Belanghebbende is eigenaar van een woning die voor het kalenderjaar 2022 door de heffingsambtenaar is gewaardeerd op €826.000. Tegen deze beschikking en de daarop gebaseerde aanslag is bezwaar gemaakt, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij de Rechtbank, die het beroep eveneens ongegrond verklaarde en het verzoek om immateriële schadevergoeding afwees.
In hoger beroep betwist belanghebbende de vastgestelde WOZ-waarde en stelt dat de heffingsambtenaar de toezendplicht en het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Tevens vordert hij een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het gerechtshof heeft de zaak opnieuw beoordeeld en geoordeeld dat de rechtbank terecht de WOZ-waarde heeft bevestigd, waarbij de gehanteerde vergelijkingsobjecten passend zijn en rekening is gehouden met relevante factoren zoals de ligging en brandgang.
De klacht dat erfpacht niet in de waardering is meegenomen, wordt verworpen omdat de waardering uitgaat van volle en onbezwaarde eigendom. De toezendplicht is niet geschonden aangezien de heffingsambtenaar geen gebruik maakt van de gevraagde gegevens, wat in eerdere jurisprudentie is bevestigd. Wel wordt het verzoek om immateriële schadevergoeding toegewezen wegens een overschrijding van 53 dagen in de bezwaarfase, waarbij een bedrag van €500 wordt toegekend.
Daarnaast veroordeelt het hof de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierechten in beroep en hoger beroep. De uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de immateriële schadevergoeding.