ECLI:NL:GHDHA:2026:161

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
200.362.577/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot uitkering afkoopwaarde levensverzekering wegens rechtsgeldige verpanding

Appellant vordert in kort geding betaling van de afkoopwaarde van een kapitaalverzekering door Nationale Nederlanden (NN). NN en ING weigeren te betalen omdat zij stellen dat de rechten uit de nieuwe levensverzekering aan ING zijn verpand. Appellant betoogt dat alleen de oude polis was verpand en dat de nieuwe polis niet onder het pandrecht valt.

Het hof onderzoekt de rechtsgeldigheid van het pandrecht op de nieuwe polis en de uitleg van de pandakte. Uit de stukken blijkt dat de nieuwe polis een voortzetting is van de oude polis, waarin de opgebouwde waarde is ingebracht. De vermelding van de oude polis in de pandakte wordt gezien als een kennelijke vergissing. Het pandrecht strekt zich daarom ook uit tot de nieuwe polis.

De Commissie van Beroep van Kifid heeft niet ten gronde beslist over de rechtsgeldigheid van de verpanding, zodat dit aan de overheidsrechter kan worden voorgelegd. Het hof oordeelt dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op uitkering van de afkoopwaarde.

Bij de belangenafweging weegt het hof mee dat appellant zijn spoedeisend belang onvoldoende heeft onderbouwd en dat ING een groot restitutierisico loopt bij uitkering aan appellant. Het belang van ING en NN om de juridische verhouding in een bodemprocedure te laten onderzoeken weegt zwaarder dan het belang van appellant op onmiddellijke uitkering.

Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter, waarbij appellant wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.362.577/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/ 10 /707743 / KG ZA 25-988
Arrest in kort geding van 17 februari 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. J.J.G. Gipmans, kantoorhoudend in 's-Hertogenbosch,
tegen:

1.Nationale Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. ,

gevestigd te Rotterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. T. Riyazi, kantoorhoudend in ‘s-Gravenhage,

2.ING Bank N.V. ,

gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. D.J. Posthuma, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] , NN en ING .

1.De zaak in het kort

1.1
[appellant] vordert in dit kort geding uitkering van de afkoopwaarde van een kapitaalverzekering door NN . NN weigert om tot betaling over te gaan omdat de rechten uit deze verzekering volgens haar zijn verpand aan ING . Dat is ook het standpunt van ING . Volgens [appellant] is dat niet het geval, omdat een eerdere op zijn naam afgesloten kapitaalverzekering, die wel aan ING werd verpand, werd beëindigd, maar de daarop volgende op zijn naam afgesloten kapitaalverzekering, waarvan [appellant] nu uitkering vraagt, blijkens de pandakte niet aan ING werd verpand.
1.2
Het hof zal de vorderingen van [appellant] afwijzen. Het licht hierna toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- de spoedappeldagvaarding van 2 december 2015, met grieven en bijlagen, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 5 november 2025; [1]
  • de memorie van antwoord van NN , met productie A en bijlage (het op 12 december 2023 gevoerde verweer bij Kifid);
  • de memorie van antwoord van ING , met de producties H1 en H2.
2.2
Op 15 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Partijen hebben bevestigd de in beide zaken over en weer gewisselde stukken te hebben ontvangen en ermee ingestemd dat die stukken in beide zaken kunnen worden gebruikt bij de beoordeling.

