Uitspraak
Op 7 juli 2015 hebben de Stichting c.s. bij memorie van grieven (met producties) hun eis gewijzigd en 48 grieven tegen het vonnis aangevoerd. Op 26 januari 2016 heeft de Staat bij memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, de grieven bestreden en zijnerzijds incidenteel appel ingesteld waarbij hij voor de inhoud daarvan verwijst naar zijn grieven in de zaak met zaaknummer 200.158.313.
Op 7 juli 2015 heeft de Staat bij memorie van grieven 5 grieven tegen het vonnis aangevoerd. Bij memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, hebben de Stichting c.s. de grieven bestreden en hunnerzijds incidenteel appel ingesteld waarbij zij voor de inhoud daarvan verwijzen naar hun grieven in de zaak met zaaknummer 200.160.137.
“Srebrenica. Een ‘veilig’ gebied. Reconstructie, achtergronden, gevolgen en analyses van de val van een Safe Area”, delen I t/m III (hierna: het NIOD-rapport), de Parlementaire enquête Srebrenica:
“Missie zonder Vrede”, eindrapport aangeboden aan de Tweede Kamer op 27 januari 2003 (Kamerstukken II 2002/2003, 28506, nrs 2-3), en de Parlementaire enquête Srebrenica
“Missie zonder Vrede”, verhoren(Kamerstukken II 2002/2003, 28506, nr. 5). Deze stukken zijn openbaar en via internet te raadplegen. Conform de kennelijke wens van beide partijen maken deze stukken (langs die openbare weg) wel onderdeel uit van de procesdossiers.
United Nations Protection Force(hierna: UNPROFOR) ingesteld, met hoofdkwartier in Sarajevo. In de Resolutie staat onder meer:
United Nations Peace Forces(hierna: (ook) UNPROFOR of UNPF).
Armija Bosna I Herzegovina(hierna: ABiH)) en het (door de rompstaat Joegoslavië, onder leiding van S. Milošović, gesteunde) Bosnisch-Servische leger (
Bosnian Serb Army(hierna: BSA) of
Vojska Republijke Srpske(hierna: VRS)).
Medicins Sans Frontières(hierna: MSF), op 10 maart 1993 een bezoek aan het belegerde en overbevolkte Srebrenica gebracht. Op 14 maart 1993 heeft hij daar een menigte Bosnische Moslims toegesproken waarbij hij hun heeft toegezegd dat zij onder bescherming stonden van de VN en dat hij hen niet in de steek zou laten.
Agreement on the status of the United Nations Protection Force in Bosnia and Herzegovinaondertekend (ook wel de
Status of Forces Agreementgenoemd, hierna: SOFA) waarmee de (juridische) status van UNPROFOR in Bosnië-Herzegovina werd vastgelegd.
in areas where those have been agreed by the parties directly concerned;
close air support” in voornoemd rapport ziet op inzet van het luchtwapen ter directe ondersteuning van VN-troepen op de grond.
“Close air support”is te onderscheiden van de term “
air strikes” die ziet op een luchtaanval met een destructief karakter. De aanvraagprocedure voor
close air supportbestond uit twee delen:
1. goedkeuring door de VN, door achtereenvolgens het sectorhoofdkwartier te Tuzla, UNPROFOR in Sarajevo, het UNPF-hoofdkwartier in Zagreb, het
Crisis Action Teamonder leiding van de chef-staf in Zagreb, de
Force Commander(Janvier) en de speciale VN-gezant voor Bosnië-Herzegovina (Akashi) en
2. goedkeuring door de NAVO, meer in het bijzonder door de
Commander-in-Chief Allied Forces Southern Europein Napels, na betrokkenheid van de liaison-officieren in Sarajevo of Zagreb en het
Combined Air Operation Center(CAOC) van de NAVO-luchtmacht in Vicenza.
light’ optie overgenomen in Resolutie 844 van 18 juni 1993.
safe areas(term genoemd in punt 1 van Resolutie 819, zie hiervoor onder 2.9). Dat aanbod heeft de Nederlandse minister van defensie op 7 september 1993 herhaald tegenover de secretaris-generaal van de VN, die het op 21 oktober 1993 heeft aanvaard. Op 12 november 1993 heeft de Nederlandse regering met de uitzending van Dutchbat ingestemd.
safe area,ongeveer vijf kilometer van de stad Srebrenica. In de stad Srebrenica werd één compagnie van Dutchbat gelegerd. Daarnaast bemande Dutchbat een aantal observatieposten (hierna ook: OP’s of Ops).
command and controlovergedragen ten behoeve van de uitvoering van het mandaat van §5 en §9 van Resolutie 836 (zie hiervoor onder 2.13). De door de Staat aan de VN overgedragen
command and controlis onder andere omschreven in het operatiebevel van 14 december 1994, dat ziet op de aflossing van Dutchbat II door Dutchbat III. Daarin staat onder meer:
a.Bevelvoering
staat Dutchbat oob [NAVO: operational control1 (opcon)] van UNPROFOR”
operational controlstaat:
OPCON. The authority delegated to a commander to direct forces assigned so that the commander may accomplish specific missions or tasks which are usually limited by function, time or location; to deploy units concerned, and to retain or assign tactical control of those units. It does not include authority to assign separate employment of components of the units concerned. Neither does it, of itself, include administrative or logistic control [NL: onder operationeel bevel (oob)]”
command and controlbehelsde de zeggenschap over de operationele uitvoering van het mandaat door Dutchbat. Dutchbat werd ten aanzien hiervan aangestuurd via de VN-bevelslijn van UNPROFOR, van waaruit de operationele bevelen en instructies werden gegeven aan de commandant van Dutchbat. De Staat behield de bevoegdheid om troepen terug te halen en de deelname aan de operatie te staken en om militairen te straffen en behield ook de zeggenschap over de voorbereiding van de Nederlandse troepen, de personele aangelegenheden en de materiële logistiek.
Force Commanderopgestelde
Rules of Engagement, de
Standing Operating Procedures(hierna: SOP) en de
Policy Directives. Het ministerie van defensie heeft deze gedragsregels en instructies, alsmede een aantal bestaande en speciaal voor deze missie opgestelde regels vastgelegd in de (Nederlandse) Vaste Order 1 (NL) VN Infbat.
Force Commanderwas de (Franse) luitenant-generaal B. Janvier (hierna: Janvier);
Defensie Crisisbeheersingscentrum(DCBC) volgde beleidsmatig vanuit Den Haag wat er gebeurde bij de vredesoperatie.
Commander-in-Chief Allied Forces Southern Europein Napels (hierna: CINCSOUTH) te weten de Amerikaanse admiraal Leighton Smith (hierna: admiraal Smith of Leighton Smith – aldus te onderscheiden van de hierboven onder (vi) genoemde Smith van de VN).
safe areaverliep grotendeels over Bosnisch-Servisch gebied en geschiedde met konvooien. Vanaf medio 1994 weigerden de Bosnische Serven toestemming te verlenen aan konvooien op weg naar de
safe area,waardoor niet alle voor de bevolking in de
safe areabestemde humanitaire hulp en voedsel op de plaats van bestemming aankwamen. Ook de bevoorrading van Dutchbat leed hieronder.
air strikes) uit op doelen in de buurt van het Bosnisch-Servische regeringscentrum in Pale. Daarna namen de Bosnische Serven honderden UNPROFOR-militairen gevangen om met deze gijzelaars verdere aanvallen te voorkomen. Op 28 mei 1995 namen de Bosnische Serven twee observatieposten van Britbat in en gijzelden zij Britse militairen, waarop Britbat zich op zijn compound terugtrok. In overleg tussen Nicolai en Karremans is, in afwachting van nadere aanwijzingen van Smith, bepaald dat voorbereidingen zouden worden getroffen om de observatieposten zonodig binnen een uur te kunnen verlaten. De observatieposten zouden worden gehandhaafd tot nader order of totdat serieus gevaar dreigde, met de instructie van Nicolai dat geen onnodig risico gelopen moest worden.
air strikeskonden UNHCR-konvooien Srebrenica nog maar sporadisch bereiken, waardoor de VN in juni 1995 nog slechts konden voorzien in 30% van de voedselbehoefte (NIOD-rapport p. 1912).
Post Airstrike Guidancegegeven, die voor zover hier van belang als volgt luidt:
standing orderwas bij gedwongen vertrek van een OP (NIOD-rapport p. 2005).
safe area. Toen de Bosnische Serven de stad Srebrenica waren genaderd, is de doelstelling van deze aanval uitgebreid tot het innemen van de stad Srebrenica.
safe areaheeft ABiH herhaaldelijk aan Dutchbat gevraagd of zij (weer) de beschikking kon krijgen over op grond van de demilitariseringsovereenkomsten ingeleverde wapens. Dutchbat heeft deze verzoeken afgewezen.
safe area(
‘air presence’). Op een later die dag ingediende aanvraag tot luchtsteun heeft UNPROFOR te Zagreb geen beslissing genomen.
blocking positionsin te nemen teneinde een blokkade op te werpen tegen de opmars van de Bosnische Serven. Het bevel dat het mondelinge bevel bevestigde, in de Nederlandse taal door De Ruiter opgesteld en door Nicolai ondertekend, luidt als volgt:
blocking positionzou aanvallen,
close air supportingezet zou worden (NIOD-rapport p. 2151).
blocking positionsingenomen (Bravo 1 tot 4), Bravo-1 ten westen van de stad Srebrenica, Bravo-2 en 4 op de weg van Zeleni Jadar naar Srebrenica en Bravo-3 ten oosten van Srebrenica. Omdat vanuit Bravo‑4 de positie van Bravo-2 kon worden bestreken, kwam Bravo-2 in de praktijk te vervallen. Groen gaf om 19:13 uur de opdracht aan de bemanning van Bravo-1 zich terug te trekken naar Srebrenica. De bemanning van Bravo-3 en 4 trok zich eveneens terug. Luchtsteun is die dag niet gegeven. In de nacht van 10 op 11 juli 1995 verbleef de bemanning van Bravo-1, 3 en 4 in de stad Srebrenica.
Wij moeten de komende weken de allerhoogste voorrang geven aan de veiligheid van de Nederlandse militairen. De opdracht aan de commandanten is ook om op de eerste plaats slachtoffers te vermijden. Ik wil al die mannen en vrouwen heelhuids thuis zien. (…) We hebben ook de afgelopen dagen met al die commandanten getelefoneerd en gesproken. Wij willen geen risico’s voor het Nederlandse personeel lopen, geen onverdedigbare stellingen gaan verdedigen. Wees wijs en breng al onze jongens en meisjes heelhuids naar huis.” De bedoelde instructie aan Dutchbat om slachtoffers te vermijden wordt wel ‘de instructie van Voorhoeve’ genoemd.
blocking positionin te nemen. Dit heeft Dutchbat rond 16:00 uur gedaan. Onder dreiging van de VRS-eenheden werd deze
blocking positionenkele uren later opgegeven en door de Bosnische Serven ontwapend.
mini safe areaingericht, bestaande uit de compound in Potočari en nabij gelegen gebied ten zuiden daarvan waar zich onder meer hallen en een busremise bevonden. Het gebied was met lint afgezet en de toegangswegen met pantservoertuigen. Aan de randen waren bewakingsposten ingericht. Misschien 30.000, maar in elk geval ongeveer 20.000 tot 25.000 vluchtelingen hebben hun toevlucht gezocht in de
mini safe area. Ongeveer 5.000 van hen waren ondergebracht in de voertuighallen op de compound.
safe areazijn niet naar de
mini safe areagevlucht, maar naar de bossen in de omgeving van de stad Srebrenica (hierna: de bossen). Ongeveer 6.000 van deze mannen zijn in Bosnisch Servische handen gevallen.
mini safe areawaren slecht. Er was weinig eten, onvoldoende water voor alle vluchtelingen, een tekort aan medische hulpmiddelen en gebrek aan hygiëne. De temperaturen liepen in die dagen op tot 35 °C. De omstandigheden verslechterden zienderogen op 12 en 13 juli 1995.
mini safe areaen in de ochtend van 12 juli 1995 een derde keer. Daarbij heeft Mladić de volgorde genoemd waarin de vluchtelingen zouden worden afgevoerd. Mladić heeft aan Karremans medegedeeld dat de mannen tussen de 17 en 60 jaar eerst zouden worden gescreend op oorlogsmisdaden (onder meer NIOD-rapport p. 2641). Nadat aanvankelijk was afgesproken dat Dutchbat de evacuatie zou begeleiden en het vervoer van de vluchtelingen zou regelen, maakte Mladić in het laatste gesprek met Karremans kenbaar dat hij zou zorgen voor het vervoer.
Demanding withdrawal of the Bosnian Serb forces from the safe area of Srebrenica, Bosnia and Herzegovina’ (hierna: VN Resolutie 1004) aangenomen, die onder meer het volgende inhoudt:
safe areaterug te trekken en de Resolutie heeft ook niet geleid tot een bevel aan Dutchbat om posities in en rond Srebrenica in te nemen of anderszins te pogen om Srebrenica met militair ingrijpen te heroveren.
runop de bussen, waarbij vluchtelingen elkaar onder de voet dreigden te lopen. De eerste bussen waren overvol.
