Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 4 september 2024 waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2024;
- de memorie van grieven, tevens houdende vermeerdering van eis, van [appellant] , met bijlagen;
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde] ;
- de akte uitlaten van [appellant] , met één bijlage;
- de akte uitlaten van [geïntimeerde] , met één bijlage.
3.Feitelijke achtergrond
Partijen en de koop- en huurovereenkomsten
“c. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten of omgezet te houden; en
d. tot twee of meer woonruimten te verbouwen of in die verbouwde staat te houden.”
Per 1 januari 2024 is hieraan als nieuwe onderdeel d toegevoegd dat het ook verboden is om zonder vergunning woonruimte van onzelfstandig in zelfstandig om te zetten of omgezet te houden, waarbij het oude onderdeel d is omgeletterd naar onderdeel e.
Verbod voor kamerbewoning zonder vergunning
4.Procedure bij de kantonrechter
(i) de huurovereenkomst ontbindt; en
[geïntimeerde] veroordeelt om:
(ii) het pand te ontruimen;
(iii) tot aan ontruiming maandelijks een gebruikersvergoeding te betalen, gelijk aan de ten tijde van de ontbinding geldende huur;
(iv) alle op het betrokken adres ingeschreven ondernemingen uit te (doen) schrijven;
(v) de met de huurders van zelfstandige woonruimtes gesloten huurovereenkomsten te verstrekken;
(vi) de winst te betalen die zij heeft genoten met de onderverhuur van de zelfstandige woonruimtes en de commerciële activiteiten in het pand, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
(vii) een door een accountant gewaarmerkt en ondertekend overzicht te verstrekken van alle inkomsten die zij vanaf de ingang van de huurovereenkomst heeft genoten met de onbevoegde onderverhuur en de commerciële activiteiten in het pand;
de vorderingen (iv), (v) en (vii) op straffe van een dwangsom, alles met verklaring van uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
Vorderingen (i) tot en met (iv): [appellant] is op grond van artikel 6:265 BW Pro bevoegd om de huurovereenkomst te ontbinden omdat [geïntimeerde] :
[a] in strijd met artikel 1.1 AB twee delen van het pand als zelfstandige wooneenheden verhuurt;
[b] in strijd met artikel 2.2 AB heeft geweigerd om mee te werken aan een onderzoek van [appellant] naar onbevoegde onderverhuur;
[c] in strijd met artikel 1.2 AB zonder vergunning meer kamers in het pand verhuurt dan toegelaten op grond van de Huisvestingsverordening 2021;
[d] in strijd met artikelen 1.3 en 12.3 huurovereenkomst en 1.1 AB commerciële activiteiten heeft ontplooid in het pand;
[e] in strijd met artikel 1.1 AB toelaat dat andere ondernemingen dan Uitgeverij [echtgenoot] zich in het pand hebben gevestigd;
[f] in strijd met haar verplichtingen uit hoofde van goed huurderschap een brandgevaarlijke situatie laat ontstaan door ondeugdelijk gebruik van verlengsnoeren en elektrische apparatuur; en
[g] er door de hiervoor bedoelde tekortkomingen en het gebruik van het gehuurde als evenementenlocatie, in strijd met haar verplichtingen uit hoofde van goed huurderschap, voor heeft gezorgd dat [appellant] niet adequaat is verzekerd tegen risico’s met betrekking tot het pand.
Vordering (v): nakoming van de verbintenis uit artikel 2.2 AB om mee te werken aan een onderzoek van [appellant] naar onbevoegde onderverhuur;
Vorderingen (vi) en (vii): nakoming van artikel 6:104 BW Pro en de verbintenis uit artikel 1.1 tweede volzin AB tot afdracht van de winst, behaald met het handelen in strijd met het verbod van artikel 1.1 eerste volzin AB om het gehuurde anders te gebruiken dan voor de overeengekomen bestemming.