3.De feiten

3.1
Op 21 december 2007 heeft ING een geldlening verstrekt aan [appellant] ter hoogte van
€ 60.000,- ter financiering van een boot. Een voorwaarde voor deze geldlening was dat [appellant] ter hoogte van dit bedrag een gemengde verzekering zou afsluiten.
3.2
[appellant] heeft in december 2007 bij RVS , de rechtsvoorganger van NN (hierna eveneens aangeduid als: NN ), een kapitaal- en risicoverzekering afgesloten onder polisnummer [polisnummer 1] (hierna: polis [polisnummer 1] ). De verzekering garandeert dat aan [appellant] een bedrag van
€ 53.262,- wordt uitgekeerd op 1 december 2022 of na het overlijden van [appellant] .
3.3
In de akte van geldlening van 21 december 2007 is vermeld dat alle rechten die voortvloeien uit de verzekering zijn verpand aan ING .
3.4
[appellant] wenste begin 2008 een nieuwe en duurdere boot aan te schaffen waarvoor een geldlening nodig was van € 263.046,-. Voor de verstrekking van deze hogere geldlening stelde ING als voorwaarde dat ook de kapitaalverzekering zou worden opgehoogd.
3.5
In de offerte van ING van 2 april 2008 staat vermeld dat het voorbeeldkapitaal van de verzekering minimaal € 160.609,- dient te bedragen. Ook staat in de offerte vermeld dat bij het ingaan van de lening een zekerheid wordt gevestigd in de vorm van verpanding van de genoemde verzekering. De offerte is door [appellant] ondertekend.
3.6
Op 22 april 2008 heeft NN bevestigd een nieuwe kapitaalverzekering te accepteren en, onder verrekening van de waarde van polis [polisnummer 1] , de verzekerde som bepaald op
€ 100.000,- en de maandelijkse premie op € 400,40. In de brief staat dat NN voorlopig is uitgegaan van de transactiedatum van 1 mei 2008, maar dat de kapitaalverzekering zal ingaan vanaf de passeerdatum van de hypotheek.
3.7
Bij akte van geldlening van 22 mei 2008 heeft ING de geldlening van een bedrag van
€ 263.046,- aan [appellant] verstrekt en een hypotheek gevestigd. In de akte van geldlening is ook vermeld dat [appellant] alle rechten die voortvloeien uit de verzekering (polis [polisnummer 1] ) heeft verpand aan ING .
3.8
Op of omstreeks 6 juni 2008 is door ING en [appellant] aan NN een mededeling van verpanding gedaan van de rechten voortvloeiende uit een bij NN gesloten overeenkomst van levensverzekering onder polis [polisnummer 1] . In de kantlijn is de datum van de akte van geldlening van 22 mei 2008 geschreven waar de datum van 16 juli 2008 is doorgehaald.
3.9
Bij brief van 3 september 2008 heeft NN aan [appellant] een kopie gestuurd van de polis met polisnummer [polisnummer 2] (hierna: polis [polisnummer 2] ). In de brief is vermeld dat ingevolge de akte van 22 mei 2008 de rechten en vorderingen die uit deze verzekering voortvloeien in pand zijn gegeven aan ING . Ook is vermeld dat de verzekering onder polis [polisnummer 1] is komen te vervallen en dat de waarde daarvan is verrekend in deze verzekering.
3.1
Op 6 juni 2023 heeft [appellant] bij Kifid een klacht ingediend tegen NN en op 14 augustus 2024 ook tegen ING . [appellant] en NN hebben op 23 mei 2024 een schikking (vaststellingsovereenkomst) bereikt, waarna het dossier bij Kifid is gesloten. In de zaak tussen [appellant] en ING heeft de Geschillencommissie op 2 augustus 2024 uitspraak gedaan en de vorderingen van [appellant] afgewezen. Op 17 juni 2025 heeft de Commissie van Beroep het door [appellant] ingestelde beroep ongegrond geoordeeld.
3.11
Op 25 januari 2025 heeft [appellant] bij NN een verzoek ingediend tot vervroegde afkoop van polis [polisnummer 2] . NN heeft de afkoopwaarde berekend, maar geweigerd dit bedrag aan [appellant] uit te keren, omdat volgens NN de polis aan ING is verpand en ING haar als schuldenaar geen toestemming geeft om het bedrag aan [appellant] uit te keren.

4.Procedure bij de rechtbank en vorderingen in hoger beroep

4.1
[appellant] heeft bij de voorzieningenrechter gevorderd dat NN uitvoerbaar bij voorraad wordt veroordeeld tot betaling aan hem van € 86.488,40 (het bedrag van de afkoopwaarde), vermeerderd met de wettelijke rente en (buitengerechtelijke) kosten. Daarnaast heeft [appellant] bij de voorzieningenrechter gevorderd dat ING wordt veroordeeld te dulden, althans te gedogen dat NN voormeld bedrag met rente aan [appellant] uitkeert, met veroordeling van ING in de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen van [appellant] tegen NN en tegen ING afgewezen.
4.2
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter. Hij heeft vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd en gevorderd dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.

