Vervolgens heeft eiseres eerst in bezwaar gesteld dat de reparatiekosten voor 100% op de waarde in mindering gebracht moeten worden. Zij voert echter onvoldoende aan over de concrete schadeposten om die conclusie te rechtvaardigen. De enkele verwijzing naar het feit dat de auto vrij nieuw is (19 maanden) en nog maar weinig kilometers op de teller heeft staan (slechts 4.369 kilometer) is daartoe onvoldoende. Verweerder is voor de naheffingsaanslag uitgegaan van de door DRZ vastgestelde gegevens en mocht daar ook vanuit gaan. DRZ heeft geen aanleiding gezien voor een grotere vermindering dan 72% van de reparatiekosten. Eiseres maakt het tegendeel niet aannemelijk.
14. Anders dan eiseres meent, leidt de zogenoemde 72%-regel niet tot een schending van het gelijkheidsbeginsel en is deze ook niet strijdig met artikel 110 VWEU Pro, reeds omdat het een belastingplichtige altijd vrij staat om aannemelijk te maken dat schade voor een hoger percentage dan de norm van 72% in aanmerking dient te worden genomen.
Historische nieuwprijs
15. Bij registratie van gebruikte auto’s wordt de Bpm ingevolge artikel 10 van Pro de Wet op de Bpm berekend met inachtneming van een vermindering. De wet- en regelgever heeft voorzien in drie methoden waaruit – met inachtneming van bepaalde voorwaarden – kan worden gekozen om die reële waardedaling aannemelijk te maken, namelijk door verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de toegepaste afschrijving is ontleend, ofwel door een verklaring van een onafhankelijke, erkende taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig, onder vermelding van datum, begin- en eindtijd van deze fysieke opname en naam, adres en woonplaats van degene die de taxatie feitelijk heeft verricht. Indien de belastingplichtige geen gebruik maakt van één van de hiervoor bedoelde opgaven, wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de in artikel 8, lid 5, Uitvoeringsregeling Bpm voorziene afschrijvingstabel (de afschrijvingstabel). De belastingplichtige die kiest voor één van die methodes dient, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk te maken die meebrengen (a) dat die methode in zijn geval mag worden toegepast en (b) dat de toepassing van die methode leidt tot de door hem verdedigde waarde.
16. Eiseres heeft gekozen voor aangifte met een taxatierapport. Verweerder heeft, naar het oordeel van de rechtbank terecht (zie hiervoor onder 12.), geconstateerd dat het bij de aangifte overgelegde taxatierapport niet kan dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. Volgens het hiervoor onder 15. beschreven wettelijk systeem wordt de afschrijving van de auto dan bepaald aan de hand van de afschrijvingstabel. Volgens het wettelijk systeem moet de afschrijving worden bepaald aan de hand van de afschrijvingstabel van artikel 8, lid 5, van de Uitvoeringsregeling Bpm. Verweerder heeft een praktijk ontwikkeld waarbij in gevallen als het onderhavige, waarin aangifte is gedaan met een taxatierapport en de reële waardedaling niet op basis van dit rapport kan worden vastgesteld, voor de naheffing bezien wordt of de vermindering gebaseerd op de door DRZ vastgestelde waardevermindering groter is dan de vermindering volgens de afschrijvingstabel. Indien dat het geval is, wordt de naheffing opgelegd met inachtneming van de grootste vermindering. In dit geval is verweerder voor de naheffing uitgegaan van een afschrijvingspercentage van 53,99 en niet van het afschrijvingspercentage van 42,834 dat volgens de afschrijvingstabel van toepassing zou zijn.
17. Eiseres heeft met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023, ECLI:NL:HR: 2023:1703, gesteld dat het afschrijvingspercentage moet worden vastgesteld door de historische nieuwprijs van de auto, zijnde € 41.309 (de catalogusprijs van de referentieauto) vermeerderd met 21% (Btw) en met € 21.806 (de Bpm verschuldigd voor een auto met een CO2 uitstoot van 196 gr/km WLTP), af te zetten tegen de handelsinkoopwaarde van de referentieauto. Eiseres bepleit aldus een aanpassing van de historische nieuwprijs.
18. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat eiseres ten onrechte stelt dat verweerder ter onderbouwing van de (hoogte van de) naheffingsaanslag tegenbewijs moet leveren. Op verweerder rust met betrekking tot de waardevermindering geen enkele bewijslast. De schouw van de auto door DRZ vindt dan ook niet plaats in het kader van enige bewijsvoering door verweerder, maar slechts ter controle van de aangifte van eiseres. Verweerder is wel gehouden zijn beslissing met betrekking tot het opleggen van een naheffingsaanslag en de hoogte hiervan te motiveren. Verweerder heeft zijn beslissing met betrekking tot (de hoogte van) de naheffingsaanslag onderbouwd met de door DRZ vastgestelde feiten. Eiseres lijkt er ten onrechte vanuit te gaan dat verweerder gehouden is de naheffingsaanslag vast te stellen als ware aangifte gedaan met een taxatierapport waarin de door DRZ vastgestelde feiten met betrekking tot de auto (zoals eigenschappen, omvang van de schade, historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde) zijn opgenomen. Het wettelijk systeem brengt mee dat verweerder in een geval als het onderhavige de naheffingsaanslag vaststelt met inachtneming van het afschrijvingspercentage van de afschrijvingstabel. Verweerder heeft in plaats daarvan een hoger afschrijvingspercentage in acht genomen. De rechtbank is van oordeel dat het door eiser ingeroepen arrest verweerder niet noopt tot een andere wijze van berekening van het afschrijvingspercentage.
19. Het bewuste arrest van de Hoge Raad gaat over de situatie dat aangifte gedaan is en ook kan worden gedaan met een taxatierapport én waarin tussen partijen niet in geschil is dat de in dat rapport genoemde netto catalogusprijs en de handelsinkoopwaarde van het voertuig in kwestie juist zijn. In het onderhavige geval staat vast dat het door eiseres bij de aangifte gevoegde taxatierapport niet kan worden gebruikt en heeft verweerder uitdrukkelijk betwist dat de handelsinkoopwaarde van de auto gelijk is aan de handelsinkoopwaarde van het referentievoertuig volgens de koerslijst minus (een percentage van) de vastgestelde schade. Eiseres stelt dat een verschil in CO2-uitstoot bij overigens gelijke auto’s voor de handelsinkoopwaarde geen verschil maakt. Eiseres wijst er in dit verband op dat het gedurende een periode mogelijk is geweest bij het raadplegen van de koerslijst bij het invullen van de kenmerken en eigenschappen van de auto ook de CO2-uitstoot zelf in te vullen. Eiseres stelt dat het voor de handelsinkoopwaarde geen verschil maakt of een CO2-uitstoot van 196 gr/km wordt ingevuld of een CO2-uitstoot van 193 gr/km. Eiseres heeft haar stelling niet feitelijk onderbouwd. Zelfs indien de stelling feitelijk juist zou zijn, zou eiseres daarmee nog niet aannemelijk hebben gemaakt dat de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat gelijk is aan de handelsinkoopwaarde van de referentieauto in onbeschadigde staat. De auto komt niet voor in enige koerslijst, zodat de handelsinkoopwaarde die zou volgen uit een koerslijst, waarbij de CO2-uitstoot een van de in te vullen variabelen is, nog steeds de handelsinkoopprijs is van de referentieauto met een CO2-uitstoot gelijk aan die van de auto, niet de handelsinkoopwaarde van de auto. De rechtbank acht niet op voorhand aannemelijk dat op basis van de koerslijst kan worden vastgesteld dat de CO2-uitstoot geen invloed heeft op de handelsinkoopwaarde. Verweerder wijst er in dit verband op dat het ook voor hand ligt het verschil in CO2-uitstoot verband houdt met de uitvoering/opties van de auto. De Nederlandse referentieauto uit de koerslijst (zie AutotelexPro) heeft bijvoorbeeld een gewicht van 1635 kg terwijl het onderhavige buitenlandse voertuig een gewicht van 1735 kg heeft, aldus onweersproken verweerder. Verweerder wijst er daarbij ook op dat dit zeker heeft te gelden voor een auto zoals de onderhavige die is geproduceerd voor bijvoorbeeld de buitenlandse markt, en dat ook van belang is dat in casu het uitvoeringsniveau niet identiek is, zodat ervan uitgegaan dient te worden dat het verschil in uitstoot zal leiden tot een andere koerslijstwaarde. De rechtbank overweegt dat de koerslijst behoort te zijn gebaseerd op daadwerkelijke transacties met betrekking tot in Nederland toegelaten voertuigen met een typenummer. De CO2-uitstoot, op basis waarvan de verschuldigde Bpm wordt bepaald, staat met het typenummer vast. Dat de koerslijst informatie bevat op basis van transacties met betrekking tot