ECLI:NL:GHDHA:2024:2109
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling procesbelang huurder bij WOZ-waarde en relativiteitsvereiste
Belanghebbende, huurder van een woning, stelde beroep in tegen de vastgestelde WOZ-waarde voor het jaar 2022. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op € 226.000 en het bezwaar ongegrond verklaard. De Rechtbank verklaarde het beroep eveneens ongegrond wegens gebrek aan materieel procesbelang, omdat geen aanslagen aan belanghebbende waren opgelegd en hij geen procedure tot huurverlaging had ingesteld.
Belanghebbende voerde in hoger beroep aan dat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb niet van toepassing is op een belanghebbende die opkomt tegen een besluit jegens hemzelf. Het Gerechtshof overwoog dat de Hoge Raad in een recent arrest bevestigde dat eenieder aan wie een WOZ-beschikking is bekendgemaakt een belang heeft, maar dat een uitzondering geldt indien uit feiten blijkt dat wijziging van de WOZ-waarde de gebruiker niet in een betere positie kan brengen.
In deze zaak had belanghebbende geen feiten of omstandigheden aangevoerd die een financieel belang bij verlaging aannemelijk maakten. Er waren geen aanslagen of huurprocedures die de WOZ-waarde als heffingsmaatstaf gebruikten. Het hof oordeelde dat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, maar dat dit niet tot een andere uitkomst leidt omdat belanghebbende niet in een betere positie komt. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
De toegang tot de rechter is gewaarborgd voor wie door een wijziging in de WOZ-waarde daadwerkelijk in een betere positie kan komen, zodat er geen strijd met Europees recht is. Het hof veroordeelde de heffingsambtenaar niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de huurder tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard omdat hij geen financieel belang aannemelijk heeft gemaakt.