5.Beoordeling in hoger beroep

Maatstaf betaling geldsom in kort geding

5.1
Als in een kort geding veroordeling tot betaling van een geldsom wordt gevorderd, is de voorzieningenrechter gehouden daarmee terughoudend om te gaan. [2] Bij de beoordeling of de gevraagde voorziening toewijsbaar is, moet de voorzieningenrechter daarom onderzoeken i. of het bestaan van de geldvordering voldoende aannemelijk is; ii. of daarnaast sprake is van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Vervolgens moet de voorzieningenrechter de belangen van partijen afwegen en daarin iii. betrekken wat het risico is van de onmogelijkheid van terugbetaling door de eiser in kort geding, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.
5.2
De hiervoor uiteengezette maatstaf berust op bestendige rechtspraak van de Hoge Raad. Ook de voorzieningenrechter heeft blijkens rov. 4.3 van het bestreden vonnis deze maatstaf tot uitgangspunt genomen. De klacht van [appellant] (grief 1) dat de voorzieningenrechter van een onjuiste maatstaf is uitgegaan, faalt in zoverre.
Is de geldvordering voldoende aannemelijk?
5.3
[appellant] heeft in hoger beroep opnieuw betoogd dat NN gehouden is tot uitkering van de afkoopwaarde aan hem, omdat de rechten en vorderingen die voortvloeien uit polis [polisnummer 2] niet rechtsgeldig aan ING zouden zijn verpand, zodat ING daarop geen aanspraak heeft.
-
De invloed van de uitspraak van de Commissie van Beroep (Kifid)
5.4
[appellant] heeft ter ondersteuning van zijn standpunt dat zijn geldvordering op NN niet aan ING is verpand, in de eerste plaats gewezen op de uitspraak van de Commissie van Beroep van het Kifid van 17 juni 2025. [appellant] betoogt dat de Commissie van Beroep in deze uitspraak na een voldragen debat heeft beslist dat geen rechtsgeldige verpanding van polis [polisnummer 2] heeft plaatsgevonden. [appellant] stelt dat het hof – evenals de rechtbank – als overheidsrechter gebonden is aan deze uitspraak en zijn beslissing op dit bindend advies dient af te stemmen, zodat niet anders geconcludeerd kan worden dan dat polis [polisnummer 2] niet is verpand en de vorderingen van [appellant] toewijsbaar zijn. ING en NN hebben dit standpunt gemotiveerd betwist.
5.5
Het hof is – evenals de voorzieningenrechter – van oordeel dat de Commissie van Beroep niet ten gronde op de klacht van [appellant] over de verpanding van polis [polisnummer 2] heeft beslist. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat de uitspraak van de Commissie van Beroep erop gericht is een beslissing te geven over (de klachten van [appellant] gericht tegen) het handelen van ING met betrekking tot de op 22 mei 2008 afgesloten hypothecaire geldlening. [appellant] voerde in de procedure bij Kifid aan dat ING haar zorgplicht jegens hem had geschonden door hem niet te attenderen op het feit dat met de door ING geoffreerde hypotheekconstructie de kans aanwezig was dat aan het einde van de looptijd een restschuld zou ontstaan, en vorderde op die grond vernietiging van de lening en terugbetaling van de rente. Ook voerde [appellant] aan dat de adviseur van ING hem niet goed geadviseerd had en uit eigen beweging verzekeringen had gesloten op naam van [appellant] . Dit terwijl [appellant] aan de adviseur had gevraagd om een risicoloze financiering met een redelijke maandlast en een schuldenvrije positie op de einddatum van de verzekering. Om die reden vorderde [appellant] ook (im)materiële schadevergoeding en: ‘
het terugdraaien van de verpanding van de polis [polisnummer 2] .’
5.6
De Commissie van Beroep oordeelde het beroep van [appellant] ongegrond en wees alle vorderingen van [appellant] af. Over de vordering van [appellant] tot het terugdraaien van de verpanding van polis [polisnummer 2] (wat veronderstelt dat polis [polisnummer 2]
welis verpand) merkt de Commissie in de overwegingen 6.14 tot en met 6.16 op dat zij niet beschikt over een (pand)akte van 22 mei 2008 en dat zij op grond van de wel beschikbare documentatie niet heeft kunnen vaststellen dat polis [polisnummer 2] rechtsgeldig is verpand. Verder overweegt de Commissie dat de vordering van [appellant] er niet op ziet om vastgesteld te krijgen dat er