5.Vorderingen in hoger beroep
(viii) de huurovereenkomsten met [bedrijf 1] te verstrekken, op straffe van een dwangsom;
(ix) € 100.000,- te betalen bij wijze van voorschot op de definitieve schadevergoeding, op te maken bij staat;
(x) datgene terug te betalen wat [appellant] aan haar heeft betaald ter uitvoering van het bestreden vonnis, met rente;
alles met verklaring van uitvoerbaarheid bij voorraad.
6.Beoordeling in hoger beroep
Schikkingsovereenkomst partneralimentatie(ECLI:NL:HR:2023:1131) niet dat bij de uitleg van een schriftelijke bepaling moet worden aangesloten bij haar taalkundig meest voor de hand liggende betekenis indien de bewoording daarvan niet voor meerderlei uitleg vatbaar is. In de betrokken zaak hadden voormalige echtelieden in een schikkingsovereenkomst die zij hadden gesloten namelijk uitdrukkelijk bepaald dat deze overeenkomst, in geval van een geschil, niet volgens de Haviltexnorm maar uitsluitend grammaticaal moest worden uitgelegd. Dat hebben de partijen bij de hier betrokken overeenkomsten niet met elkaar afgesproken.
Schikkingsovereenkomst) niet worden afgeleid dat eventuele onduidelijkheden en onvolkomenheden in de hier betrokken overeenkomsten op grond van de zogeheten
contra proferentem-regel voor rekening van [appellant] zouden moeten komen. In dat arrest is die regel weliswaar gehanteerd als één van de gezichtspunten bij de toepassing van de Haviltexnorm, maar het ging daar (anders dan in de onderhavige zaak) om een beoordeling waarin het voor één van partijen bij de betrokken overeenkomst duidelijk voor de hand had gelegen om een bepaalde, niet uitdrukkelijk geregelde situatie wèl uitdrukkelijk te regelen. Ook dat doet zich hier niet voor.
Koper zal ten alle tijden deze wens van Verkopers(…)
respecteren” om “
de rest van hun leven in het pand(…)
te blijven wonen”) en artikel 12.2 huurovereenkomst (“
Het is de verhuurder dan ook onder geen enkele omstandigheid toegestaan om deze huurovereenkomst te beëindigen”) en de context van de betrokken koop en (terug)verhuur volgt dat partijen met die bepalingen hebben bedoeld dat het [appellant] onder geen enkele omstandigheid geoorloofd is om ervoor te zorgen dat de huurovereenkomst feitelijk wordt beëindigd, met als gevolg dat [echtgenoot] en [geïntimeerde] het pand zouden moeten verlaten. Zij voert aan dat partijen geen specialist zijn in het huurrecht, en dat het woord “
beëindigen” in artikel 12.2 huurovereenkomst daarom niet alleen slaat op het inzetten van de bepalingen van Titel 4, Afdeling 5, Onderafdeling 4 van Boek 7 BW, welke onderafdeling gaat over “Het eindigen van de huur”, maar ook op ontbinding. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] daarom met de betrokken bepalingen afstand gedaan van elk recht de huurovereenkomst eenzijdig te beëindigen, dus ook van het recht om te ontbinden wegens wanprestatie. Volgens [geïntimeerde] is dat ook zo besproken ten tijde van het aangaan van de koop- en huurovereenkomsten.
ten allen tijde” en “
onder geen enkele omstandigheid” in de betrokken bepalingen een absoluut karakter hebben. Dat neemt niet weg dat een uitleg van die bepalingen naar redelijkheid en billijkheid met zich brengt dat bij de toepassing ervan onderscheid moet worden gemaakt tussen:
- enerzijds het opzeggen van een huurovereenkomst op basis van de gronden uit artikel 7:274 BW Pro, waarvan een aantal verband houdt met opportuniteitsoverwegingen, zoals bijvoorbeeld het dringend eigen gebruik (opzeggingsgrond c) of het weigeren van een redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst (opzeggingsgrond d); en
- anderzijds het recht op ontbinding wegens tekortkoming op grond van artikel 6:265 BW Pro.