voertuigen met eenzelfde type-nummer, maar een afwijkende CO2-uitstoot is, zeker voor een geval als dit waarbij vaststaat dat de auto en het referentievoertuig niet hetzelfde zijn maar verschillen op meerdere onderdelen dan enkel de CO2-uitstoot, zonder onderbouwing – die ontbreekt – niet aannemelijk. Nu de ingevoerde auto een ander voertuig is dan het referentievoertuig waarop de koerslijst is gebaseerd en daarvan ook op andere onderdelen dan enkel de CO2-uitstoot verschilt, is het aannemelijk dat de handelsinkoopwaarde van het referentievoertuig ook zal meebewegen indien wordt uitgegaan van een van dat model afwijkende CO2-uitstoot. Verweerder is dan ook niet gehouden de afschrijving vast te stellen op de door eiseres voorgestane wijze. De handelsinkoopwaarde van de auto is aldus niet komen vast te staan, dit blijft voor risico van eiseres. De vaststelling van het afschrijvingspercentage door vergelijking met het afschrijvingspercentage van de referentieauto met behulp van de koerslijst is volkomen verdedigbaar.
(…)
25. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
Immateriële schadevergoeding
26. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv). Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 22 mei 2023 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 18 oktober 2023. De uitspraak van de rechtbank is op 20 mei 2025 gedaan. De redelijke termijn van twee jaar is dus nog niet verstreken, zodat ook geen recht bestaat op een isv.
Proceskosten
27. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
(…)”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.1.
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd, meer specifiek of de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde op de juiste bedragen zijn vastgesteld. Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade.
4.1.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat ten onrechte belastingrente is berekend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, en:
- primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag;
- subsidiair tot vaststelling van de historische nieuwprijs op € 71.789, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 32.024 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.250; en
- meer subsidiair tot vaststelling van de historische nieuwprijs op € 71.789, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 32.435 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.375.
Voorts concludeert belanghebbende tot vernietiging van de beschikking belastingrente, tot vergoeding van immateriële schade en tot een veroordeling in de (proces)kosten in alle fasen van het geding.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de beslissingen van de Rechtbank over de naheffingsaanslag en de vergoeding van immateriële schade en tot vernietiging van de beschikking belastingrente.

Beoordeling van het hoger beroep

Geldigheid taxatierapport en waardevermindering wegens schade
5.1.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte heeft beslist dat het taxatierapport van de zijde van belanghebbende niet kan dienen ter onderbouwing van de handelsinkoopwaarde en ter onderbouwing van de door belanghebbende in aanmerking genomen waardevermindering van € 17.308 wegens schade.
5.2.
Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op dit punt een juiste beslissing heeft genomen. Het Hof maakt de overwegingen 11 en 12 van de Rechtbank tot de zijne. In hoger beroep heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het Hof tot een ander oordeel leiden. Daarbij neemt het Hof ook in aanmerking dat de taxateur van belanghebbende de algemene indruk van de auto, de technische staat, het onderstel, de carrosserie, het interieur en de banden als redelijk heeft gekenmerkt in het taxatierapport. Deze beoordeling is moeilijk te rijmen met de omvang van de gestelde schade. Belanghebbende kan zich dan ook niet op het taxatierapport beroepen ter ondersteuning van haar stelling dat teveel bpm is nageheven en kan dit taxatierapport niet gebruiken om de door haar opgevoerde waardevermindering wegens schade aannemelijk te maken. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken (HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695 en HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63). Nu het taxatierapport niet kan dienen en belanghebbende ook anderszins onvoldoende bewijs daarvan heeft bijgebracht, kan de daarin opgevoerde waardevermindering wegens schade niet worden gevolgd.