Bosnia Herzegovina Commandin Sarajevo en deze eveneens onder de aandacht van Nicolai gebracht. Volgens Karremans heeft hij voorts binnen de VN-bevelslijn mondeling melding gedaan van een waarneming door een Dutchbatter van een executie van een vluchteling, maar deze melding is niet komen vast te staan. Dutchbat heeft tot na het einde van de evacuatie geen andere meldingen over oorlogsmisdrijven gedaan.
de lijst van Franken”) met 251 namen. Deze lijst heeft hij gefaxt naar diverse nationale en internationale instanties en daarover aan de Bosnische Serven verteld. Zo’n 70 mannen op de compound weigerden (uit vrees voor problemen in plaats van bescherming) om hun naam op de lijst te zetten.
mini safe areaweggevoerd en werd begonnen met het wegvoeren van de vluchtelingen die op compound verbleven. In de avond van 13 juli 1995 - volgens het Joegoslavië Tribunaal (
International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia; hierna: ICTY) om 20.00 uur - was de evacuatie van deze vluchtelingen voltooid.
mini safe area, maar naar de bossen waren gevlucht en gevangen waren genomen, zijn ook naar Bratunac gebracht. In totaal hebben de Bosnische Serven ongeveer 7.000 uit de
safearea afkomstige mannelijke Bosnische Moslims op verschillende plaatsen gedood in massa-executies, die begonnen op 13 juli 1993 in de regio ten noorden van de stad Srebrenica en vervolgens plaatsvonden in de periode van 14 tot en met 17 juli 1995 op verschillende plaatsen ten noorden van Bratunac. Daarnaast hebben de Bosnische Serven op 12 en 13 juli 1995 in Potočari mannelijke Bosnische Moslims gedood, in aantal geschat op tussen de 100 en 400 mannen.
mini safe area.Haar zoon is op 13 juli 1995 van haar gescheiden. Zij heeft hem nadien niet meer gezien.
mini safe area.
mini safe areagevlucht, waar zij niet op de compound werd toegelaten. Zij heeft haar echtgenoot en zoons verloren.
mini safe area.Op 13 juli 1995 werd zij gescheiden van haar echtgenoot, die zij nadien niet meer heeft gezien. Het lichaam van één van haar zonen is in 2003 geïdentificeerd.
mini safe areagevlucht. Zij mochten de compound niet op. Op 12 juli 1995 is haar broer door de Bosnische Serven meegenomen voor ondervraging en nooit teruggekomen. Op 13 juli 1995 is zij gescheiden van haar echtgenoot. Het lichaam van haar echtgenoot is in een massagraf gevonden. Zij weet niets over het lot van haar zoon.
mini safe areagevlucht. Onderweg zijn haar twee zonen de bossen in gevlucht. Mevrouw [appellante 6] heeft niet geprobeerd om de compound op te komen, omdat zij had gehoord dat daar geen vluchtelingen meer werden toegelaten. Het stoffelijk overschot van haar oudste zoon is nadien gevonden. Haar andere zoon heeft zij nooit meer gezien.
mini safe areagevlucht en is daar toegelaten op de compound.
mini safe area, waar zij te horen kregen dat niemand de compound meer op kon. Op 13 juli 1995 werd zij van haar echtgenoot gescheiden. Zij heeft hem daarna nooit meer gezien.
mini safe areagevlucht. [naam] is op de compound toegelaten, zijzelf en haar echtgenoot niet. Op 12 juli 1995 werd haar zoon [naam] van de compound weggevoerd. Tot op heden is hij niet teruggevonden. Op 13 juli 1995 is [appellante 9] van haar echtgenoot gescheiden toen zij probeerden naar de bussen te komen. Het stoffelijk overschot van haar echtgenoot is in 2004 gevonden.
mini safe areagevlucht. Zij werden niet op de compound toegelaten en hebben hun toevlucht gezocht tot het buiten de compound gelegen deel van de
mini safe area. De moeder van mevrouw [appellante 10] is verkracht door de Bosnische Serven en in 1996 overleden.
safe areategen de Bosnische Serven te beschermen;
II. voor recht verklaart dat de Staat en de Verenigde Naties jegens de vrouwen genoemd onder 1 t/m 10 en de nabestaanden van wie de Stichting de belangen behartigt, onrechtmatig hebben gehandeld;
III. voor recht verklaart dat de Staat en de Verenigde Naties hun verplichting om genocide te voorkomen als bepaald in de
Convention on the Prevention and Punishment of the Crime of Genocidevan 9 december 1948 (hierna: het Genocideverdrag) hebben geschonden;
IV. de Staat en de Verenigde Naties veroordeelt tot vergoeding van de door de vrouwen genoemd onder 1 t/m 10 geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, onder betaling van een voorschot op deze schadevergoeding van € 25.000,- per persoon;
V. de Staat en de Verenigde Naties veroordeelt in de proceskosten.
mini safe areate beschermen, welke verplichting voortvloeit uit de overeenkomst tussen de Staat en de VN tot het ter beschikking stellen van troepen ter bescherming van die bevolking en is aan te merken als een derdenbeding in de zin van artikel 6:253 BW Pro en
safe areabereikten;
safe areadaartegen te beschermen, in het bijzonder heeft Dutchbat:
blocking positionste makkelijk en te snel opgegeven;
onder 4.339 bedoelde personen” op het oog de gezinsleden van de in de namiddag van 13 juli 1995 vanaf de compound gedeporteerde en vervolgens gedode mannelijke vluchtelingen, waarbij de rechtbank als uitgangspunt hanteert dat als gezinsleden moeten worden beschouwd de echtgenoten en kinderen van de volwassen mannen en de ouders van de minderjarige mannen (waarbij de rechtbank de mannen bij het bereiken van de leeftijd van achttien jaar als volwassen aanmerkt).
I. Niet openbaar gemaakte stukken; stelplicht en bewijslast
Rules of Engagementvoor UNPROFOR, de stukken met betrekking tot het overleg in het DCBC, de debriefingsrapporten van Dutchbat, de dagelijkse situatierapporten, de verhoren van onder meer Rutten en de notulen van de ministerraad van 5, 6, 7 en 11 juli 1995. Nu de Stichting c.s. niet over deze stukken kunnen beschikken, moeten volgens de Stichting c.s. -kort gezegd- lagere eisen gesteld worden aan haar stelplicht en bewijslast en verhoogde eisen aan de stelplicht en het bewijsrisico van de Staat. De Staat heeft dit gemotiveerd bestreden.
Het hof overweegt dat een grote hoeveelheid informatie over de in dit geding aan de orde gestelde gebeurtenissen wel openbaar is, waaronder de onder 1.3 genoemde rapporten, die ook beschrijvingen geven van de inhoud van niet openbare stukken, en de vele verhoren die wel in het geding zijn gebracht. Aangenomen moet worden dat op basis daarvan in het algemeen voldoende aanknopingspunten zijn geboden om relevante feiten onderbouwd te stellen. Het hof oordeelt voorts dat voor zover informatie uit de vertrouwelijke stukken toch geopenbaard is via de NIOD rapportage, getuigenverhoren of journalistieke beelden (zoals het beeldfragment van de ministerraadnotulen), deze informatie geen steun biedt voor de stelling van de Stichting c.s. dat de Staat bepaalde informatie verzwijgt of liegt. Verder verwijst het hof ter zake van de stukken met betrekking tot het DCBC, de debriefingsrapporten en de situatierapporten op hetgeen hierna onder 12.9, 12.10, 12.11 wordt overwogen en ter zake van de notulen van de ministerraad op hetgeen hierna onder 52.5 wordt overwogen. Voor zover het nodig is om getuigen (nader) te horen, konden de Stichting c.s. daartoe een bewijsaanbod doen.
II. Derdenbeding artikel 6:253 BW Pro
safe areaschept om bescherming te vorderen van de Staat (rechtbankoverwegingen 4.22 e.v.). Volgens de Stichting c.s. is dit oordeel onjuist en ongemotiveerd en bevat bedoelde overeenkomst een derdenbeding als bedoeld in artikel 6:253 BW Pro. Zij betogen dat de Staat jegens de Stichting c.s. te kort geschoten is in de nakoming hiervan. Voorts voeren de Stichting c.s. aan dat meermalen aan de bevolking van de
safe areais toegezegd dat zij zouden worden beschermd en dat de Staat ook in de nakoming van die toezeggingen tekort is geschoten. De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
To protect the civilian populations of designated Safe Areas against armed attacks and other hostile acts, through the presence of its troops and, if necessary, through the application of air power, in accordance with agreed procedures” en “
Should UNPROFOR determine that activities in those Safe Areas pose a threat to their populations, then it will act in accordance with its responsibilities, in close cooperation with the NATO.” Uit ditzelfde bericht volgt echter tevens dat voor die bescherming slechts op de - niet concreet bepaalde - aanwezigheid (
presence) van de troepen en op aanvragen van
air powergerekend kon worden. De toepassing van
air powermoest gebeuren volgens de geldende procedure die via de VN-hoofdkwartieren en de NAVO (geen partij bij de hier besproken overeenkomst) liep (zie hiervoor onder 2.15).
safe area– een onbekend en onvoorzienbaar aantal personen – een zelfstandig vorderingsrecht jegens de Staat te verschaffen. Van belang is tevens dat de overeenkomst niet strekte tot het leveren door de Staat van (heel) UNPROFOR, maar tot een
versterkingvan UNPROFOR door de Staat. Er waren ook andere bataljons, van andere lidstaten, actief voor UNPROFOR ten behoeve van dezelfde VN-missie. Dit maakt de overeenkomst naar haar aard niet een overeenkomst met een zelfstandig vorderingsrecht van derden tegen één van de lidstaten aangaande het handelen van UNPROFOR.
safe areate vorderen of op andere wijze jegens de Staat een beroep op de overeenkomst te doen.
III. Toerekening aan de Staat
inadmissible’) en dat het onjuist is om te oordelen dat deze immuniteit geen gevolgen heeft voor de beoordeling van de toerekenbaarheid aan de Staat. Omdat geoordeeld was dat het recht op toegang tot de rechter niet is aangetast juist met de motivering (mede) dat de Staat zich, anders dan de VN, niet op immuniteit kan beroepen, dient de ruimst mogelijke toerekening aan de Staat plaats te vinden, aldus de Stichting c.s. De Staat heeft de grief bestreden. Het hof overweegt het volgende.
International Law Organisation(ILO) opgestelde
Draft Articles on Responsability of International Organisations(hierna: DARIO) en de
Draft Articles on Responsibilty of States for Internationally Wrongful Acts(hierna: DARS). Het feit dat regels van internationaal recht er toe zouden kunnen leiden dat de slachtoffers bepaalde gedragingen en door Bosnische Serven gepleegde oorlogsmisdrijven niet kunnen tegenwerpen aan de VN (vanwege immuniteit) en vervolgens ook niet aan een van de VN-
effective controlover die gedragingen uitoefende. Daarvoor komt het aan op de feitelijke zeggenschap (
factual control) van de Staat over de desbetreffende specifieke gedraging (of het nalaten van die gedraging), waarbij alle feitelijke omstandigheden en de bijzondere context van het geval in ogenschouw moeten worden genomen. Terecht – en overigens ook onbestreden – heeft de rechtbank overwogen dat het enkele feit dat in de VN-bevelslijn Nederlandse militairen waren benoemd, dat Nederlandse UNPROFOR-officieren in voorkomende gevallen rechtstreekse contacten hadden met Dutchbat en dat communicatie plaatsvond tussen Nederlandse UNPROFOR-officieren en de Nederlandse regering en/of het DCBC, niet reeds meebrengt dat de Staat
effective controluitoefende (rechtbank overwegingen 4.44 – 4.55).
command and controlover Dutchbat aan de VN was overgedragen, oefende de VN in beginsel
effective controlover Dutchbat uit. Of zich in een of meer specifieke gevallen de uitzonderingssituatie heeft voorgedaan dat óók de Staat over aspecten van het optreden van Dutchbat
effective controluitoefende, is iets dat de Stichting c.s. voldoende onderbouwd moeten stellen en bij betwisting moeten bewijzen
blocking positions(rechtbankoverwegingen 4.62 – 4.65). De rechtbank heeft volgens de Stichting c.s. miskend dat de instructies betrekking hadden op het prioriteit geven aan de eigen veiligheid bij het gehele optreden van Dutchbat en zagen op: het zonder verzet opgeven van de observatieposten, het opgeven van de
blocking positions, het opgeven en afstaan van wapens en uitrusting en de weigering om de ingenomen wapens aan de bevolking terug te geven, het weigeren om noodzakelijke medische hulp aan de bevolking te geven en daartoe beschikbare middelen in te zetten en het niet beschermen van de bevolking – dit alles in strijd met de bevelen van de VN. Volgens de Stichting c.s. heeft Dutchbat al sinds 8 juli 1995 de VN-bevelen ondergeschikt gemaakt aan de eigen veiligheid van Dutchbatters. De Stichting c.s. wijzen daarbij op mededelingen die Voorhoeve op 10 juli 1995 heeft gedaan over ‘slachtoffers vermijden’, ‘de allerhoogste voorrang geven aan de veiligheid van de Nederlandse militairen’ en ‘mannen en vrouwen heelhuids thuis willen zien’ (zie hiervoor onder 2.36). De Stichting c.s. voeren aan dat deze mededelingen een patroon tonen en niet beperkt waren tot een instructie van de Staat over de
blocking positions.
effective controluitoefende door middel van een instructie aan Dutchbat om onnodige slachtoffers te vermijden, zoals de rechtbank heeft overwogen.
nietkan worden vastgesteld dat de mededelingen van Voorhoeve op of rond 10 juli 1995 vanuit Den Haag over “slachtoffers vermijden”, “de allerhoogste voorrang geven aan de veiligheid van de Nederlandse militairen” en “mannen en vrouwen heelhuids thuis willen zien” kunnen worden beschouwd als uitoefening van
effective controlover specifieke gedragingen. De stukken bieden namelijk geen aanknopingspunten voor de vaststelling dat door deze mededelingen feitelijke zeggenschap is uitgeoefend over concreet (bepaalde krijgsoperaties betreffend of ander concreet) handelen van Dutchbat. Genoemde mededelingen zijn algemene mededelingen die niet gericht zijn op concreet operationeel (of ander) handelen, zoals het op enig moment wel of niet verlaten van bepaalde observatieposten of
blocking positions, het al dan niet op bepaalde momenten opgeven en afstaan van wapens en uitrusting of het verlenen van medisch zorg, en dergelijke. De Stichting c.s. erkennen dit algemene karakter ook, waar zij stellen dat de instructies van de Staat allesomvattend waren en dat uit het optreden van Dutchbat blijkt dat de instructie van Voorhoeve niet tot
blocking positionsbeperkt was, maar ‘betrekking had op alle aspecten van het handelen van Dutchbat’ (memorie van grieven nrs. 52 en 54). Ongeacht dergelijke mededelingen werden de feitelijke handelingen van Dutchbat ter plaatse bepaald door de concrete opdrachten die door de commandanten uit de VN-bevelslijn werden gegeven en niet door mededelingen van de Staat. Niets wijst er op dat de Staat bepaalde (concrete) bevelen heeft gegeven of laten geven, in die zin dat aan de veiligheid van Dutchbat voorrang boven elke andere consideratie moest worden gegeven.
