ECLI:NL:RBROT:2025:13034

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
C/10/707743 / KG ZA 25-988
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen inzake geldvordering en afkoopwaarde kapitaalverzekering in kort geding

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 5 november 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen [eiser] en de gedaagden Nationale-Nederlanden Levensverzekeringmaatschappij N.V. (NN) en ING Bank N.V. [Eiser] vorderde betaling van een bedrag van € 86.488,40 aan NN, vermeerderd met wettelijke rente, en betaling van buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast vorderde hij van ING dat deze zou dulden dat NN het bedrag aan hem uitkeert. De achtergrond van de zaak betreft een geldlening die [eiser] in 2007 bij ING heeft afgesloten, waarvoor hij een kapitaalverzekering bij NN moest afsluiten. [Eiser] stelde dat hij recht had op de afkoopwaarde van de verzekering, maar NN en ING betwistten dit, stellende dat de rechten uit de verzekering aan ING waren verpand. De voorzieningenrechter oordeelde dat [eiser] onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij recht had op de gevorderde bedragen, mede gezien het risico van onmogelijkheid van terugbetaling. De vorderingen van [eiser] werden afgewezen, en hij werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan zowel NN als ING.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Zaaknummer: C/ 10 /707743 / KG ZA 25-988
Vonnis in kort geding van 5 november 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.J.G. Gipmans,
tegen