Percentage schadeaftrek
5.3.
Belanghebbende stelt zich subsidiair op het standpunt dat niet 72% maar van 90% van de door DRZ vastgestelde schade van € 2.284 in aanmerking moet worden genomen. Daartoe voert zij aan dat geen sprake is van een verlengde economische levensduur en dat geen sprake is van normale gebruiksschades die door de reparaties verdwijnen. Verder stelt zij dat het percentage van 72 dat standaard in aftrek komt, niet in overeenstemming is met het Unierecht.
5.4.
Ook hier geldt dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken Als belanghebbende meent dat een hoger percentage dan 72% van de schade voor aftrek in aanmerking komt, dan is het aan haar om dat te onderbouwen. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende daar niet in geslaagd. Voor de heffing van bpm hoeft een raming van herstelkosten niet zonder meer de waardevermindering als gevolg van schade weer te geven, reeds omdat in het kader van het herstellen van schade aan delen of onderdelen van een personenauto onvermijdelijk ook de normale sporen van gebruik - die reeds in de volgens de koerslijst bepaalde handelsinkoopwaarde van een referentievoertuig worden verdisconteerd - verdwijnen. Dit brengt mee dat artikel 110 van Pro het VWEU niet vereist dat getaxeerde schade volledig in mindering gebracht moet worden. De 72%-regeling, die is gebaseerd op een openbaar toegankelijk onderzoek en die erin voorziet dat een hoger percentage dan 72 als schade in aanmerking kan worden genomen, is niet strijdig met artikel 110 van Pro het VWEU (Hof Arnhem-Leeuwarden 8 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7089 en HR 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1297).
5.5.
Daarbij overweegt het Hof dat uit de grafiek in de bijlage bij de brief van het Verzekeringsbureau Voertuigcriminaliteit (VbV) waarnaar belanghebbende verwijst volgt dat in 6% van de schadegevallen de schade voor 90% in aanmerking wordt genomen. Belanghebbende betoogt dat de auto onder deze categorie valt, gelet op de kenmerken daarvan (leeftijd, segment en aantal gereden kilometers). Het Hof verwerpt deze stelling bij gebrek aan een feitelijke onderbouwing. Het enkele poneren van een stelling is onvoldoende.
5.6.
Belanghebbende stelt voorts dat uit de brief van de VbV en de bijlage daarbij voortvloeit dat de schade gelet op artikel 110 VWEU Pro voor 100% in aanmerking moet worden genomen, omdat een Unierechtelijke uitleg dwingt tot de meest gunstige behandeling van de auto. Het Hof verwerpt ook deze stelling. Een Unierechtelijke uitleg leidt er niet toe dat de objectieve kenmerken van de auto geen rol meer spelen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat met de auto vergelijkbare voertuigen onder de door belanghebbende aangewezen categorie in de grafiek vallen.
Historische nieuwprijs
5.7.
Belanghebbende stelt dat voor het bepalen van de afschrijving moet worden uitgegaan van de historische nieuwprijs, waarbij de component bruto bpm wordt bepaald op basis van de daadwerkelijke uitstoot van de auto. Belanghebbende berekent dit als volgt: netto catalogusprijs conform onderzoek waardebepaling DRZ € 41.309 + btw € 8.674 + historische bruto bpm (van de auto) € 21.806 = historische nieuwprijs van € 71.789. Het Hof acht dit standpunt juist. Voor de voor de auto verschuldigde bpm moet worden uitgegaan van de CO2-uitstoot (en dus de bruto bpm) van de auto (HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703 en ECLI:NL:HR:2023:1714). Niet in geschil is dat de CO2-uitstoot van de auto 196 gr/km bedraagt. De historische nieuwprijs bedraagt derhalve € 71.789.
Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
5.8.
De Inspecteur stelt met een beroep op interne compensatie dat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Hij voert daartoe aan dat de koerslijst XRAY niet als uitgangspunt kan worden gebruikt voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, omdat sprake is van een onverklaarbaar groot verschil met de koerslijst AutotelexPro, de inkoopfactuur haaks op de koerslijst staat en dat de koerslijsten zijn gebaseerd op een prognose.
5.9.