Vast staat voorts dat voordat Voorhoeve de genoemde mededelingen deed, er op 29 mei 1995 van hogerhand
binnen de VN-bevelslijn(namelijk door luitenant-generaal Smith) expliciet een algemene opdracht was gegeven om de uitvoering van het mandaat ondergeschikt te maken aan de veiligheid van het VN-personeel (zie onder 2.27). Dit was een operationele keuze van de VN.
Dat de Staat in zijn mededelingen de prioriteit aan veiligheid onderschreef omdat hij de Dutchbatters heelhuids thuis wilde zien, betekent dan ook niet dat de Staat zelf ook feitelijke zeggenschap had over de concrete operationele beslissingen.
effective controlheeft uitgeoefend. Deze verklaringen houden slechts in (zeer kort gezegd): het uitspreken van de hoop op maatregelen door de commandanten (Voorhoeve voor de Parlementaire enquêtecommissie (hierna: PE-verhoren), p. 625), het na een gesprek met de minister doorgeven aan de VN dat er geen onnodige slachtoffers moeten vallen (Van den Breemen, PE-verhoren p.735) en het kennen van de opvatting of krijgen van het bericht van de minister dat er geen Nederlandse doden en gewonden mogen vallen (Franken, PE-verhoren p.67; Hilderink, PE-verhoren p.212 en 216). Dit kan wijzen op het kenbaar maken van een visie en (dringende) wensen, maar wijst niet op instructies of (andere) daadwerkelijke zeggenschap ten aanzien van concrete gedragingen. Dat wordt niet anders indien die verklaringen worden beschouwd in samenhang met die van Hilderink (aangehaald door de Stichting c.s. bij memorie van grieven onder 75 en 76), inhoudend dat de prioriteit altijd is geweest: de veiligheid van de eigen troepen en daarbinnen een zo goed mogelijke uitvoering van het mandaat. Uit die algemene mededeling blijkt niet van
effective controlvan de Staat.
command and controlover Dutchbat niet alleen formeel aan de VN was overgedragen (en dus niet aan de Staat toekwam maar uitsluitend aan de VN was voorbehouden) maar waarin men zich deze overdracht in de praktijk ook zeer goed realiseerde bij het feitelijke handelen en besluiten, zowel in Den Haag als bij de VN en Dutchbat in Bosnië-Herzegovina (ook rond 10 juli 1995 nog).
Dit blijkt uit onder meer de volgende verklaringen:
Formeel niet. Generaal Gobilliard was de waarnemend commandant. Die gaf uiteindelijk de orders en die moest ook de beslissingen nemen. (…) Ik was wel 24 per dag op dat hoofdkwartier[hof: van UNPROFOR]
aanwezig. Daardoor was ik ook wat actueler op de hoogte van alle ontwikkelingen. Bovendien was Dutchbat een Nederlandse eenheid. Heel vaak liepen de contacten wel via mij, omdat de communicatie nu eenmaal wat makkelijker gaat als je dat in je eigen landstaal kunt doen. (…) Normaal gesproken werd er sowieso elke dag al een sitrep[hof: situatie rapport]
uitgebracht, zowel op schrift als mondeling, zowel in de richting van de KL-Crisisstaf als in de richting van DCBC. (…) Met name de tactische informatie over hoe de situatie op de grond zich daar ontwikkelde en watwijdaar voor een reacties op hadden, welke maatregelenwijnamen[onderstreping hof]
.[Vraagsteller: Kon Nederland ook bepaalde wensen op dat moment bij u indienen, kijkend naar de situatie die zich aan het ontwikkelen was?]
Nee, formeel zeker niet. De eenheid was onder operational control gegeven van de VN. Zolang alle opdrachten binnen het mandaat vielen, had Nederland daar helemaal niets over te zeggen. Het enige wat ze zouden kunnen doen, als dat al in hun behoefte lag, was via de politieke lijn aan de Veiligheidsraad vragen of bepaalde dingen anders zouden kunnen.[vraagsteller: Dus men kon zelfs niet bepaalde wensen bij u neerleggen (…)?]
Dat konden ze wel doen, maar niet anders dan met een vriendelijk verzoek: zou u daar rekening mee kunnen houden? Opdrachten konden ze niet geven.[vraagsteller: Opdrachten duidelijk niet, maar het gaat mij om die wensen. Werd er gebruik van gemaakt om die wensen bij u neer te leggen?]
Nee (…)”
(…) Wij vernamen dat dit de opdracht van Zagreb was, wij bespraken dat, iedereen had daar zo zijn commentaar op. De consensus was dat we het daarmee eens waren, dat iets beters niet kon worden bedacht (….)[Vraagsteller: (…) U bediscussieerde dat, maar hoe werd dat overgedragen of gecommuniceerd?]
Wij konden er hier in Den Haag alleen maar commentaar op geven, onder elkaar. We hadden niet het recht of de bevoegdheid en ook niet de politieke wil om daardoorheen te gaan fietsen; (…) Wij hadden de verantwoordelijkheid om voor de troepen te zorgen. Zij stonden onder het bevel van de VN. Wij rekenden op een goede VN-bevelslijn. Naar mate de crisis vorderde, bleek ons steeds meer dat de VN-bevelslijn haperingen vertoonde en traag was. Het bleek noodzakelijk dat wij wensen begonnen te uiten bij de VN-bevelslijn. Wij hebben dat in toenemende mate gedaan, overigens zonder operationele opdrachten te geven. (…) Gelukkig zat daarboven[hof: boven de officiers-plaatsen in Tuzla]
nog een niveau, een sterker niveau, met meer aanwezige landen, in [woonplaats] .”
Nee (…).[Vraagsteller: (…) zijn nog instructies gegeven aan Dutchbat?]
Nee. (…).
blocking positions). Van concrete instructies van de Staat aan Dutchbat of van enige feitelijke zeggenschap van de Staat over de VN-instructies is niet gebleken, noch dat de VN-instructies kwamen als reactie op iets wat de Staat deed of zei. Dat bepaalde gedragingen van Dutchbat in tijd volgden op mededelingen van Voorhoeve, betekent niet dat die gedragingen werden ingegeven (of mede werden ingegeven) door mededelingen van Voorhoeve.
effective controluit over specifieke gedragingen. Informeel overleg is daarvoor niet voldoende. Bedoelde zeggenschap is er evenmin op de grond dat binnen de VN-bevelslijn personen actief waren (de Stichting c.s. noemen Brantz en Nicolai in het bijzonder) die (ook) als aanspreekpunt of zelfs als belangenbehartiger van Nederland dienden. Dat maakt immers niet dat de Staat deel ging uitmaken van de VN-bevelslijn of daarop als Staat zodanige invloed had dat de concrete instructies vanuit de VN-bevelslijn (zoals een instructie om een
blocking positionte verlaten) in feite door de Staat of mede door de Staat werden gegeven.
blocking positions, geen
effective controlmet zich, reeds omdat de Stichting c.s. onvoldoende concreet hebben gesteld dat naar aanleiding van deze besprekingen instructies van de Staat aan Dutchbat zijn gegeven of konden worden gegeven. Dat het DCBC vergaderingen had om tot een oordeel over situaties te komen en om richtlijnen en prioriteiten voor het optreden van Dutchbat te formuleren, betekent niet dat de Staat feitelijke zeggenschap over specifieke operationele handelingen of nalaten van Dutchbat uitoefende of kon uitoefenen, ook niet als de uitkomsten van het DCBC overleg duidelijk ter kennis van mensen binnen de VN-bevelslijn werden gebracht als de Nederlandse opvatting (zoals het NIOD rapporteert op p. 2289).
effective controlvan de Staat nog aangevoerd dat er destijds situatierapporten met alle belangrijke informatie zijn opgemaakt, die werden aangeleverd aan de verantwoordelijke ministers in Nederland om een goed beeld te krijgen van de situatie ter plaatse, en dat er tevens een ‘vertrouwelijk situatierapport’ is opgemaakt tussen 11 en 21 juli 1995. De Stichting c.s. kan niet over deze rapporten beschikken. Zij bieden er bewijs van aan dat een UNPROFOR-commandant kolonel heeft verklaard dat deze rapporten nu vrijgegeven zouden moeten worden en dat in het vertrouwelijke situatierapport staat: “
Uit de eerste gesprekken met de vrijgelaten NL-blauwhelmen is gebleken dat mannelijke Bosniërs zijn geëxecuteerd; een schatting ligt tussen de 50 en 100. (…) Naar verwachting zullen hun bevindingen pas na het vertrek van Dutchbat uit Potocari wereldkundig worden gemaakt, dit om e.e.a. niet te bemoeilijken.”
effective controlover gedragingen van Dutchbat had. Deze rapporten zijn van Dutchbat naar Nederland gegaan en rapporteerden dus informatie die
vanuitPotočari kwam. Er is niets concreet gesteld dat er op wijst dat deze rapporten instructies vanuit Nederland kunnen inhouden.
effective controlvan de Staat kan worden afgeleid. Dit betekent dat grief 4 van de Stichting c.s. – gericht tegen het oordeel van de rechtbank inhoudende, kort gezegd, dat de rechtbank een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de (gestelde) instructie(s) van de Staat – ongegrond is. Aan de vraag of mededelingen als hiervoor bedoeld al eerder dan 9 juli 1995 zijn gedaan, komt het hof gelet op het voorgaande niet toe. Beantwoording van die vraag kan immers hoe dan ook niet tot toewijzing van een vordering tegen de Staat leiden. Ook aan de stelling van de Stichting c.s. dat de rechtbank het belang van het geven van instructies omtrent de
blocking positionsheeft onderschat gaat het hof voorbij, nu het hof, zoals gezegd, niet kan vaststellen dat er over de
blocking positionsinstructies zijn gegeven waaruit
effective controlvan
de Staatkan volgen.
safe areate beschermen, geen betrekking heeft op eigenmachtig buiten de in het mandaat gegeven bevoegdheden treden, maar op de operationele uitvoering van het mandaat onder
command and controlvan de VN (rechtbankoverwegingen 4.68 en 4.69). De Stichting c.s. wijzen er op dat Dutchbat als gevolg van de
effectieve controlvan de Staat in strijd met het mandaat en de VN-bevelen heeft gehandeld. Nu het hof bij de beoordeling van grief 4 reeds heeft geoordeeld dat er geen sprake was van
effective controlzoals door de Stichting c.s. betoogd, slaagt ook de vijfde grief niet.
grief 6 van de Stichting c.s.betogen de Stichting c.s. dat Dutchbat in strijd met instructie 9b van de
Post Airstrike Guidance(zie onder 2.27) en dus
ultra viresheeft gehandeld door de observatieposten zonder slag of stoot prijs te geven. De Stichting c.s. voeren aan dat de rechtbank een onjuiste interpretatie van de
Post Airstrike Guidancevan 29 mei 1995 heeft gegeven, dat de rechtbank een verkeerde inschatting heeft gemaakt van het gevaar dat Dutchbat op de observatieposten heeft gelopen, dat de rechtbank ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt in de tijdstippen van opgave van deze posten en feitelijke omstandigheden onjuist heeft vastgesteld, alsmede dat de rechtbank ten onrechte belangrijke omstandigheden die duiden op collaboratie van Dutchbat met de Bosnische Serven, buiten beschouwing heeft gelaten. De Staat heeft een en ander bestreden.
ultra vireshandelen dat aan de Staat kan worden toegerekend, overweegt het hof het volgende.
even if the conduct exceeds the authority of that organ or agent or contravenes instructions.” (onderstreping Hof)
van de VNmoet worden aangemerkt, indien het plaatsvond ‘
in an official capacity and within the overall functions’ van de VN, ook als het handelen tegen instructies inging.
official capacity’of ‘
the overall functions’ van de VN-organisatie (vlg. art. 8 DARIO Pro) – dus in geval van Dutchbat: buiten de door de VN aan hem toegekende hoedanigheid en taak van
peacekeeper– kan dan ook worden geconcludeerd dat het handelen niet aan de VN kan worden toegerekend op grond van artikel 8 DARIO Pro. Dat betekent echter niet dat iedere afwijking van een bevel van de VN (of afwijking van een interpretatie van een bevel) als
ultra vireshandelen naast of in plaats van aan de VN zelf, aan een lidstaat van de VN moet worden toegerekend. Uit de door de ILO bij artikel 7 DARIO Pro gegeven toelichting (waarnaar de rechtbank verwijst in haar overweging 4.58) is een dergelijke bedoeling ook niet af te leiden. De zeggenschap van de Staat over mechanismen als de selectie, opleiding en voorbereiding van de troepen en de zeggenschap van de Staat over personele aangelegenheden en disciplinaire bestraffing achteraf, waarop de rechtbank wijst, zijn niet van dusdanige aard dat uit dien hoofde de operationele beslissingen ter plaatse die afwijken van een (hoger) VN‑bevel zijn toe te rekenen aan de Staat. Over de operationele beslissingen had de Staat in beginsel juist géén (aansturings)bevoegdheden meer na de overdracht van de
command and control.
official capacity’of ‘
the overall functions’ van de VN-organisatie. De inschatting van de situatie ter plaatse was een aangelegenheid van de VN. Het nemen van concrete beslissingen over het verlaten, versterken of heroveren van observatieposten, over het moment waarop en de wijze waarop geen weerstand (meer) werd geboden op de observatieposten, over het wel of niet op enig moment innemen, verplaatsen of opheffen van de
blocking positions, over het handelen ten aanzien van de eigen en de ingenomen wapens, over de aanvragen van luchtsteun en over de inzet van de medische middelen door de militairen ter plaatse, behoorde tot de bevoegdheden en taken van de VN-
peacekeeperen betroffen
acts in an official capacity and within the overall functionsvan Dutchbat.
