Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande bedrijfswoning uit 1967 gelegen op een bedrijventerrein met een perceel van circa 13.193 m². De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde voor het belastingjaar 2022 vast op €446.000, gebaseerd op een taxatieverslag en vergelijkingsobjecten. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de beschikking, stellende dat de waarde te hoog is vastgesteld en dat het vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel en verbod van willekeur zijn geschonden.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Gerechtshof bevestigde deze uitspraak. Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar aan zijn bewijslast heeft voldaan door onder meer de waarde van de bedrijfsgrond en restgrond te onderbouwen met verkoopprijzen van vergelijkbare percelen en de opstalwaarde te baseren op herbouwkosten. De door belanghebbende aangevoerde gebreken aan de woning zijn volgens het Hof reeds verdisconteerd in de lage m²-prijs.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat het taxatieverslag onjuiste waarde- en toestandspeildata bevatte en niet als concrete toezegging kon worden aangemerkt. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur slaagde niet wegens gebrek aan onderbouwing met identieke gevallen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en proceskosten werden niet toegewezen.