geenrechtsgeldige verpanding van polis [polisnummer 2] heeft plaatsgevonden. De daaropvolgende overwegingen van de Commissie komen er op neer dat de stellingen van [appellant] over de rechtsgeldigheid van de verpanding hoe dan ook niet kunnen leiden tot toewijzing van zijn vorderingen tot vernietiging van de hypothecaire geldlening, schadevergoeding of het terugdraaien van een pandrecht op polis [polisnummer 2] . De Commissie brengt in haar overwegingen dan ook tot uitdrukking dat [appellant] (in de Kifid-procedure) geen belang heeft bij een (inhoudelijke) beoordeling van de rechtsgeldigheid van de verpanding van polis [polisnummer 2] . Uit het voorgaande volgt dat de Commissie de rechtsgeldigheid van de (in de akte van geldlening van 22 mei 2008 opgenomen) verpanding niet (ten gronde) heeft beoordeeld en dat dit aspect van de rechtsverhouding van partijen alsnog aan de overheidsrechter kan worden voorgelegd. Grief II van [appellant] stuit daarop af.
-
De uitleg van de pandakte
5.7
[appellant] heeft in dit hoger beroep ook inhoudelijke redenen aangevoerd waaruit moet blijken dat de hem uit hoofde van polis [polisnummer 2] toekomende uitkering niet aan ING is verpand en hij recht en (spoedeisend) belang heeft om dit bedrag van NN te ontvangen. NN en ING hebben ook deze stellingen van [appellant] gemotiveerd bestreden.
5.8
Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellant] een opeisbare geldvordering heeft op NN . De omstandigheid dat NN niet tot uitkering wil overgaan, berust uitsluitend op het standpunt van NN en ING dat de rechten uit de kapitaalverzekering (polis [polisnummer 2] ) waarop deze geldvordering is gebaseerd, in de akte van geldlening van 22 mei 2008 aan ING zijn verpand. NN en ING voeren daartoe in de eerste plaats aan dat op bladzijde 40 van deze akte, onder het opschrift ‘
Gemengde verzekering’weliswaar is opgenomen dat [appellant] in pand geeft alle rechten voortvloeiende uit de met NN gesloten polis [polisnummer 1] , maar dat in het licht van de volledige tekst van deze akte en de overige documentatie rond het afsluiten van de hypothecaire geldlening, het voor alle partijen, ook [appellant] , volstrekt duidelijk was dat partijen hebben bedoeld om in pand te geven de aan deze geldlening verbonden kapitaalverzekering met polisnummer [polisnummer 2] . In de tweede plaats voeren NN en ING aan dat polis [polisnummer 1] is ingebracht in polis [polisnummer 2] en dat polis [polisnummer 2] als een voortzetting van polis [polisnummer 1] moet worden beschouwd, zodat het pandrecht op polis [polisnummer 1] zich ook uitstrekt over polis [polisnummer 2] .
5.9
De vraag die partijen verdeeld houdt is of in de akte van geldlening van 22 mei 2008 ING een pandrecht heeft verkregen op alle rechten uit de vanaf 22 mei 2008 van kracht geworden kapitaalverzekering tussen NN en [appellant] (polis [polisnummer 2] ). Voor het antwoord op de vraag of partijen hebben bedoeld een bepaald goed te verpanden, is uitleg van de pandakte noodzakelijk. Volgens vaste rechtspraak is bij die uitleg niet slechts van belang wat uit de desbetreffende akte zelf blijkt, maar komt het aan op de zin die de pandgever en de pandhouder in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Vaste rechtspraak is ook dat voor het verpanden van vorderingen op naam vereist is, en ook voldoende is, dat de desbetreffende akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering(en) het gaat. [3]
5.1
Op grond van de door partijen in de procedure overgelegde stukken, overweegt het hof als volgt:
- Uit de door ING en [appellant] ondertekende akte van geldlening van 22 mei 2008 (bladzijde 27) blijkt dat een bedrag van € 160.609,- is verstrekt als geldlening met vermogensopbouw in een gemengde verzekering en een bedrag van € 102.437,- als aflossingsvrije geldlening.
- De bedragen corresponderen met de eerder op 2 april 2008 door [appellant] ondertekende offerte van ING voor een jachthypotheek. In de offerte is opgenomen dat de