Post Airstrike Guidancevan 29 mei 1995 of tegen andere (hogere) VN-bevelen – partijen twisten daar over –, is het daaruit voortvloeiende handelen niet reeds daarom aan de Staat toe te rekenen. Met betrekking tot de
Post Airstrike Guidanceoverweegt het hof voorts het volgende (in 17.1 – 17.4).
Post Airstrike Guidancetwee doelen zijn geformuleerd: het voorkomen van verlies van levens bij het verdedigen van de observatieposten en het voorkomen dat militairen zich onnodig kwetsbaar maken voor gijzelen. Volgens de Stichting c.s. heeft Dutchbat in strijd met beide gehandeld en zijn in strijd met het bevel observatieposten verlaten. Een en ander achten zij aan de Staat toe te rekenen.
peacekeeperis gemaakt en waarvan de directe gevolgen dus niet zijn aan te merken als gevolgen van aan de Staat toe te rekenen handelingen. Dit wordt niet anders doordat dit handelen achteraf door het Franse parlement en anderen als ‘tactische fout’ of als in strijd met een VN-bevel is beoordeeld.
Post Airstrike Guidanceniet was bevolen om de observatieposten nooit te verlaten. Er is in opgenomen dat posities die versterkt of heroverd konden worden, niet mochten worden verlaten en dat geïsoleerde posities die niet ondersteund konden worden, wèl mochten worden verlaten wanneer zij bedreigd werden en levens verloren zouden kunnen gaan. Vast staat dat Dutchbat de observatieposten (telkens) pas verliet wanneer de vechtende troepen zodanig nabij waren dat zij als een bedreiging werden gezien en -op zijn minst- angst voor levensgevaar creëerden. De inschatting ter plaatse hoe reëel die gevaren waren, of toegezegde aanvullende middelen tijdig zouden komen, of versterking mogelijk zou zijn en of het zinvol zou zijn de Bosnische Serven met vuurgevechten te bestrijden, betreffen militaire inschattingen en vervolgens beslissingen die in de VN-hoedanigheid en taak van Dutchbat werden uitgevoerd. Dit handelen kan niet aan de Staat, die daarover geen zeggenschap uitoefende, worden toegerekend.
deterrence by presenceen niet met
deterrence through strength. Reeds daarom kan het hof niet oordelen dat Dutchbat verplicht was om zich met wapengeweld tot vijand van een van de strijdende partijen te maken. Of de
Rules of Engagementvervolgens inhielden dat niet alleen gevochten mocht worden wanneer de militairen zelf of de aan hun zorg toevertrouwde bevolking doelgericht werden beschoten, maar dat dit ook reeds mocht of moest wanneer de te beschermen bevolking anderszins bedreigd werd (zoals de Stichting c.s. stellen en de Staat betwist) kan in het midden blijven. De beslissingen om niet het vuur te openen (met alle gevolgen van dien) werden (telkens) binnen de VN-bevelslijn en met het oog op de aan Dutchbat toegekende hoedanigheid en taak van
peacekeepergenomen, zonder concrete zeggenschap van de Staat daarin. Dit geldt ook voor de beoordeling (telkens) van de optie om te verhinderen dat wapens en uitrusting werden buitgemaakt bij het innemen van een observatiepost.
Stichting c.s.hebben er in hun toelichting op
grief 6ook nog op gewezen, dat Dutchbatters rijles hebben gegeven aan de Bosnische Serven nadat een observatiepost met buitgemaakte pantservoertuigen was overgegeven (zie hiervoor onder 2.32). Op grond van de stukken (waaronder de VN‑resoluties, de terbeschikkingstelling van Dutchbat daartoe en de in geding gebrachte VN-instructies en -bevelen) kan het hof niet vaststellen dat het geven van rijles aan één van de strijdende partijen nadat de militaire post is opgegeven, tot de
peacekeepingtaak van UNPROFOR behoorde. Het hof laat echter een verdere beoordeling van dergelijk handelen achterwege, omdat niet is gesteld hoe dit handelen kan hebben geleid tot de schade waarop de vorderingen van de Stichting c.s. zien. Zonder een nadere onderbouwing (die niet is gegeven) acht het hof, mede gelet op hetgeen verder in deze oorlog is gebeurd, geen causaal verband aanwezig tussen rijles op een buitgemaakte pantserwagen en de schade van de Stichting c.s.
grief 6 van de Stichting c.s.geen doel kan treffen.
grieven 22 tot en met 25 van de Stichting c.s.richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de, volgens de rechtbank wèl aan de Staat toe te rekenen, operationele krijgshandelingen van Dutchbat (
blocking positionsopgeven, observatieposten niet verlaten en wapens en uitrusting afgeven) niet onrechtmatig zijn (rechtbankoverwegingen 4.184-4.201). Het hof heeft hiervoor (anders dan de rechtbank) geoordeeld dat de operationele krijgshandelingen van Dutchbat niet aan de Staat zijn toe te rekenen. Een oordeel over de (on)rechtmatigheid van dat handelen is daarom niet relevant voor de beslissing over toe- of afwijzing van de vorderingen van de Stichting c.s. De grieven kunnen geen doel treffen.
grief 43 van de Stichting c.s.,voor zover die is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het causaal verband ontbreekt tussen het meteen verlaten van de observatieposten en de door appellanten geleden schade, geen doel. Tot slot zijn, gelet op het voorgaande, ook de beslissingen aangaande de keuze tussen het op de eigen militaire locatie opnemen van de gewonden, dan wel deze (doen) vervoeren naar andere locaties, niet aan de Staat toe te rekenen. Daarmee heeft het hof tevens beslist dat
grief 36 van de Stichting c.s.tegen de Staat geen doel treft en dat de daaraan in de memorie van grieven (in nummer 434) gekoppelde vordering jegens de Staat om voor recht te verklaren dat Dutchbat onrechtmatig heeft gehandeld door in strijd met de VN-missie en VN-bevelen geen adequate medische zorg aan de vluchtelingen te verlenen, niet kan worden toegewezen in dit geding tegen de Staat.
mini safe areaen in hoeverre de Staat zeggenschap heeft uitgeoefend over Dutchbat in dat kader. De Stichting c.s. voeren aan dat de Staat de evacuatie heeft geïnitieerd, zulks in strijd met het bevel van Gobillard (zie hiervoor onder 2.45). Het hof overweegt hierover het volgende.
Nadat ik de minister had geïnformeerd over het feit dat de luchtaanvallen gestopt waren, vroeg hij of ik op de hoogte was van het extractieplan van Dutchbat. Ik heb daarop geantwoord: “Ja” (…) Ik heb hem geïnformeerd dat wij na ampel beraad – dat heeft echt heel kort geduurd – in [woonplaats] geen andere oplossing zagen dan het evacueren van die bevolking, die daar volledig onbeschermd en onder erbarmelijke omstandigheden aanwezig was; wij hadden ook geen middelen om daar ook maar iets aan te doen. Uit het oogpunt van de veiligheid of het waarborgen van de veiligheid van die vluchtelingen zagen wij geen andere mogelijkheid dan Dutchbat en eventueel andere benodigde VN-middelen bij die evacuatie te betrekken, omdat wij dat niet aan de Serven wilden overlaten. Daar stemde hij meteen mee in.”
hem de instructie gegeven om zich bij de Serven op te werpen om de evacuatie van de vluchtelingen te gaan regelen (…).”
Wij hebben natuurlijk ook nog gesproken over het idee om gewapenderhand de enclave te heroveren. Die suggestie is vanuit Parijs gedaan. Generaal Janvier en generaal Van den Breemen zagen daar absoluut geen realistische mogelijkheden voor. Er zijn drie opties aan de orde geweest. In de eerste plaats de optie waarin Dutchbat de enclave verlaat omdat het bataljon zijn taken niet meer kan uitvoeren. In de tweede plaats de optie waarin Dutchbat zich gewapenderhand verzet. In de derde plaats de optie waarin Dutchbat gezamenlijk met de bevolking dan wel na de bevolking evacueert. Alles overwegende is eenduidig gekozen voor optie 3. (…) Dutchbat en de bevolking zullen gezamenlijk, dan wel na elkaar evacueren. Dat is als zodanig overeengekomen met generaal Janvier.
Op dat moment[hof: dinsdagavond 11 juli 1995 laat, tijdens een telefoongesprek met Karremans]
heb ik het ook niet met Gobilliard besproken. Wel woensdagochtend de 12e tijdens de dagelijkse vaste bespreking. Op het moment dat ik met Karremans belde ging ik er van uit dat er al voorbereidende maatregelen werden getroffen om voor de evacuatie het transportdoor de VNte laten regelen.” [onderstreping hof]
safe areavan Srebrenica te respecteren, is onvoldoende om aan te nemen dat de VN op 12 juli 1995 nog niet wilde evacueren, maar juist bezig was om de
safe areate gaan terugveroveren, zoals de Stichting c.s. aanvoeren. Met deze Resolutie wordt herhaald wat eerder was afgesproken, wordt toegang tot de vluchtelingen gevraagd en wordt aan de Veiligheidsraad om maatregelen gevraagd om de status van
safe areate herstellen. Geenszins blijkt daaruit dat de VN doende was om militaire plannen te smeden voor de herovering van de enclave – daargelaten of dat veilig in aanwezigheid van de (over)bevolking zou kunnen. Bovendien is destijds geen gehoor gegeven aan de oproepen in deze Resolutie (noch door de VN, noch door de Bosnische Serven; zie hiervoor onder 2.48).
airstrikesof
close air supportzou komen. Voorts heeft Karremans geschreven dat hij verantwoordelijk is voor meer dan 15.000 mensen op één vierkante kilometer in een extreem kwetsbare positie (
“sitting duck”met zicht op de Bosnisch Servische wapens), zonder in staat te zijn deze mensen te verdedigen. Dit schrijven betreft aldus een beschrijving van de situatie ter plaatse op dat moment. Dat Karremans hierin niet verwijst naar een evacuatie, acht het hof onvoldoende grond om aan te kunnen nemen dat het besluit om een evacuatie te gaan voorbereiden de avond tevoren niet (mede) door de VN was genomen.
mini safe areate laten verblijven dan voor een evacuatie nodig zou zijn.
de Stichting c.s.met
grief 7betogen dat de Staat na de val van de
safe areade regie van de VN heeft overgenomen en in strijd met het VN-bevel van Gobilliard (hiervoor weergegeven onder 2.45) de evacuatie van de vluchtelingen heeft geïnitieerd, faalt de grief.
mini safe area. De Nederlandse regering heeft aan deze besluitvorming op het hoogste niveau deelgenomen.
mini safe area. De Staat had in zoverre
effective control. Feitelijke zeggenschap van de Staat over andere concrete gedragingen is niet gesteld. Grief 7 van de Stichting c.s. is ongegrond. Dit betekent ook dat het hof zal uitgaan van het door de rechtbank vastgestelde tijdstip waarop de overgangsperiode op 11 juli 1995 intrad, te weten ongeveer 23:00 uur. Eveneens volgt het hof het oordeel van de rechtbank inhoudend dat, met het tezamen met de VN genomen besluit om Dutchbat niet eerder dan tegelijk of na de evacuatie van de vluchtelingen terug te trekken, de Staat de uitoefening van de terugtrekkingsbevoegdheid heeft verbonden aan het verlenen van humanitaire hulp aan en (het voorbereiden van) de evacuatie van de vluchtelingen in de
mini safe areain de overgangsperiode (rechtbank overwegingen 4.80 - 4.85).
grief 34 van de Stichting c.s.voor zover deze is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Dutchbat de vluchtelingen in en om het buiten de compound gelegen deel van de
mini safe areaniet eigenmachtig, zonder hulp van buitenaf, kon beschermen. Bovendien gaat het hof ervan uit dat de Bosnische Serven een overmacht op Dutchbat en de vluchtelingen hadden kunnen vormen; in dat verband wordt ook verwezen naar overweging 67.1b. hierna. Gelet hierop slaagt evenmin
grief 37 van de Stichting c.s.inzake het afgeven van wapens door Dutchbatters op 12 en 13 juli 1995, nu de Staat ook zonder deze afgifte niet zonder meer zelf een gevecht tegen de Bosnische Serven had kunnen aangaan.
grief 8 van de Stichting c.s.op de voorgaande grieven voortbouwt, deelt deze grief hun lot.
effective controlhad over het verlenen van humanitaire hulp aan en (het voorbereiden van) de evacuatie van de vluchtelingen in de
mini safe area, zodat het optreden door Dutchbat dienaangaande aan de Staat kan worden toegerekend, en dat de
effective controlniet betrof de stroom vluchtelingen die zich voordat de overgangsperiode aanving, vanuit de stad Srebrenica naar de
mini safe areaverplaatste, noch de vluchtelingen of het optreden van Dutchbat buiten de
mini safe area.
dus nietreeds handelen in strijd met een VN-bevel (zoals bijvoorbeeld het bevel van Gobilliard) als
ultra vireshandelen aan de Staat toe. Een grond voor toerekening aan de Staat van de handelingen vóór het evacuatiebesluit op 11 juli 1995 en buiten de
mini safe areais er niet.
effective control)over dergelijke aanwijzingen had. Gelet op hetgeen onder 12 - 17 is overwogen en in aanmerking genomen dat geen feiten of omstandigheden voor het tegendeel zijn gesteld, moet er ook van uit worden gegaan dat Dutchbatters tijdens het op gang komen van de vluchtelingenstromen en het voortduren daarvan tot (uiterlijk) 11 juli 1995 om 23:00 uur, posities hebben ingenomen en werkzaamheden hebben verricht in de (overigens ook zichtbare) hoedanigheid en taak van VN-
peacekeeperen op basis van de uit dien hoofde door hun meerderen in de VN-bevelslijn gemaakte inschattingen van de situaties. Ook de aan de mannelijke Bosnische Moslims gegeven aanwijzingen tot dat tijdstip zijn aldus gedaan in de uitoefening van de VN-functie. Het neerleggen en inleveren van de wapens met mededeling daarvan aan de Bosnische Serven is eveneens in die hoedanigheid gebeurd, zonder zeggenschap van de Staat.