1.NATIONALE-NEDERLANDEN LEVENSVERZEKERINGMAATSCHAPPIJ N.V.,

te Rotterdam,
advocaat: mr. T. Riyazi,

2.ING BANK N.V.,

te Amsterdam,
advocaat: mr. A.L. de Vogel,
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: NN en ING.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van NN van 14 oktober 2025, met producties 1 tot en met 21;
- de akte tevens houdende overlegging producties van NN, met producties 1 tot en met 6;
- de correspondentie tussen mr. Riyazi, de rechtbank en mr. Gipmans over het dagvaarden van ING;
- de dagvaarding van ING van 16 oktober 2025, met producties 1 tot en met 6;
- de akte overlegging producties van [eiser] , met aanvullende producties 22 tot en met 25;
- de akte weergave van de feiten tevens houdende overlegging producties van ING, met producties 1 tot en met 16;
- de mondelinge behandeling van 22 oktober 2025 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde spreekaantekeningen van [eiser] en van ING.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 21 december 2007 heeft ING een geldlening verstrekt aan [eiser] ter hoogte van € 60.000,00 ter financiering van een boot. Een voorwaarde voor deze geldlening was dat [eiser] ter hoogte van dit bedrag een gemengde verzekering zou afsluiten.
2.2.
[eiser] heeft in december 2007 bij de rechtsvoorganger van NN (hierna eveneens aangeduid als: NN) een kapitaal- en risicoverzekering afgesloten onder polisnummer [polisnummer X] (hierna: polis [polisnummer X] ). De verzekering garandeert dat aan [eiser] een bedrag van € 53.262,00 wordt uitgekeerd op 1 december 2022 of na het overlijden van [eiser] .
2.3.
In de akte van geldlening van 21 december 2007 is vermeld dat alle rechten die voortvloeien uit de verzekering zijn verpand aan ING.
2.4.
[eiser] wenste begin 2008 een nieuwe en duurdere boot aan te schaffen waarvoor een geldlening nodig was van € 263.046,00. Voor de verstrekking van de ophoging van de geldlening stelde ING als voorwaarde dat ook de kapitaalverzekering wordt opgehoogd.
2.5.
In de offerte van ING van 27 maart 2008 staat vermeld dat het voorbeeldkapitaal van de verzekering minimaal € 160.609,00 dient te bedragen. Ook staat in de offerte vermeld dat bij het ingaan van de lening een zekerheid wordt gevestigd in de vorm van verpanding van de genoemde verzekering. De offerte is door [eiser] ondertekend.
2.6.
Op 22 april 2008 heeft NN een opgave gedaan van het voorbeeldkapitaal van de opgehoogde verzekering, te weten € 160.941,00.
2.7.
Bij akte van geldlening van 22 mei 2008 heeft ING de geldlening van een bedrag van € 263.046,00 aan [eiser] verstrekt. In de akte is vermeld dat alle rechten die voortvloeien uit de verzekering (polis [polisnummer X] ) zijn verpand aan ING.
2.8.
Op 22 mei 2008 is door ING en [eiser] aan NN een mededeling van verpanding van de rechten voortvloeiende uit een bij NN gesloten overeenkomst van levensverzekering onder polis [polisnummer X] gedaan. In de kantlijn is de datum van de akte van geldlening van 22 mei 2008 geschreven waar de datum van 16 juli 2008 is doorgehaald.
2.9.
Bij brief van 3 september 2008 heeft NN aan [eiser] een kopie gestuurd van de polis met polisnummer [polisnummer Y] (hierna: polis [polisnummer Y] ). In de brief is vermeld dat ingevolge de akte van 22 mei 2008 de rechten en vorderingen die uit deze verzekering voortvloeien in pand zijn gegeven aan ING. Ook is vermeld dat de verzekering onder polis [polisnummer X] is komen te vervallen en dat de waarde daarvan is verrekend in deze verzekering.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert jegens NN – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, NN te veroordelen tot:
betaling aan [eiser] van een bedrag van € 86.488,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2025;
betaling aan [eiser] van een bedrag van € 1.639,88 aan buitengerechtelijke incassokosten;
betaling van de proceskosten, inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] vordert jegens ING – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ING te veroordelen tot:
het dulden, althans gedogen, dat NN het bedrag van € 86.488,40, vermeerderd met de wettelijke rente, aan [eiser] uitkeert;
betaling van de proceskosten, inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.3.
[eiser] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser] heeft een kapitaalverzekering afgesloten bij NN die op grond van de polis vroegtijds kan worden afgekocht tegen een bepaalde waarde. NN weigert om tot uitkering van de afkoopwaarde over te gaan omdat zij zich op het standpunt stelt dat de rechten uit de verzekering zijn verpand aan ING. Dit is echter volgens [eiser] niet het geval. Slechts polis [polisnummer X] was verpand aan ING en die polis is komen te vervallen. Polis [polisnummer Y] is niet rechtsgeldig verpand. [eiser] heeft geen hieraan ten grondslag liggende opdrachten verstrekt. Bovendien heeft de Commissie van Beroep van het Kifid naar aanleiding van een klacht van [eiser] in haar uitspraak van 17 juni 2025 reeds geoordeeld dat de verzekering onder polis [polisnummer Y] niet aan ING is verpand.
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen omdat hij zowel zakelijk als privé vreest voor faillissement. Vanwege de hardheid van de vorderingen staat het restitutierisico niet aan toewijzing hiervan in de weg, aldus [eiser] .
3.4.
NN en ING voeren gelijkluidend verweer. NN heeft zich op de mondelinge behandeling aangesloten bij het verweer dat ING daar heeft gevoerd. NN en ING concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , ING met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.5.
NN en ING stellen zich op het standpunt dat de verzekering onder polis [polisnummer Y] rechtsgeldig is verpand aan ING. NN kan daarom niet overgaan tot uitkering van de afkoopwaarde van de verzekering aan [eiser] . NN beroept zich op het recht betaling op te schorten. Onder meer uit de ondertekening van de offerte van 27 maart 2008 en uit de akte van geldlening van 22 mei 2008 blijkt dat [eiser] is akkoord gegaan met de verpanding van de opgehoogde kapitaalverzekering als voorwaarde voor de opgehoogde geldlening. Net zoals bij de oorspronkelijke geldlening was verpanding van de kapitaalverzekering een voorwaarde voor het verstrekken van de geldlening. Op de akte van geldlening staat het oude polisnummer van polis [polisnummer X] vermeld omdat het nieuwe polisnummer (polis [polisnummer Y] ) nog niet bekend was. Het polisnummer is pas op 3 september 2008 gewijzigd. Daarnaast is er mededeling gedaan van de verpanding van de verzekering met daarin de verwijzing naar de akte van 22 mei 2008. NN en ING bestrijden de conclusie die [eiser] trekt uit de uitspraak van de Commissie van Beroep van het Kifid.
NN en ING betwisten ook dat [eiser] een spoedeisend belang heeft. [eiser] heeft eerder verklaard dat hij niet op de gelden zit te wachten. Op dit moment is er een groot restitutierisico. Bovendien zal ING de mogelijkheid hebben om de geldlening op te eisen en ter waarborging van haar rechten direct beslag op de vordering in verband met de kapitaalverzekering te leggen.