‘levenlening’van € 160.609,- bestaat uit een aflossingsvrije lening en een levensverzekering en dat deze verzekering moet voldoen aan de eis dat het voorbeeldkapitaal (de prognose van het gegarandeerd verzekerd kapitaal vermeerderd met winstdeling) minimaal € 160.209,- bedraagt. In de offerte is ook opgenomen dat voor het passeren van de hypotheek onder meer moet zijn verschaft (i) een kopie aanvraagformulier levensverzekering en (ii) een bewijs van acceptatie levensverzekering. Onder het kopje
‘Voorbehouden’is vervolgens opgenomen
‘Nieuwe polis levensverzekering’; bij
‘Zekerheden’staat opgenomen:
‘Bij het ingaan van de lening vestigen wij de volgende zekerheden: (…) Verpanding van de hiervoor vermelde levensverzekering(en).’Het offertenummer is: ** [offertenummer] .
- Op 3 april 2008 heeft NN een aanvraagformulier
‘Aanvraag Inschrijving verrekening (kantoorofferte)’ontvangen voor [appellant] als verzekeringnemer, waarin wordt verzocht met spoed een offerte op te maken. Handgeschreven staat op het aanvraagformulier vermeld:
‘VBK € 160.209’, wat correspondeert met het in de offerte genoemde voorbeeldkapitaal. Ook staat op het aanvraagformulier vermeld:
‘Verpanding aan ING Hypotheek offertenr, [offertenummer] ’en dat verrekening moet plaatsvinden met de eerder op naam van [appellant] afgesloten polis [polisnummer 1] .
- Op 22 april 2008 heeft NN bericht dat zij de aanvraag voor een kapitaalverzekering op naam van [appellant] heeft ontvangen en deelt zij mee dat het verzekerde bedrag (het verzekerd kapitaal zonder winstdeling) is vastgesteld op € 100.000,- met een premie van € 400,40 per maand voor de duur van 20 jaar, ingaande op het moment van het passeren van de hypotheek. In dit bericht wordt ook het gereserveerde polisnummer vermeld (polis [polisnummer 2] ) en dat als voorlopige datum voor de verrekening van (de waarde van) polis [polisnummer 1] en ingangsdatum van de nieuwe verzekering is uitgegaan van 1 mei 2008.
- In de akte van geldlening van 22 mei 2008 is bij de inpandgeving opgenomen dat polis [polisnummer 1] door [appellant] in pand wordt gegeven aan ING .
- In een door NN op 6 juni 2008 ontvangen brief van ING , mede ondertekend door [appellant] , heeft ING , onder verwijzing naar de akte van geldlening van 22 mei 2008, mededeling van de verpanding van polis [polisnummer 1] gedaan, onder vermelding van het offertenummer ** [offertenummer] .
- Op 3 september 2008 heeft NN het polisblad aan [appellant] toegezonden. Op het polisblad staat vermeld dat de polis ( [polisnummer 2] ) is ingegaan op 22 mei 2008 en de verzekerde som (het verzekerd kapitaal zonder winstdeling) € 101.000,- bedraagt met een premie van
€ 406,32 per maand. Ook staat op het polisblad vermeld dat [appellant] ingevolge de akte van 22 mei 2008 alle uit deze verzekering voortvloeiende rechten en vorderingen in pand heeft gegeven aan ING en dat polis [polisnummer 1] is vervallen en de daarin opgebouwde waarde is opgenomen (verrekend) in deze verzekering.
- Op 5 september 2008 heeft [appellant] bericht ontvangen van NN dat de premiebetalingen voor polis [polisnummer 1] over de periode van mei 2008 tot oktober 2008 aan hem worden terugbetaald.
- [appellant] heeft vanaf de ingangsdatum in mei 2008 tot december 2024 de verhoogde premie aan NN betaald.
5.11
Het hof is van oordeel dat in de door ING en NN overgelegde documentatie uit 2008, als hiervoor samengevat en in onderlinge samenhang beschouwd, voldoende aanknopingspunten te vinden zijn voor de juistheid van hun standpunt dat het de bedoeling van partijen is geweest dat ING bij de verstrekking van de geldlening aan [appellant] op 22 mei 2008 een rechtsgeldig pandrecht verkreeg op de rechten die voortvloeien uit de in verband daarmee eveneens op 22 mei 2008 tussen [appellant] en NN van kracht geworden kapitaalverzekering (polis [polisnummer 2] ), waarin de in polis [polisnummer 1] opgebouwde waarde werd verdisconteerd en waarna polis [polisnummer 1] als beëindigd werd beschouwd. Naar voorlopig oordeel van het hof is een nieuwe kapitaalverzekering gesloten, waarbij de waarde van polis [polisnummer 1] is ingebracht in polis [polisnummer 2] , en berust de vermelding in de pandakte van polis [polisnummer 1] in plaats van polis [polisnummer 2] op een voor partijen duidelijke kennelijke vergissing, zodat op voorhand geenszins kan worden uitgesloten dat wanneer dit geschil aan de bodemrechter wordt voorgelegd, deze de vordering van [appellant] om de afkoopwaarde aan hem uit te keren zal afwijzen. Het voorgaande voert tot de slotsom dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in plaats van ING een aanspraak heeft op uitkering van de afkoopwaarde door NN aan hem.