De achtergrond van dat recht op ontbinding is dat van een partij bij een overeenkomst niet kan worden gevergd dat zij door die overeenkomst verbonden blijft aan haar wederpartij indien deze wezenlijk is tekortgeschoten in de nakoming daarvan. [5] [appellant] voert terecht aan dat de onderhavige huurovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd. De door [geïntimeerde] voorgestane uitleg van de hiervoor bedoelde bepalingen zou dan leiden tot het ongerijmde gevolg dat [appellant] in geval van (langdurige en structurele) tekortkomingen van [geïntimeerde] alleen zou beschikken over de acties uit nakoming (artikel 3:296 BW Pro) en schadevergoeding (artikel 6:74 BW Pro) en niet af zou kunnen komen van [geïntimeerde] als huurster wanneer deze zich (langdurig en structureel) niet aan de gemaakte afspraken houdt. Niet is gebleken dat de partijen bij de koop- en huurovereenkomsten zich bij het aangaan van deze overeenkomsten in deze zin tegenover elkaar hebben geuit noch blijkt van omstandigheden waaruit [geïntimeerde] redelijkerwijs mocht afleiden dat ook in het geval sprake is van een situatie die ontbinding zou rechtvaardigen [appellant] afstand zou hebben gedaan van de bevoegdheid daartoe, en het hof acht het ook onwaarschijnlijk dat partijen dit gevolg hebben beoogd. Dat is dan ook niet de juiste uitleg.
- In artikel 1.1 AB staat dat [geïntimeerde] als huurster het gehuurde geheel zelf zal gebruiken, uitsluitend overeenkomstig de in de huurovereenkomst aangegeven bestemming.
- In artikel 1.3 huurovereenkomst staat dat [geïntimeerde] niet zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder een andere bestemming aan het gehuurde mag geven dan omschreven in artikel 1.2 van diezelfde overeenkomst.
- In dat artikel 1.2 staat dat het gehuurde uitsluitend bestemd is om te worden gebruikt als woonruimte.
- In artikel 2.2 AB staat dat [geïntimeerde] als huurster zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder niet bevoegd is het gehuurde geheel of gedeeltelijk in huur, onderhuur of gebruik aan derden af te staan, daaronder begrepen het verhuren van kamers.
- In artikel 12 van Pro de huurovereenkomst, met daarin “
Bijzondere bepalingen”, zijn slechts twee uitzonderingen ingeruimd op de hiervoor beschreven ge- en verboden, namelijk:
* kamerverhuur, zolang de woning ook het hoofdverblijf is van de huurder (12.1); en
* het in het pand gevestigd blijven van Uitgeverij [echtgenoot] , zolang de huurder directeur-grootaandeelhouder daarvan blijft en de woning ook zijn hoofdverblijf is.
- Uit het opschrift en de inhoud van deze laatste bepaling volgt dat zij niet afkomstig is uit een model, maar afzonderlijk is opgesteld voor of door de partijen bij de huurovereenkomst, toegesneden op de specifieke wensen van die partijen. Daarmee valt niet te rijmen dat die partijen zouden hebben bedoeld dat [echtgenoot] en [geïntimeerde] het pand zonder nadere beperking zouden kunnen blijven gebruiken zoals zij dat voorheen hadden gedaan. In dat geval hadden die partijen namelijk dát opgeschreven, wat zij niet hebben gedaan.
Gelet op het voorgaande kan in het midden blijven of [appellant] voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomst precies op de hoogte was van hoe [echtgenoot] en [geïntimeerde] het pand gebruikten, zoals [geïntimeerde] stelt en [appellant] betwist.
wèlin acht moet nemen.
Doorneweerd/Rinsma), waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat wanneer de huurder van een woonhuis in of vanuit dat huis een bedrijf uitoefent, het van de aard van dat bedrijf afhangt of hij daarvoor toestemming van de verhuurder behoeft. Niet is gesteld of gebleken dat partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst een andere maatstaf voor ogen hebben gehad. Het hof zal die maatstaf daarom hierna (in 6.41 – 6.43) hanteren bij de vraag of [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van de hier bedoelde verbintenis.