Stichting c.s.hebben in de toelichting op
grief 9gesteld, dat Dutchbat ook na het ingaan van de overgangsperiode instructies aan de Bosnische mannen heeft gegeven om de bossen in te gaan. Zij hebben deze stelling echter tegenover de gemotiveerde stellingen van de Staat (zoals ook weergegeven en besproken in het vonnis van de rechtbank in overwegingen 4.103-4.105) niet nader onderbouwd en dienaangaande ook geen voldoende gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Het hof gaat er daarom van uit dat deze instructies toen niet (meer) zijn gegeven zodat het hof niet toekomt aan de vraag of dergelijke instructies tijdens de overgangsperiode (mede) aan de Staat zijn toe te rekenen.
grief 8verwijten
de Stichting c.s.de Staat nog dat Dutchbat geen groot alarm heeft geslagen over de vlucht van Bosnische mannen in de bossen. Daargelaten of dit nalaten aan de Staat kan worden toegerekend, is het naar het oordeel van het hof niet onrechtmatig. Immers, niets wijst er op dat bij de Staat bekend was of had moeten zijn dat het lot van deze mannen anders zou zijn dan dat van de andere vluchtelingen die niet naar de
mini safe areawaren getrokken. Een aanleiding om vanuit de
mini safe areagroot alarm te slaan over de (andere) route van deze mannen, was er daarom destijds niet. Voor zover mannen met ABiH mee wilden gaan vechten, kunnen de Stichting c.s. dat ook niet aan de Staat verwijten.
grief 33, waarmee
de Stichting c.s.stellen dat Dutchbat groot alarm over de mannen in de bossen had moeten slaan op het moment waarop Dutchbat bekend was met ‘
serious risk’ op genocide (hof: of op de dood). Overigens was in de nacht van 11 op 12 juli 1995 door bewoners uit de enclave en vluchtelingen aan Dutchbat verteld dat de meeste jonge mannen en strijders uit de enclave waren vertrokken om zelf een uitbraak te realiseren (verklaring Rutten voor de Parlementaire Enquêtecommissie, PE-verhoren p. 45).
Stichting c.s.zich aan het slot van de toelichting op
grief 8richten tegen het oordeel van de rechtbank dat het vóór 11 juli 1995 niet meer vluchtelingen op de compound toelaten niet aan de Staat kan worden toegerekend, overweegt het hof het volgende.
peacekeeper. Enige zeggenschap van de Staat hierover was er ten tijde van die beslissing niet – noch over het toelaten van de vluchtelingen, noch over het aantal toe te laten vluchtelingen, noch over waar zij naar binnen konden gaan (door een gat in het hek). De beslissingen daarover zijn niet aan de Staat toe te rekenen.
Grieven 9(voor zover hierboven niet al behandeld)
en 10 van de Stichting c.s.zien voorts op het opgeven van observatieposten, het vluchten van Bosnische mannen naar de bossen, de reikwijdte en strekking van het bevel van Gobilliard en de uitleg van het begrip
effective control. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kunnen deze grieven geen doel treffen.
close air supporten concrete uitvoeringshandelingen daarvoor of over de inzet van Tigre-helicopters. Binnen de VN en de NAVO zijn de militaire en humanitaire afwegingen over de haalbaarheid en de mogelijke gevolgen van (verdere) luchtsteun gemaakt en daar zijn de beslissingen genomen.
effective controlheeft gehad over het wel of niet op enig moment aanvragen door Dutchbat van luchtsteun.
Toen het erop aan kwam en het steeds duidelijker werd dat de Serviërs op meer uitwaren dan de zuidhoek van Srebrenica, heb ik met generaal Kolsteren contact gehad, de chef-staf van Janvier. Hij stelde mij letterlijk de vraag of de Nederlandse regering bezwaar had tegen de inzet van het luchtwapen, omdat inmiddels 30 of 35 Nederlanders in Servische handen waren, die als gijzelaars zouden kunnen worden omgebracht. (…) Toen heb ik (…) stante pede aan hem gezegd: luchtsteun is onvermijdelijk, de VN kunnen het niet maken om geen luchtsteun te verlenen.”
close air supportals voor
air strikesmoest de NAVO, waarvan Nederland een lidstaat is, toestemming verlenen. Binnen de NAVO kan een lidstaat een standpunt kenbaar maken en kan daartegenover al dan niet druk op de lidstaat worden uitgeoefend om een ander standpunt in te nemen. Dit kan niet leiden tot toerekening van het NAVO-besluit aan de lidstaat. Artikel 59, tweede lid, DARIO bepaalt dienaangaande:
air strikesen
close air support, betreffen krijgsoperationele keuzes van de VN en de NAVO gezamenlijk, ingegeven door inschattingen over de humanitaire ontwikkelingen, oorlogsdreigingen en gevaren ter plaatse en door de rol en de positie van de VN en de NAVO-lidstaten in de onderhavige burgeroorlog en wereldwijd. Daarbij kunnen lidstaten in meer of mindere mate politieke inspraak hebben, zonder dat de besluitvorming (geheel of deels) van de VN of de NAVO wordt overgenomen. Dat vanuit de NAVO tevergeefs is geprobeerd om druk op Nederland uit te oefenen om
air strikestoe te staan, zoals de Amerikaanse diplomaat Holbrook in zijn memoires heeft geschreven, of dat de VN
close air supportheeft doen onderbreken of afgelasten na een telefoongesprek daarover tussen Voorhoeve en Akashi, betekent niet dat het stopzetten van luchtsteun als het gevolg van (onrechtmatig) handelen van de Staat aan de Staat kan worden toegerekend.
grief 12hebben de
Stichting c.s.aangevoerd dat de Staat leugenachtig heeft medegedeeld dat de bevolking en de eigen troepen gevaar liepen bij een luchtaanval vanwege vermenging met de Bosnische Serven. Het hof verwerpt dit betoog en laat daarbij in het midden of de gestelde mededelingen destijds zijn gedaan. Uit de stukken en hetgeen de Stichting c.s. zelf naar voren hebben gebracht, blijkt dat de Bosnische Serven (telkens) de militaire posities zeer dicht naderden (zelfs overnamen) en dat de vluchtende bevolking voor de Bosnische Serven uit werd gedreven. Onder die omstandigheden kan het hof niet oordelen dat de gestelde mededeling dat ook de bevolking en de eigen troepen gevaren liepen bij het vanuit de lucht bombarderen van de Bosnische Serven, leugenachtig is en daarom geen rol had kunnen of mogen spelen bij het nemen van beslissingen door de VN en de NAVO over
air strikesen
close air support.
grieven 14 en 15 van de Stichting c.s.vervatte) verwijt dat de Staat de waargenomen oorlogsmisdrijven niet direct heeft gemeld, volgt dat de grieven 11 tot en met 15 van de Stichting c.s. ongegrond zijn.
Grief 16 van de Stichting c.s. bouwt voort op hun eerdere grieven en faalt daarom eveneens.
the official capacity’ en ‘
within the overall functions” van deze VN-troepen. Deze gedragingen van Dutchbat kunnen dus niet, ook niet als
ultra vireshandelen, aan de Staat worden toegerekend, zodat alle grieven die er op gericht zijn om dergelijke gedragingen wel aan de Staat te verwijten, ongegrond zijn.
mini safe areate laten verzorgen. Op dat moment begint de overgangsperiode waarin de Staat wel
effective controlhad over gedragingen van Dutchbat met betrekking tot de humanitaire hulp aan en de evacuatie van vluchtelingen in de
mini safe area.
IV. Onrechtmatig handelen van de Staat (Dutchbat)
grief 19betogen
de Stichting c.s.dat het Genocideverdrag rechtstreekse werking heeft. Blijkens de processtukken doelen zij in deze (civiele) zaak op artikel 1 van Pro het Genocideverdrag. De Staat heeft het standpunt van de Stichting c.s. bestreden. Het hof overweegt het volgende.
Convention on the Prevention and Punishment of the Crime of Genocide’; in werking getreden op 12 januari 1951) bepaalt:
The Contracting Parties confirm that genocide, whether committed in time of peace or in time of war, is a crime under international law which they undertake to prevent and to punish.”
The Contracting Parties undertake to enact, in accordance with their respective Constitutions, the necessary legislation to give effect to the provisions of the present Convention, (…)”.
to take all measures to prevent genocide which were within its power”, zoals het International Court of Justice op 26 februari 2007 in de zaak tussen Bosnië-Herzegovina en Servië en Montenegro heeft uitgesproken (overigens een verplichting die voor alle lidstaten geldt), legt geen specifieke verplichtingen op die rechtstreeks door de nationale rechter kunnen worden toegepast in een geding tussen een burger en de Staat. De ‘
Basic Principles and Guidelines on the Right to a Remedy and Reparation for Victims of Gross Violations of International Human Rights and Serious Violations of International Humanitarian Law’ (VN-Resolutie 60/147 van 16 december 2005) maken dat niet anders. In de preambule bij deze
Basic Principlesis benadrukt dat zij geen nieuwe juridische verplichtingen bevatten, maar slechts identificeren en modeleren wat er al is.
Grief 19 van de Stichting c.s.is in zoverre ongegrond.
Grief 21 van de Stichting c.s., die eveneens de verklaring voor recht met betrekking tot de genocide betreft, deelt hetzelfde lot.
grief 17komen de
Stichting c.s.op tegen het oordeel van de rechtbank dat het mandaat van UNPROFOR geen rechtstreekse werking heeft. Volgens de Stichting c.s. is het UNPROFOR-mandaat niet slechts bevoegdheden scheppend, maar hield het de verplichting in om de bevolking te beschermen.
safe areasop te sporen, de
cease-firete monitoren en de terugtrekking van (para)militaire units te bevorderen (VN-Resolutie 836 punt 5, zie hiervoor onder 2.13). Zoals hiervoor onder 9.4.1 is overwogen, is het beschermen van de bevolking als zodanig niet expliciet als taak van UNPROFOR benoemd. Evenmin is aangegeven op welke wijze de bevolking beschermd zou moeten worden, anders dan door aanwezigheid van neutrale VN-troepen. Bepalingen over concrete handelingen om de veiligheid van burgers te waarborgen waarop personen een beroep zouden kunnen doen, zijn niet in de betreffende VN-Resoluties vermeld. Er zijn dus geen bepalingen die kunnen gelden als objectief recht ter zake van de bescherming zoals de Stichting c.s. die voorstaan. Het hof volgt daarom het oordeel van de rechtbank dat het mandaat van UNPROFOR geen door de Stichting c.s. rechtens afdwingbare verplichtingen voor UNPROFOR, Dutchbat of de Staat in het leven heeft geroepen (rechtbankoverweging 4.149).
Grief 17 van de Stichting c.s.is ongegrond.
grief 1 van de Staatdaarop betrekking heeft, faalt deze grief dan ook wegens gebrek aan belang.
buiten de compoundwas, hetgeen de
Stichting c.s. met grief 18verdedigen, overweegt het hof het volgende.
public powers’ in de vorm van ‘
executive or judicial functions’ in Bosnië-Herzegovina betrof. Dutchbat had als onderdeel van UNPROFOR slechts een militaire vredesmacht. Zoals vast staat op grond van hetgeen het hof hiervoor reeds heeft overwogen, opereerde Dutchbat met betrekking tot de militaire krijgsoperaties in Bosnië-Herzegovina binnen de
command and control-structuur van de VN. De SOFA (zie hiervoor onder 2.12) was een overeenkomst tussen de VN en Bosnië-Herzegovina, waaraan op zichzelf geen gezag van de Staat is te ontlenen. De Staat had over de handelingen van Dutchbat in de uitoefening van zijn VN-taken geen
powerof
control. Dutchbat was aan de VN ter beschikking gesteld. Zijn handelen en nalaten werden binnen de VN-bevelslijn bepaald. De
effective control– zoals bedoeld in het kader van de rechtmachtsvraag en als zodanig te onderscheiden van
effective controlin het kader van de toerekeningsvraag – lag bij de VN.
peacekeepervolgens de operationele inzichten van de VN-commandanten de bevolking niet meer of anders moest beschermen dan het deed, dus onder meer: geen vuur openen en zich (telkens) terugtrekken. Het is niet aan dit gerechtshof om de juistheid van VN-handelen, gebaseerd op beslissingen uit de VN-bevelslijn en de VN-Resoluties, aan het EVRM te toetsen. Dit zou mogelijk anders kunnen zijn indien er evident onrechtmatige VN-opdrachten en handelingen zijn, maar daaronder vallen niet de opdrachten of handelingen die direct voortvloeien uit beslissingen om zich niet met dodelijk (wapen)geweld tegen mensen te keren.
safe area, was Dutchbat niet (in elk geval niet meer)
dominantin het gebied buiten de compound. De mogelijkheid voor Dutchbat om luchtsteun aan te vragen, maakte niet dat het een dominante positie had, reeds omdat niet op iedere aanvraag luchtsteun werd verleend. Van
actual authorityover de bevolking buiten de compound was ten tijde van de terugtrekking van de troepen geen sprake meer.
