ECLI:NL:GHDHA:2024:2365
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake WOZ-waarde en procesbelang hoger beroep
Belanghebbende, eigenaar van een woning, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde die was vastgesteld op €850.000 voor het jaar 2022. Bij uitspraak op bezwaar werd de waarde verminderd tot €825.000 en werd een vergoeding van €538 toegekend voor de kosten van bezwaar. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde omdat de waarde niet langer in geschil was en belanghebbende geen procesbelang had.
In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de waarde niet meer in geschil was en dat hij wel procesbelang had, onder meer vanwege vermeende schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ en beginselen van behoorlijk bestuur. Het hof overwoog dat tijdens de zitting bij de rechtbank belanghebbende expliciet had bevestigd dat het niet meer ging om de waarde, maar alleen om de vraag of de heffingsambtenaar had voldaan aan zijn toezendverplichting.
Het hof oordeelde dat belanghebbende geen belang meer had bij het beroep, omdat het beroep hem niet in een betere positie kon brengen. Het enkel doorprocederen voor een vergoeding van de beroepsfase levert geen procesbelang op. Ook een misslag in het dictum van de rechtbank leidt niet tot vernietiging als de appellant daar niet bij gebaat is. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.