Doorneweerd/Rinsmaals het gaat om de bedrijfsactiviteiten van de kameronderhuurders. Het hof zal daarom ook voor de beoordeling van deze gestelde tekortkoming hierna (in 6.44 – 6.47) bij die maatstaf aansluiten.
- Met een eigen toegang wordt niet bedoeld dat de woning een rechtstreeks op de openbare weg uitkomende toegangsdeur moet hebben, maar wel dat zij vanuit de openbare weg toegankelijk moet zijn zonder door privéruimte van een ander te komen.
- Wezenlijke voorzieningen zijn ten minste de keuken, het toilet en de wasruimte. Deze moeten exclusief ten gebruike staan van de huurder en zich hetzij binnen de woonruimte bevinden, hetzij daarbuiten, maar nog steeds toegankelijk zonder door privéruimte van een ander te komen.
Aangezien de inschrijvingen voor de laatste verordening zijn gedaan, is er op dit adres geen sprake van een strijdige situatie en is dit toegestaan.”. In reactie daarop heeft [appellant] een mailbericht in het geding gebracht van een strategisch adviseur bij de gemeente van 29 februari 2024 waarin deze ten eerste bevestigt dat de Huisvestingverordening 2021 voorziet in een vergunningsplicht bij “
bewoning van één woning door drie of meer mensen die niet samen één huishouden voeren (of bewoning van één huishouden plus twee personen die niet tot dat huishouden behoren)” en vervolgens toelicht dat de gemeente geen aanleiding ziet om tot handhaving over te gaan “
bij een situatie van kamerbewoning door 3 personen die al bestond voor de ingang van de vergunningplicht voor 3 personen (1 juli 2021) en waarvan geen overlast bekend is”. Ook hierop is [geïntimeerde] niet meer teruggekomen, waardoor het hof er op grond van de in de vorige alinea weergegeven beoordeling vanuit gaat dat de toelichting van de inspecteur moet worden opgevat als betrekking hebbend op handhavingsopportuniteit en niet op de juiste uitleg van de Huisvestingsverordening 2021.
- tijdens een bouwhistorisch onderzoek op 27 januari 2023: [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , mevr. [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ), mevr. [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ) en [betrokkene 3] (dus vijf personen);
- tijdens de inspectie door de gemeente op 20 februari 2023: [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en/of mevr. [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6] , dus vier personen);
- bij betekening van sommaties aan de bewoners van het pand op 4 oktober 2023: [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 6] (dus drie personen).
- [bedrijf 1] is de distributeur voor België van Uitgeverij [echtgenoot] en haar enige betrokkenheid bij het pand is dat zij daar als Belgische distributeur haar postadres heeft voor Nederland;
- [bedrijf 2] is de eenmanszaak van [betrokkene 3] , die muziekstudent is en volgens haar in 2018 uit het pand is vertrokken; en
- bij [betrokkene 1] gaat het om het geven van muzieklessen, wat binnen de woonbestemming is toegestaan.
Onderverhuur aan [betrokkene 1] : € 37.100,-
Onderverhuur aan [betrokkene 2] : € 48.450,-
Onderverhuur aan [bedrijf 1] : € 96.250,-
Gebruik voor evenementen: € 77.000,-Totaal € 258.800,-.
.
7.Beslissing
- veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] al datgene terug te betalen wat hij haar heeft betaald ter uitvoering van het bestreden vonnis, met wettelijke rente vanaf de dag van betaling door [appellant] ;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] begroot op € 7.399,08, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [geïntimeerde] deze niet binnen veertien dagen na vandaag heeft betaald;
- bepaalt dat als [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, zij de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [geïntimeerde] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af datgene wat in eerste aanleg en in hoger beroep meer of anders is gevorderd.