Grief 18 van de Stichting c.s.is ongegrond.
op de compound(wel) rechtsmacht in de zin van de artikelen 1 EVRM en 2 IVBPR uitoefende, hetgeen
de Staatmet zijn
grief 2bestrijdt, overweegt het hof het volgende.
effective controlhad over de gedragingen van Dutchbat bij het verlenen van humanitaire hulp aan en (het voorbereiden van) de evacuatie van de vluchtelingen in de
mini safe area. Handelen van Dutchbat zelf in de
mini safe areamet betrekking tot de evacuatie van de vluchtelingen, kan daarom aan de Staat worden toegerekend vanaf het moment waarop het besluit tot evacuatie was genomen (11 juli 1995, 23.00 uur).
actual authorityover de vluchtelingen en was daar
dominant, zolang daar niet werd gevochten (hetgeen niet gebeurde). Met deze laatste toevoeging maakt het hof duidelijk dat de rechtsmacht niet afhing (zoals de Staat kennelijk aanneemt; memorie van grieven Staat onder nummer 4.2.16) van wat er zou kunnen gaan gebeuren wanneer de compound onder vuur werd genomen. De dreiging van een vuurgevecht brengt wellicht een dreiging van verlies van rechtsmacht mee, maar ontneemt op zichzelf de rechtsmacht nog niet.
nade evacuatie van de vluchtelingen doet ook niet af aan de rechtsmacht van de Staat (via Dutchbat) op de compound kort
voor en tijdensde evacuatie over de zich aldaar bevindende mensen.
Grief 2 van de Staatis ongegrond.
Grief 1 van de Staatis ongegrond. Iets anders is, dat de rechter alle vaststaande feiten en omstandigheden uit deze zaak bij zijn oordeel in ogenschouw neemt. Bij de beoordeling is dus wel relevant dat Dutchbat opereerde in een oorlogssituatie en onder grote druk beslissingen moest nemen.
grief 20zijn de
Stichting c.s.opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de troepenmacht die tot taak had de vluchtelingen in de
safe areate beschermen, op grond van de artikelen 2 en 3 EVRM en 6 en 7 IVBPR het recht op leven en de integriteit van het menselijk lichaam van deze vluchtelingen diende te beschermen ‘voor zover dat redelijkerwijs gevergd kan worden’. Naar het oordeel van de Stichting c.s. is die laatste beperking onjuist en gaat het om tekortschieten bij het treffen van maatregelen die redelijkerwijs mochten worden verwacht.
grief 26 van de Stichting c.s.gegrond. Onduidelijk is echter hoeveel van hen gevechtssoldaten waren, toegerust om de bevolking te beschermen tegen een militaire macht. In het NIOD-rapport worden daarover aantallen van 150 en 200 genoemd (NIOD-rapport p. 2167 en p. 2625). Het hof acht het niet van belang voor enige beslissing in deze zaken of er 150 of twee keer zo veel Dutchbatters als gevechtssoldaat op de compound aanwezig waren om de bevolking tegen de militaire macht van de Bosnische Serven te beschermen, zoals hierna onder 67.1b nader aan de orde komt.
mini safe areahun toevlucht had gezocht en het aantal mannen op de compound. Tussen partijen staat vast dat het exacte aantal mannen niet duidelijk is. De rechtbank rept over ‘
vermoedelijk rond de 2.000 mannen’ van wie ‘
driekwart in de leeftijd van 16 tot 60 jaar’ en over ‘
minstens 300 mannen op de compound’, ‘
tussen de 600 en 900 mannen in de rest van de mini safe area’ en op de compound over de lijst van Franken met ‘
251 namen’ plus ‘
zo’n 70 mannen’ die hebben geweigerd om hun naam op de lijst te zetten. De Stichting c.s. stellen dat er zo’n 2.000 tot 3.000 mannen en jongens aanwezig waren. De Stichting c.s. willen in elk geval niet gebonden zijn aan aantallen, omdat die aantallen te zijner tijd kunnen blijken in het kader van individuele procedures bij de bepaling van de schade, aldus de Stichting c.s.
mini safe areaen 350 mannen plus jongens op de compound waren. De grieven slagen in zoverre.
Grief 39 van de Stichting c.s.ziet op de gebruikte terminologie. Volgens de Stichting c.s. moet niet gesproken worden over ‘evacuatie’, maar over ‘deportatie’, omdat het wegvoeren van de bevolking een gedwongen verplaatsing was, die onnodig was en waaraan Dutchbat geen medewerking had mogen verlenen. Ter onderbouwing daarvan bouwen zij voort op hetgeen zij in de eerder besproken grieven reeds tevergeefs hebben aangevoerd en verder verwijzen zij naar overwegingen uit de uitspraak van het ICTY in de zaak Krstić van 2 augustus 2001 (IT-98-33-T), waarin is geoordeeld dat het doel van de evacuatie niet het in veiligheid brengen, maar het wegvoeren van de bevolking was. Naar het oordeel van het hof mist de verwijzing naar deze uitspraak doel, omdat die zaak het handelen van de Bosnische Serven betrof. Dat er geen noodzaak voor de Bosnische Serven was om de vluchtelingen uit hun huizen te verdrijven en het gebied te laten verlaten en dat de evacuatie plaatsvond in een ‘
atmosphere of terror’laat onverlet dat de VN en Dutchbat geconfronteerd werden met mensen die (onnodig en onder dwang) door de Bosnische Serven werden verdreven. Deze mensen waren daardoor afgesloten van levensmiddelen en er moest voor hen een veilig heenkomen worden gevonden. Daarom zal het hof hierna het woord evacuatie gebruiken (voor het eindoordeel in deze zaak maakt de benaming overigens geen verschil). Grief 39 treft dus geen doel.
safe areaoprukten en het was ook aan de VN duidelijk dat dit gewelddadig oprukken gestopt moest worden (op 9 juli 1995 had de VN bevel gegeven om
blocking positionsin te nemen tegen de opmars van de VRS, zie hiervoor onder 2.34). Niets wijst er op (en er is onvoldoende gesteld) dat een nadere melding toen of enkele dagen later over de concrete wijze waarop dat gewelddadige oprukken gebeurde en met welke gruweldaden dat concreet gepaard ging (zoals verkrachtingen met keel doorsnijding), tijdig tot een bevrijding of een voldoende bescherming van het gebied door de VN of de NAVO zou (kunnen) hebben geleid.
safe areamet wapengeweld te heroveren, mede gelet op de onder 23.2 a en c aangehaalde verklaringen, en, indien zij daartoe wel bereid zouden zijn geweest naar aanleiding van meldingen van Dutchbat over waargenomen oorlogsmisdaden, dat een herovering dan tijdig (dus binnen enkele dagen en niet bijv. pas enige weken later) had kunnen plaatsvinden en de oorlogsmisdaden zou hebben kunnen voorkomen. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de passage uit het VN-rapport, inhoudend: “
It is possible that if members of the Dutch battalion had immediately reported in detail those sinister indications to the UN chain of command, the international community may have been compelled to respond more robustly and more quickly, and some lives might have been saved” en een citaat in het NIOD-rapport waaruit de Stichting c.s. afleiden dat in
Rapid Reaction Force-verband (bijvoorbeeld) een aanzienlijke strijdkracht gereed was gehouden, onvoldoende gewicht in de schaal leggen tegenover de praktische belemmeringen en obstakels voor tijdig militair ingrijpen en de daarover bestaande aarzelingen bij de VN en de internationale gemeenschap.
safe areabuiten de mogelijkheden van UNPROFOR lag, temeer omdat een actie binnen het zicht van een vijandige bevolking moest worden uitgevoerd en het hoogstwaarschijnlijk tot een openlijke oorlog met de Bosnische Serven en mogelijk zelfs Joegoslavië zou leiden, omdat de NAVO het geïntegreerde luchtverdedigingssysteem zou moeten aanvallen (NIOD-rapport, p. 2429).
Operation Deliberate Forcedoor de NAVO en door de
Rapid Reaction Forcetussen 30 augustus en 20 september 1995 luchtaanvallen en beschietingen werden uitgevoerd. Mede in dat licht bezien is de stelling dat de
Rapid Reaction Force, hoewel destijds nog niet volledig opgebouwd (zoals de Stichting c.s. erkennen, zie memorie van grieven onder 241), ten tijde van de executies vóór 17 juli 1995 een rol van betekenis zou hebben gespeeld als alle bekend geworden oorlogsmisdaden direct waren gemeld, zonder onderbouwing (die ontbreekt) ook niet aannemelijk.
Stichting c.s.hebben betoogd in hun toelichting bij
grief 19, niet vaststaat dat dit tijdig tot een dusdanig ingrijpen zou hebben geleid dat een reële kans bestaat dat daardoor levens zouden zijn gered.
grieven 30, 31, 34, 35, 43 en 44 van de Stichting c.s.en ook de betogen in de toelichtingen bij de grieven 11-15 en 19, die de waarnemingen door Dutchbat van oorlogsmisdaden en de meldingen daarvan betreffen.
mini safe areaaanwezig waren en toen van de overige vluchtelingen zijn afgescheiden. Zoals de Staat heeft opgemerkt wijzen vindplaatsen van lichamen in de bossen op het tegendeel. En als wel zou vaststaan dat zij tijdens de evacuatie zijn afgescheiden, dan kan het hof niet vaststellen bij wie van hen (met name van degenen geboren voor ongeveer 1982) aan het uiterlijk zonder screening was te zien dat zij vanwege hun leeftijd geen oorlogsmisdaden kònden hebben gepleegd. Al met al is onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat Dutchbat betrokken is geweest bij het scheiden van jonge mannelijke vluchtelingen van wie op het eerste gezicht al duidelijk was dat zij te jong waren om oorlogsmisdrijven te hebben gepleegd.
Grief 29 van de Stichting c.s.is (in zoverre) ongegrond.
Stichting c.s.heeft bedoeld dat haar
grief 29ook daarop ziet, wordt dat beoordeeld in het kader van de navolgende grieven (in het bijzonder
grief 42 van de Stichting c.s.en
grief 4 van de Staat).
mini safe areabeschikbare capaciteit, direct daadwerkelijk uitvoerbaar was.
mini safe areaintussen erbarmelijk was. Het was er heet en er was weinig water. Zicht op verbetering van de leefomstandigheden was er niet; daarvoor zijn het bevel van Gobilliard van 11 juli 1995 “
be prepared to recieve and coordinate delivery of medical and other relieve supplies to refugees” (zie hiervoor onder 2.45) en een brief van 12 juli 1995 van Janvier aan Mladić met de mededeling dat de VN in staat is voor bevoorrading zorg te dragen, onvoldoende, want vast staat dat de VN-hulpkonvooien feitelijk niet werden doorgelaten.
Toen de bussen kwamen wilden de vluchtelingen (noodgedwongen) weg. Er ontstond een massale run op de bussen. Dit leidde tot een chaos waarbij vluchtelingen elkaar onder de voet dreigden te lopen. Dutchbatters werden door de massa in de richting van de bussen gedrukt (NIOD-rapport p. 2646). De eerste bussen vertrokken overvol. Bovendien veranderde gaandeweg het gedrag van de Bosnische Serven nadat de evacuatie was aangevangen. De ontstane situatie is weergegeven in een citaat van luitenant Mustert (NIOD-rapport p. 2647, zie ook vonnis onder 4.214):
Op het moment dat de bussen kwamen aanrijden liepen wij daar gewoon tussendoor. Als mensen niet snel genoeg reageerden op de tekens van de BSA [VRS] om niet in te stijgen, werd er wel eens een schop of een duw uitgedeeld, waarop wij ze maanden om op te houden. Na een uurtje werden ze het zat en mochten we niet meer bij de bussen komen. Je staat dan met je rug tegen de muur.”.
Grief 32 van de Stichting c.s.is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Dutchbat pas vanaf de late namiddag van 13 juli 1995 rekening moest houden met
serious riskop de genocide. Volgens de Stichting c.s. had Dutchbat vanwege zijn wetenschap van het genocidegevaar van het begin af aan niet mogen meewerken aan de evacuatie van de bevolking.
Grief 3 van de Staatziet eveneens op het oordeel van de rechtbank over de wetenschap van Dutchbat. Deze grief stelt, naast de wetenschap van het genocidegevaar, ook ter discussie de wetenschap dat de weggevoerde mannen een reëel risico liepen op de dood of op foltering of een onmenselijke of vernederende behandeling. Het hof bespreekt deze grieven thans gezamenlijk.
genocidebestond; wetenschap van een reëel risico op schending van de in artikelen 2 en 3 EVRM en 6 en 7 IVBPR n
eergelegde fundamentele mensenrechten heeft dezelfde rechtsgevolgen. Daarom is voor toewijzing van de onrechtmatigheidvorderingen van de Stichting c.s. niet nodig dat er tijdens de evacuatie bekendheid was met de naderende genocide door Bosnische Serven. Ook het door de Staat genoemde ontbreken van concrete wetenschap dat de mannen een
zekeredood tegemoet gingen, is voor de onrechtmatigheid een te hoge lat.
Grief 3 van de Staattreft in zoverre geen doel. Het hof laat de genocide hier daarom verder buiten beschouwing.
peacekeepingmissie had moeten opgeven.
mini safe area(waaronder Franken en Karremans).
Aanvankelijk liep het ogenschijnlijk goed. Volgens meldingen die ik kreeg vanuit de sector North East en van het Pakistaanse bataljon dat dat deel van de CL bezette in de Tuzla area kwamen grote aantallen mensen binnen zonder al te veel problemen en zaten er aanvankelijk zelfs mannen tussen.”
Op een gegeven moment zagen wij (…) dat er mannen tussenuit werden gepikt door de Serven. (…).[vraag: Hebt u ook doorgegeven dat u zag dat de mannen eruit werden gepikt?]
Ja (…) Er werd mij toen gevraagd of ik ze nog kon zien, en daarop kon ik antwoorden dat dit het geval was, omdat ze op een grasveld voor een huis zaten.”
(…) Pas aan het eind van de avond werden die mannen daar weggehaald met een vrachtwagen.”