4.De beoordeling

4.1.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter mede betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
4.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat [eiser] voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Zowel zakelijk als privé verkeert [eiser] financieel gezien in zwaar weer en [eiser] vreest voor (persoonlijk) faillissement. Dit is door NN en ING ook niet betwist. Dat ING bij toewijzing van de vordering jegens NN mogelijk daarop beslag kan laten leggen, maakt het belang van [eiser] niet geringer en niet minder spoedeisend, alleen al omdat tegen beslaglegging een rechtsmiddel openstaat.
4.3.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] een kapitaalverzekering heeft afgesloten bij NN waarbij in de polisvoorwaarden de mogelijkheid tot vervroegde afkoop van de verzekering is opgenomen. In beginsel heeft [eiser] daarmee dus een vordering op NN tot uitkering van de afkoopwaarde van de verzekering. Een verpanding aan ING zou evenwel in de weg staan aan uitbetaling aan [eiser] , nu ING daarvoor geen toestemming verleent. In dit kort geding gaat het daarom in eerste instantie om de vraag of voldoende aannemelijk is dat de betwisting door [eiser] van het door ING gepretendeerde pandrecht in een bodemprocedure zou worden gehonoreerd.
4.4.
Ter onderbouwing van het standpunt van NN en ING dat de verzekering aan ING is verpand, wijzen zij onder meer op de door [eiser] ondertekende offerte van 27 maart 2008 voor de ophoging van de geldlening waarin als voorwaarde voor verstrekking van de geldlening is vermeld dat de kapitaalverzekering moet worden verhoogd en opnieuw moet worden verpand aan ING. Vervolgens is de akte van geldlening tot stand gekomen op 22 mei 2008, waarin de verhoogde geldlening is verstrekt en waarin de kapitaalverzekering wordt verpand aan ING. Alhoewel in de akte van geldlening het polisnummer van polis [polisnummer X] is opgenomen, komt het de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk of onaannemelijk voor dat dit betrekking heeft op de polis die op een later moment het polisnummer [polisnummer Y] heeft gekregen. Dit vindt verder steun in de omstandigheid dat door ING en [eiser] aan NN een mededeling is gedaan van de verpanding van de verzekering waarin wordt verwezen naar de datum van de akte van geldlening van 22 mei 2008.
4.5.
Gelet op deze stukken in samenhang bezien en gelet op de stappen die vanaf de oorspronkelijke geldlening en de kapitaalverzekering hebben geleid tot een – daadwerkelijk verstrekte – verhoogde geldlening, is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet op voorhand gezegd kan worden dat het standpunt van NN en ING geen reële kans van slagen heeft. Dat standpunt vormt een gemotiveerde en onderbouwde betwisting die maakt dat het bestaan van een opeisbare vordering van [eiser] op NN niet voldoende aannemelijk is geworden voor toewijzing daarvan in kort geding. Daaraan doet in dit kort geding niet af hetgeen de Commissie van Beroep van het Kifid naar aanleiding van een klacht van [eiser] tegen ING heeft overwogen in een uitspraak van 17 juni 2025. De voorzieningenrechter is niet op voorhand overtuigd van de juistheid van de daarin getrokken conclusie over de verpanding en acht zich ook niet op voorhand hieraan gebonden, mede omdat niet kan worden vastgesteld dat daarover toen een voldragen debat heeft plaatsgevonden. Een uitspraak in een bodemprocedure zou duidelijkheid kunnen geven over de vraag welke betekenis toekomt aan de uitspraak van de Commissie.
4.6.
Een afweging van de belangen van partijen leidt niet tot een ander oordeel.
In dat kader weegt mee dat sprake is van een aanzienlijk risico dat het voor [eiser] onmogelijk is om de gelden terug te betalen indien de vorderingen van [eiser] in kort geding worden toewezen en vervolgens een bodemrechter zou beslissen dat [eiser] geen gelijk heeft. Dit restitutie-risico volgt uit de eigen stellingen van [eiser] over zijn financiële situatie.
4.7.
Dat betekent dat de vorderingen van [eiser] op NN moeten worden afwezen. De vorderingen op ING zijn daarvan afhankelijk en dienen om die reden eveneens te worden afgewezen.
4.8.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De proceskosten van NN worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.280,00
De proceskosten van ING worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.280,00
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten van ING wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] tot betaling aan NN van de proceskosten van € 4.280,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling aan ING van de proceskosten van € 4.280,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [eiser] tot betaling aan ING van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.
3304/1694