ECLI:NL:GHDHA:2024:2247
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in WOZ-zaak
Belanghebbende is eigenaar van een galerijflat en maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde vastgesteld op €219.000 voor 2021. De Heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond. De Rechtbank Rotterdam wees het beroep af en weigerde vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn, omdat belanghebbende de vergoeding aan zijn gemachtigde had overgedragen.
Belanghebbende stelde in hoger beroep dat deze overdracht niet betekent dat hij geen spanning en frustratie heeft geleden. Het Hof oordeelt dat de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding toekende en dat de overschrijding van de redelijke termijn met circa negen maanden leidt tot een vergoeding van €1.000.
De vergoeding wordt verdeeld over de bezwaarfase (€555 door Heffingsambtenaar) en beroepsfase (€445 door de Staat). Daarnaast veroordeelt het Hof de Heffingsambtenaar en de Staat tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank vernietigd voor zover deze de immateriële schade betreft.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en belanghebbende krijgt vergoeding immateriële schade en proceskosten toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.