Onderweg hadden zich nauwelijks problemen voorgedaan en ook de mannen die de eerste bussen hadden weten te bereiken leken volgens meldingen van het Pakistaanse bataljon veilig te zijn gearriveerd. (…) De volgende konvooien die op pad waren gegaan, kwamen onderweg wél in de problemen. (…) In Potočari bestond bovendien nog geen helder beeld van de situatie aan het eindpunt, in het bijzonder van het feit dat de vluchtelingen nog een forse afstand te voet moesten afleggen (…). Franken daarover later: “ (…) Toen hebben we zo snel mogelijk getracht de gewonden er ook uit te krijgen. Ik zag een opening om die mensen veilig weg te brengen. Je wist bij die Serven nooit hoe het zou veranderen.” Voor Franken was dit aanleiding om ondanks het reeds late uur – het liep tegen zessen en het invallen van de schemering zou niet lang op zich laten wachten – zo snel mogelijk het konvooi met 54 gewonden weg te sturen. (…) Ver na middernacht bereikte het konvooi Tišća, en daar mocht slechts een beperkt aantal gewonden de grens over. Mannen die zich voordeden als gewonden (…) werden door de VRS afgevoerd.”
De trigger om de evacuatie te stoppen kwam eigenlijk in een latere fase. (…) Toen de situatie bij het witte huis verergerde – ik doel op de wijze waarop de Serven met de mannen omgingen – kon dat een trigger zijn om de evacuatie te stoppen. Wij [het hof begrijpt: de leiding] hebben er ook over nagedacht of dat het moment was om te stoppen. Wij hebben toen nadrukkelijk en duidelijk gekozen voor de grote hoeveelheid vrouwen en kinderen. Als ik de evacuatie stopte, (…) zou er een situatie zijn ontstaan met heel veel doden zonder directe invloed van Mladić. Mladić had (…) wat dat betreft de tijd (…) op zijn hand. Ik begon te vermoeden dat het er al ernstiger uitzag voor de mannen dan je vooraf kon veronderstellen. Ik heb alles bij elkaar dan ook besloten, althans geadviseerd om de evacuatie te laten doorgaan en niet daardoor te stoppen. Dat betekent dat je een bewuste keuze maakt: ik kies voor de 25.000 vrouwen en kinderen ten koste wellicht – het was voor ons ook niet duidelijk dat al die mannen afgemaakt zouden worden – van die 600 à 700 mannen.(…)”
Bij de eerste meldingen dat er werd geslagen, heb ik de UNMO’s – die zaten ook bij ons – daarheen gestuurd (…) Ik kreeg meldingen dat zij de indruk hadden dat het door hun aanwezigheid wat minder was, maar dat er toch redelijk grof werd opgetreden. Er kwamen steeds meer meldingen. Dan ga je overwegen: ga ik er iets aan doen? Het was mogelijk om met een heel snelle militaire actie dat huis te pakken, de mannen eruit te halen en terug te brengen naar je base. Maar ik zat met dezelfde situatie die ik al eerder schetste in verband met het stoppen van de deportatie.[vraagsteller: Daar speelde dus weer de overweging van een aantal mannen versus duizenden vluchtelingen? (…); Franken:] “
Ja (…)
The trigger for me [hof: om een lijst te maken] was the increasing violence in the interrogation of the men. So I already stated that I had the feeling in the late afternoon of the 12th that we were not in control in any way anymore, and that triggered me for this solution.”
Die ochtend[hof: donderdag 13 juli 1995]
(…) komt er een melding binnen: een aantal bussen vertrekt richting Bratunac. Die bussen worden gevolgd door een luitenant van het korps commandotroepen (KCT) en een chauffeur. Deze begeleidende terreinauto wordt er ter hoogte van Bratunac afgehaald; de bussen gaan verder. Wij horen dat de luitenant wordt tegengehouden en bedreigd. Hij moet zijn terreinwagen inleveren. Duidelijk is dan dat de mannen een “ander lot” te wachten staat. Dat zijn de mannen die de dag ervoor in de huizen werden verzameld. (…)
het het bataljon heeft gemeld want kort daarna werd ik verzocht om ook aan de konvooibegeleiding te gaan deelnemen. Daaruit mag je afleiden dat het bataljon doorhad dat een verdere begeleiding van de bussen wel van enig belang was. (…)
Ik ben samen met een compagnies sergeant-majoor. Hij gaat mee naar het zogenaamde Witte huis. Wij hebben doorgekregen dat daar het een en ander gebeurt, ondervragingen enz. (…) Bij het naderen van het huis lopen wij door de tuin en zien daar hopen identiteitspapieren liggen, paspoorten, arbeidskaarten enz. Vervolgens zien wij hopen kleding liggen. Wij komen bij het huis; (…). Er staan ook twee soldaten van het KCT die daar door een collega achtergelaten zijn om enigszins toezicht te houden op wat daar gebeurt. (…) Dan zien wij dat een Moslimman aan de trap is vastgebonden, zodanig dat hij zijn voeten net niet aan de grond kan krijgen. (…) Ik probeer vervolgens een ruimte binnen te stappen waar ook een Servische soldaat voor staat. Dat wordt mij verhinderd doordat mij een wapen in het gezicht wordt geduwd. Kennelijk is dat de ondervragingsruimte. (…) Ik probeer boven zicht te krijgen op wat zich daar allemaal bevindt. Dat zijn voornamelijk mannen, oudere mannen en jonge jongens, pubers. (…) Je kunt het niet beschrijven…. Eerder heb ik in een verklaring gezegd dat je de dood kan ruiken. (…) het is gewoon echt waar. (…) Nadat ik de foto’s heb gemaakt (…) ga ik terug naar de weg en wordt een en ander gemeld aan overste Karremans die ook aan de weg staat.”
Nee, dat was niet nodig. Iedereen kon het horen.”
grief 3 van de Staatvoor zover die is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Dutchbat op 13 juli 1995 wist dat de mannen als zij gescheiden door de Bosnische Serven werden weggevoerd, een reële risico liepen op de dood of een onmenselijke behandeling (rechtbankoverwegingen 4.245 - 4.254). Het hof laat in het midden of de leiding van Dutchbat zich die dag bewust had moeten zijn van het serieuze gevaar van de
genocidedoor de Bosnische Serven, zoals de rechtbank heeft geoordeeld (rechtbankoverwegingen 4.255 - 4.257). Zoals het hof hiervoor heeft overwogen (zie onder 50.1) is dit voor de onderhavige onrechtmatige daad vorderingen niet van belang (over de zelfstandige genocide-vordering heeft het hof reeds in overwegingen 34 geoordeeld dat die in dit geding moet worden afgewezen).
ethnic cleansing’ van het gebied door Bosnische Serven had reeds plaatsgevonden door de bevolking richting
mini safe areate verjagen; niets wees er op dat de Bosnische Serven een tweede ‘
ethnic cleansing’ in het gebied wilden bewerkstellingen. De later geconstateerde genocide dateert van nà 13 juli 1995.
MinisterSorgdragervraagt hoe er zal worden gereageerd als de overige enclaves ook zullen vallen. Het is de vraag waar de vluchtelingen zullen worden opgevangen en wat de taak van UNPROFOR nog zal zijn. Zij vraagt of er zich ook Nederlanders bevinden in de overige enclaves. MinisterVoorhoeveantwoordt ontkennend.
geentoestemming zouden geven voor vertrek. Dit geldt ook voor de door Van Mierlo geuite bezorgdheid, die de Stichting c.s. aanhalen (memorie van grieven van de Stichting c.s. onder nr 387). In de ministerraad is opgemerkt (memorie van grieven van de Stichting c.s. onder nr 386):
Het dringendst was het vinden van een veilig heenkomen, want de situatie die ontstaan was, zou ongetwijfeld tot etnische zuiveringen leiden.”
killing people or trying to raise a panic by killing people. And I mean by ‘people’, I mean civilians, women and children”
“I put this in connection with other affirmations which you said. You said (….): “
I expected the Serb forces to start killing civilians indiscriminately”
(….)“
that would be delivering the Srebrenican people to their butchers (…).”, waarop Franken zegt:
“That is correct sir. I had those fears.”
‘Als ik de evacuatie stopte, (…) zou er een situatie zijn ontstaan met heel veel doden’– zie hiervoor onder 51.4c). Het hof wijst er tevens op dat met deze evacuatie ook daadwerkelijk duizenden mensen onder de ogen van de Bosnische Serven in veiligheid zijn gebracht.
Stichting c.s. met grief 32en de
Staat met grief 3anders verdedigen, zijn die grieven ongegrond.
mini safe areaverslechterden op 12 en 13 juli 1995 zienderogen.
Wij zaten met bijzonder hoge temperaturen. Er was nauwelijks of geen water. Het lokale waterleidingnet functioneerde helemaal niet en wat wij zelf hadden, moesten wij zuiveren via slimme machines. (…) Wat eruit kwam was zeker niet in verhouding tot de waterbehoefte van zo’n 30.000 man (…) Er vielen al doden. Mijn informatie was dat het vier dagen met een betrouwbaarheid van één minder en een langer, afhankelijk van het weer, te doen zou zijn.
Nee, (…) het betekent dat wij prioriteiten moesten stellen in het verstrekken van water, bijvoorbeeld aan de gigantische hoeveelheden kleine kinderen die daartussen zaten. Wij moesten water reserveren voor ons hospitaal voor mensen die met uitdrogingsverschijnselen binnenkwamen, maar dat was het.
Op een gegeven moment hebben wij alles wat wij hadden maar bij elkaar gegooid (…). Die was absoluut niet toereikend (…)
Ja. Die was er niet (…) Mensen waren zo panisch dat zij hun behoefde deden in die hal (…) Als dat gebeurt als je met 5000 mensen bij 30 graden boven nul in een kale betonnen hal zit, dan kunt u zich er iets bij voorstellen. Wij hadden geen water voor hen om zich te wassen. (…) Mensen zaten apathisch in die smeerboel en er lagen vrouwen te baren (…)
Het eerste wat hij heeft gedaan, vrijwel onmiddellijk bij de eerste bespreking met Mladic, is deze situatie schetsen en vragen om ondersteuning dan wel toestemming dat voedsel en dergelijke zaken werden gebracht. Dat is niet gebeurd; het is niet toegestaan door de Serven. (…) Het was evident dat de UNHCR pogingen deed om met voedsel de enclave in te komen (…)
Niets, omdat het gewoon niet toegestaan werd en er niet door kwam. (…) In die fase kwamen de smokkelroutes er ook niet meer door. Laat dat duidelijk zijn.”
Als ik de evacuatie stopte, hoefde Mladic zich er eigenlijk niet boos over te maken, want binnen enige dagen zou het probleem zichzelf oplossen. Dat klinkt heel cynisch, maar dan zou er een situatie zij ontstaan met heel veel doden zonder directe invloed van Mladic.”
mini safe areazou komen, want die hulp werd niet doorgelaten (zie hiervoor onder 48.1). Zicht op tijdige redding door de VN was er dus niet.
grief 38 van de Stichting c.s.ongegrond.
mini safe areabevonden alsnog op de compound had moeten toelaten en onderbrengen, overweegt het hof het volgende.
mini safe areawaren. Hiervoor onder 42.1 en 42.2 heeft het hof aangegeven dat er bij het begin van de evacuatie honderden of zelfs duizenden mannen in de
mini safe areaaanwezig waren. Een deel daarvan was op 12 juli 1995 reeds vertrokken. Er moet (mede gelet op hetgeen de Stichting c.s. hebben gesteld) rekening mee worden gehouden dat er in de avond van 12 juli 1995 nog tenminste om en nabij de duizend mannen aanwezig waren. Het hof acht het niet reëel om aan te nemen dat Dutchbat een dergelijk grote hoeveelheid mannen op de compound destijds bij de aldaar reeds aanwezige vluchtelingen had kunnen opvangen en in leven had kunnen houden. Daartoe neemt het hof het volgende tezamen in aanmerking (54.3a - e).
mini safe areatussen de andere vluchtelingen uit zou hebben gehaald en naar de compound zou hebben gebracht, zou dat door de Bosnische Serven zijn opgemerkt. Ook als de bevolking aan een afscheiding van de mannen en jongens uit hun midden geruisloos zou hebben meegewerkt (hetgeen de Staat gemotiveerd heeft betwist), zou een verplaatsing van zo veel mannelijke vluchtelingen naar de compound zijn ontdekt, zelfs wanneer dit in de ochtend van 13 juli 1995 zou zijn gebeurd voordat de Bosnisch Servische militairen arriveerden om de evacuatie voort te zetten – als dat al in zo korte tijd zou hebben gekund. Er waren immers Bosnische Serven tussen de bevolking aanwezig (gezien de oorlogsmisdrijven in de nacht van 12 op 13 juli 1995 en de verklaringen van appellanten daarover, overgelegd als producties bij de dagvaarding in eerste aanleg).
mini safe areatussen de overige bevolking uit zouden zijn gehaald en naar de compound zouden zijn gebracht, daarmee de levens van tienduizenden mensen op het spel zouden zijn gezet. Evenals de rechtbank (rechtbank overweging 4.291) acht het hof het niet alsnog opvangen van alle mannelijke vluchtelingen op de compound dan ook niet onrechtmatig.
Grief 38 van de Stichting c.s.is ongegrond.
Grief 40 van de Stichting c.s.is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Dutchbat de evacuatie slechts in goede banen heeft willen leiden (overwegingen 4.296- 4.298) en verwijt de rechtbank er geen acht op te hebben geslagen, dat (1) de erbarmelijke omstandigheden en de wens van (grote delen van) de bevolking om de enclave te verlaten, voortvloeiden uit het feit dat Dutchbat de bevolking geen bescherming bood en niet robuust optrad tegen de Bosnische Serven en dat (2) Dutchbat in opdracht van de Staat de evacuatie van de vluchtelingen heeft geïnitieerd en vervolgens de regie en de uitvoering in handen van de Bosnische Serven heeft gelegd. Deze grief bouwt voort op hetgeen de Stichting c.s. eerder heeft aangevoerd en hiervoor reeds is verworpen. Deze grief faalt daarom.