Het Hof stelt voorop dat bij toepassing van de taxatiemethode voor het bepalen van een (bij benadering) reële waardedaling van de auto gebruik kan worden gemaakt van de handelsinkoopwaarde die is opgenomen in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor een referentievoertuig. In dat geval is de in die koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde slechts een uitgangspunt (Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703). Het Hof volgt de Inspecteur niet in zijn standpunt dat de koerslijst XRAY niet en de koerslijst AutotelexPro wel als uitgangspunt kan worden gebruikt voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat. Merk, model, type, uitvoering en leeftijd van de auto komen overeen met die van het referentievoertuig op de koerslijsten XRAY en AutotelexPro (vgl. HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472). De Inspecteur heeft gelet op het verschil in handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat weliswaar interne e-mailcorrespondentie over het opvragen van een onderbouwing van de koerslijstproviders overgelegd, maar het antwoord van de koerslijstproviders is niet overgelegd. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur voor het overige onvoldoende ingebracht ter onderbouwing van zijn standpunt dat de koerslijst XRAY niet en de koerslijst AutotelexPro wel als uitgangspunt kan dienen voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat. Het Hof wijst het beroep op interne compensatie af.
Conclusie naheffingsaanslag
5.10.
Gelet op het voorgaande dient de naheffingsaanslag te worden verminderd en te worden vastgesteld op € 4.375 (conform het meer subsidiaire standpunt van belanghebbende).
Beschikking belastingrente
5.11.
Partijen zijn het erover eens dat ten onrechte belastingrente is berekend en dat de beschikking belastingrente moet worden vernietigd. Het Hof volgt partijen hierin.
Vergoeding van immateriële schade
5.12.
Belanghebbende stelt dat recht bestaat op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van de zaak in eerste aanleg. Het bezwaarschrift is ontvangen op 22 mei 2023. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 20 mei 2025, maar de Rechtbank heeft haar uitspraak pas bekendgemaakt op 23 mei 2025. Daarom bestaat recht op een vergoeding van immateriële schade, aldus belanghebbende.
5.13.
In zijn overzichtsarrest in het kader van immateriële schadevergoedingen wegens overschrijding van de redelijke termijn van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de in aanmerking te nemen termijn als regel begint te lopen op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure met betrekking tot het geschil dat de belastingplichtige en de inspecteur verdeeld houdt. De in aanmerking te nemen termijn eindigt derhalve niet op het moment dat een rechtbank haar uitspraak bekendmaakt via verzending per post of plaatsing in het webportaal van de Rechtspraak. Dit zou ook een onwerkbare situatie opleveren, omdat de rechtbank bij het doen van uitspraak niet weet op welk moment de uitspraak wordt bekendgemaakt. Op grond van artikel 8:79, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de griffier van de rechtbank immers twee weken de tijd kosteloos een afschrift van (het proces-verbaal van) de (mondelinge) uitspraak ter beschikking van partijen te stellen.
5.14.
De Rechtbank heeft het onderzoek ter zitting van 29 april 2025 gesloten en meegedeeld dat op 20 mei 2025 uitspraak zal worden gedaan. Het stond (de gemachtigde van) belanghebbende vrij om op 20 mei 2025 telefonisch bij de Rechtbank te informeren naar de beslissing dan wel bij de in het openbaar gedane uitspraak aanwezig te zijn. Met de uitspraak is het geschil en daarmee de door belanghebbende ondervonden spanning en frustratie ten einde gekomen.
Slotsom
5.15.
Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.
Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.332 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (2 punten à € 666 x 1 (gewicht van de zaak)), € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank (2 punten à € 934 x 1 (gewicht van de zaak)) en € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten à € 934 x 1 (gewicht van de zaak)), in totaal derhalve op € 5.068. In het licht van het gewicht van de geschilpunten waarop belanghebbende in het gelijk is gesteld, ziet het Hof aanleiding de vergoeding op grond van artikel 2, lid 2, Bpb met de helft te verminderen tot € 2.534.
6.2.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 365, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 579, in totaal € 944, te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van immateriële schade;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.375;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.534, en
  • gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 944 aan griffierechten te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A. Reijs, M.J.M. van der Weijden en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon L.D.M.A. Reijs
De beslissing is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.