ECLI:NL:GHDHA:2025:2595
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtsgeldigheid WOZ-beschikking en aanslag onroerende-zaakbelastingen
Belanghebbende is eigenaar van een woning in Rotterdam en maakte bezwaar tegen de WOZ-beschikking en de aanslag onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2023. De Heffingsambtenaar stelde de waarde vast op €534.000. Na een ongegrondverklaring van het bezwaar door de Heffingsambtenaar, stelde belanghebbende beroep in bij de Rechtbank Rotterdam, die het beroep eveneens ongegrond verklaarde.
In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de beschikking en aanslag in strijd waren met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en artikel 13 EVRM Pro in verbinding met artikel 1 EP Pro, en dat de WOZ-beschikking 2020 niet rechtsgeldig was omdat deze op een zondag was gedateerd. Het hof verwierp deze grieven. Het hof bevestigde dat de waardebepaling volgens de Wet WOZ binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever valt en dat de WOZ-waarde jaarlijks onafhankelijk wordt vastgesteld.
Ook oordeelde het hof dat de dagtekening op een zondag geen rechtsregel schendt en dat de WOZ-beschikking 2020 onherroepelijk vaststaat omdat belanghebbende niet tijdig bezwaar had gemaakt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.