De belangenafweging
5.12
Het hof ziet onder de gegeven omstandigheden geen grond voor toewijzing van het door [appellant] gevorderde geldbedrag in kort geding, ook niet na afweging van de belangen van de partijen. Het hof neemt daartoe, naast het feit dat de aannemelijkheid van de vordering niet in hoge mate vaststaat, ook in aanmerking dat [appellant] zijn stelling in hoger beroep dat hij op dit moment de beschikking dient te hebben over dit geld om zijn bedrijf van een kapitaalinjectie te voorzien, niet concreet (met objectiveerbare bedrijfsgegevens) heeft onderbouwd, en dat hij ook overigens slechts zeer summier naar voren heeft gebracht dat hij een (spoedeisend) belang heeft om op korte termijn over de afkoopwaarde te kunnen beschikken. Daartegenover heeft ING naar voren gebracht dat de boot waarvoor de geldlening werd verstrekt, zodanig in waarde is gedaald, dat bij onderhandse of executoriale verkoop een forse restschuld overblijft, zelfs nadat op de schuld de afkoopwaarde in mindering wordt gebracht. Dat is door [appellant] ook niet (gemotiveerd) weersproken. Daarnaast heeft ING gemotiveerd gesteld dat volgens de eigen stellingen van [appellant] het restitutierisico aanzienlijk is en [appellant] ook niet duidelijk heeft gemaakt waarom hij op dit moment meer belang heeft bij een kapitaalinjectie en/of om, zoals in de dagvaarding uiteengezet, zijn verhuurder als schuldeiser te voldoen, dan om tot vermindering van zijn schuld aan ING over te gaan, waarbij ING heeft aangekondigd dat wanneer uitkering van de afkoopwaarde aan [appellant] moet plaatsvinden, zij de hypothecaire geldlening onmiddellijk opeisbaar zal stellen. Het hof is in het licht van al deze omstandigheden van oordeel dat het belang van ING en NN om zonodig in een bodemprocedure een diepgaand onderzoek te kunnen laten verrichten naar de juridische verhouding tussen hen en [appellant] in dit geval zwaarder moeten wegen dan het belang van [appellant] om onmiddellijk te beschikken over de afkoopwaarde.
5.13
Uit het voorgaande volgt dat de grieven III en IV en de daarop voortbouwende grief V evenmin slagen. Ook hetgeen [appellant] met het oog op de devolutieve werking van het hoger beroep heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.
Conclusie en proceskosten
5.14
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis in kort geding bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Die proceskosten worden aan de zijde van NN begroot op:
griffierecht € 2.255,-
salaris advocaat € 4.426,- (2 punten × tarief IV ad € 2.213,-)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 6.870,-
en aan de zijde van ING begroot op:
griffierecht € 2.255,-
salaris advocaat € 4.426,- (2 punten × tarief IV ad € 2.213,-)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 6.870,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

6.Beslissing

Het hof:
- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 5 november 2025;
  • veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van NN begroot op € 6.870,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van ING begroot op € 6.870,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen aan de partij(en) die heeft (hebben) betekend, plus (telkens) extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald.
  • verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. I. Brand, P.M. Verbeek en A.J. Swelheim, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

2.Vgl. HR 22 januari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4317, NJ 1082/505 en HR 30 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6341,
3.Zie o.m.: HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1488 (Stichting Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.), HR 16 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4602 en HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:590.