Grief 41 van de Stichting c.s.bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat Dutchbat de evacuatie niet stop hoefde te zetten in de avond van 12 juli 1995. Ook deze grief bouwt voort op hetgeen eerder is aangevoerd en is daarom eveneens ongegrond. Het hof merkt wederom op dat het de Stichting c.s. niet volgt in hun standpunt dat de bevolking volgens het ICTY geen gevaar meer liep. Zoals hiervoor onder 43 is overwogen treft de verwijzing door de Stichting c.s. naar de eerdergenoemde uitspraak van het ICTY over gebrek aan noodzaak voor de Bosnische Serven om de bevolking af te voeren, geen doel. Dat er voor de Bosnische Serven geen noodzaak was omdat zij de leefomstandigheden voor de bevolking hadden kunnen verbeteren, betekent niet dat er voor Dutchbat geen noodzaak was omdat Dutchbat deze verbetering ook had kunnen bewerkstellingen. Het waren de Bosnische Serven (niet Dutchbat) die de VN-hulpkonvooien tegenhielden en wier (misdadig) handelen de bevolking bedreigde.
grief 42komen
de Stichting c.s.op tegen de overwegingen van de rechtbank inzake het voortzetten van de begeleiding van de evacuatie op 13 juli 1995 (rechtbankoverwegingen 4.304 - 4.311). Volgens de Stichting c.s. had Dutchbat de evacuatie op 13 juli 1995 stop moeten zetten en was het voortzetten van de begeleiding van de evacuatie op 13 juli 1995 onrechtmatig, ook bij ontbreken van een alternatief. De Staat heeft betwist dat de evacuatie moest worden stopgezet en dat het begeleiden van de evacuatie onrechtmatig was, waarbij de Staat ook heeft betwist dat Dutchbat (actief) heeft meegewerkt aan het scheiden van de mannen.
mini safe areain veiligheid te brengen, zij liepen geen risico om te worden gedood of onmenselijk behandeld maar werden volgens afspraak naar Kladanj gebracht, het voortzetten van de evacuatie diende hen). Daartoe verwijst het hof mede naar hetgeen hiervoor onder 53.2 e.v. is overwogen. De situatie was op 13 juli 1995 verder verslechterd, (zicht op) VN-hulp was er niet, (ook) in de nacht van 12 op 13 juli 1995 hadden vluchtelingen terreur door Bosnische Serven ervaren (zie hierover onder meer de eerder genoemde verklaringen van appellanten) en (een groot deel van) de bevolking wilde – noodgedwongen – de enclave verlaten. Gelet op de leefomstandigheden op dat moment in de
mini safe area, die het hof mede hiervoor (onder andere in 53.2) heeft omschreven, dreigden duizenden mensen hun leven te verliezen als de evacuatie zou worden gestopt en ze dus langer in de
mini safe areahadden moeten blijven. Voort (doen) zetten van de evacuatie van de bevolking na bekend worden van hetgeen met de mannen kon gebeuren, was daarom niet onrechtmatig.
Op dat moment heb ik gedacht: (…) Op die manier kunnen wij ze op een humane manier de bus in laten gaan, zonder dat de Servische soldaten inmengen of mannen er uitpikken.”
roadblockhebben aangehouden en een groot aantal mannen eruit hebben gehaald, zodat de vroege start van de evacuatie uiteindelijk waarschijnlijk slechts een handjevol mannen het leven heeft gered. Volgens
de Stichting c.s.(toelichting op
grief 42in de memorie van grieven nummer 504) gaat het slechts om twee mannen. Wat daar ook van zij, het hof kan op grond hiervan geen onrechtmatig handelen van Dutchbat (de Staat) vaststellen. Dutchbat heeft de mannen met de bussen richting VN-opvang laten gaan en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen (zie 54.4), kan niet worden geoordeeld dat Dutchbat onrechtmatig handelde door de evacuatie voort te zetten zonder de mannelijke vluchtelingen apart te verzamelen en achter te houden.
mini safe areabevonden en daar zo spoedig mogelijk weg moesten. Bovendien kon Duchtbat niet in redelijkheid verwachten dat bussen vol met (alleen) mannen onderweg langs de Servische posten zouden worden doorgelaten om richting VN-opvang te rijden.
-b- Dutchbat stelde op een naastliggende terrein groepen samen van (ongeveer) 60 tot 70 vluchtelingen (zowel vrouwen als mannen). Per groep werden de mensen door de sluis gelaten.
-c- Op deze wijze liepen de vluchtelingen een eindje in een rij naar de bussen. Langs deze route hadden VRS-soldaten zicht op de vluchtelingen en konden zij duidelijk de mannelijke vluchtelingen van anderen onderscheiden. Terwijl de vluchtelingen zo naar de bussen liepen, werden mannelijke vluchtelingen aangewezen en afgescheiden van de vrouwen, kinderen en ouderen voordat zij bij de bussen aankwamen.
mini safe areadie (noodgedwongen) wilden vertrekken. Het is algemeen bekend, en ook ter plaatse op 12 juli 1995 gebleken, dat een vertrek van zo veel mensen bij gebrek aan een juiste begeleiding tot chaos leidt. Het NIOD heeft erover gerapporteerd (NIOD-rapport, p. 2741):
Toen op de middag van 13 juli de overgebleven vluchtelingen de compound moesten verlaten, dreigde dat in een chaos te ontaarden. Er was door middel van linten een pad aangeduid dat van de voertuighal naar de poort van de compound liep. Aan het begin leek er een run op de bussen te ontstaan, waardoor ouden van dagen en kinderen het gevaar liepen vertrapt te worden. De enige mogelijkheid om dat te voorkomen was om de afvoer te structureren en ondertussen de wachtenden in de brandende hitte zo goed mogelijk te verzorgen.”
(…) de Serven gebruikten nogal wat fysiek geweld, ook tegen vrouwen en kinderen, om bussen die geschikt waren voor 40 of 50 mensen, toch te vullen met het dubbele aantal.”
De eerste dag van de afvoer zie je dat families uit elkaar getrokken worden, waarbij mannen van vrouwen en kinderen gescheiden worden. (…) Ook het schoppen en slaan door de Servische soldaten richting Bosnische vluchtelingen.”
Toen er echter ook een oude man of een jonge jongen uitgepikt werd, hebben wij weer wel geprotesteerd en dat heeft ertoe geleid dat wij nog een aantal mensen bij hun familie hebben kunnen houden.”
grief 42 van de Stichting c.s.in zoverre gegrond is dat Dutchbat onrechtmatig handelde door de evacuatie op 13 juli 1995 te blijven begeleiden met het vormen van groepen en een ‘sluis’, waardoor Dutchbat een handelwijze van de Bosnishe Serven gemakkelijker maakte die, naar Dutchbat wist althans moest weten, het reële risico in zich borg dat mannelijke vluchtelingen zouden worden blootgesteld aan een onmenselijke behandeling of executie. Hierna (onder 64.1 e.v. en 65) wordt nog ingegaan op de vragen of de mogelijkheid dat hierdoor schade is geleden door appellanten aannemelijk is en, in dat verband, of er belang is bij een verklaring voor recht.
Gelet hierop heeft de Staat onvoldoende onderbouwd dat de schaarste aan water, voedsel, medicijnen en sanitair dermate nijpend was, dat de Staat, hoewel hij wist dat de mannen een reëel risico liepen te worden blootgesteld aan onmenselijke behandelingen en aan executies, toch in redelijkheid zonder meer kon besluiten om reeds op 13 juli 1995 ook de evacuatie van de circa 350 mannen te begeleiden.
op dat momentaan de hand van de situatie die dan was ontstaan, waaronder de houding die de Bosnische Serven zouden aannemen, had kunnen besluiten of de mannen alsnog de compound moesten verlaten. Dutchbat had niet op voorhand al de mannen mogen laten vertrekken, althans niet zonder hun expliciet de keuze te geven, wetend dat ze dan zouden worden afgescheiden waarna ze het reële risico liepen onmenselijk te worden behandeld of geëxecuteerd. Naar het oordeel van het hof is er geen grond te veronderstellen dat de Bosnische Serven bij ontdekking van ruim 300 mannen op de compound meteen (zonder enig voorafgaand overleg of voorafgaand verzoek tot alsnog uitlevering van de mannen) wapengeweld tegen de aanwezigen op de VN-compound zouden hebben gebruikt. Daarover heeft de Staat onvoldoende gesteld en het hof acht een dergelijk directe militaire actie niet aannemelijk. Daartoe acht het hof van belang dat het aantal mannen dat op die wijze op de compound zou zijn achtergebleven relatief gering was (maximaal circa 350, zie hiervoor onder 42.2). Verder acht het hof van belang dat de Bosnische Serven tot dan toe de compound ongemoeid hadden gelaten en dat zij tot dan toe niet (althans niet gericht) op VN-posten van Dutchbat hadden geschoten. Voorts wist Dutchbat dat Mladić aanvankelijk had gezegd dat de vluchtelingen in vijf verschillende groepen zouden worden geëvacueerd, de mannen
nade vrouwen en kinderen (zie onder meer de memorie van antwoord van de Stichting c.s. onder nr 160); dus in dat kader kon Dutchbat aan de Bosnische Serven voorhouden dat de vrouwen en kinderen als eerste naar buiten hadden mogen gaan.
Grief 4 van de Staattreft geen doel.
V. Causaal verband, schade en verklaring voor recht
mini safe areate blijven begeleiden met het vormen van groepen en een ‘sluis’ waardoor Dutchbat de afscheiding van de mannelijke vluchtelingen gemakkelijker heeft gemaakt, terwijl het wist dat de afgescheiden mannen een reëel risico liepen op blootstelling aan een onmenselijke behandeling of executie. Gelet op de devolutieve werking van het appel, zal het hof thans ingaan op de vraag of de mogelijkheid dat de Stichting c.s. hierdoor schade hebben geleden aannemelijk is, nu de Staat dit heeft betwist. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
grieven 42 en 43 van de Stichting c.s.geen doel.
nietmet voldoende mate van zekerheid vast dat de Bosnische Serven de groep Bosnische Moslimmannen met rust zouden hebben gelaten. In zoverre is
grief 5 van de Staatgegrond. Daartoe overweegt het hof het volgende (a - d).
nietaan de Bosnische Moslims de keus lieten om in het gebied te blijven: de Bosnische Moslims werden – ondanks de aanwezigheid van UNPROFOR – in de
safe areanaar de
mini safe areaverdreven, waarbij hun huizen werden verbrand. De Bosnische Serven schuwden het gebruik van fysiek geweld tegen de vluchtelingen niet. Voorts had generaal Mladic nog op 12 juli 1995 gezegd:
“They’ve all capitulated and surrendered and we’ll evacuate them all – those who want to and those who don’t want to.”(zie de uitspraak van het ICTY in de zaak Krstić, aangehaald door de Staat bij memorie van antwoord in 5.3.13).
close air supportof zelfs
air strikeste mobiliseren voordat de leefsituatie op de compound volstrekt onhoudbaar was geworden, dan zouden
close air supportof
air strikester plaatse wellicht te moeilijk uitvoerbaar zijn, omdat met een aanval op de Bosnische Serven gemakkelijk ook de VN-compound (met Dutchbat en de vluchtelingen) beschoten zou worden.
de Staatmet
grief 5heeft bestreden dat hij schade moet vergoeden, is de grief ongegrond.
grief 43 van de Stichting c.s.gedane beroep op artikel 6:99 BW Pro merkt het hof nog op dat vaststaat dat de dood van de mannen het rechtstreekse gevolg is van het handelen van de Bosnische Serven en dat zonder handelen van de Bosnische Serven de mannen zeker niet waren geëxecuteerd. Dutchbat heeft door zijn handelen tijdens de evacuatie, de afscheiding waarna de onmenselijke behandelingen en de executies konden plaatsvinden, gemakkelijker gemaakt. De Stichting c.s. hebben echter in dit geding onvoldoende aangevoerd om thans te oordelen dat zonder het onrechtmatig handelen van Dutchbat (een van) de man(nen) een grotere kans zou(den) hebben gehad om niet te zijn blootgesteld aan de onmenselijke behandeling en de executie. Het beroep op art. 6:99 BW Pro treft dus geen doel.
grief 46 van de Stichting c.s.
Grief 46 van de Stichting c.s.is dus gegrond.
Grief 44 van de Stichting c.s.is hiervoor reeds afdoende besproken (onder meer in de overwegingen 44) en moet worden verworpen.
Grieven 45, 47 en 48 van de Stichting c.s.werpen geen nieuwe gezichtspunten op en kunnen onbesproken blijven.
VI. Conclusie
grief 42 van de Stichting c.s.brengt met zich dat het hof, anders dan de rechtbank, oordeelt dat Duchtbat reeds nadat de Bosnisch Servische militairen in de ochtend van 13 juli 1995 waren gearriveerd, had moeten stoppen met het – door vormen van groepen vluchtelingen en van een ‘sluis’ – gemakkelijker maken voor de Bosnische Serven om de mannelijke vluchtelingen af te scheiden waarna zij werden blootgesteld aan het reële risico van onmenselijke behandeling en executie. Hiervoor kan geen (geldelijke) schadevergoeding worden toegekend wegens het ontbreken van causaal verband tussen dit handelen en de onmenselijke behandelingen en executies van de mannen. Er moet echter wel een verklaring voor recht als genoegdoening worden uitgesproken. Verder is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat Dutchbat niet zonder meer de mannelijke vluchtelingen vanaf de compound had mogen laten evacueren. Gegrondheid (gedeeltelijk) van
grief 5 van de Staatbrengt met zich dat het hof, anders dan de rechtbank, oordeelt dat met dit laatstgenoemde handelen van Dutchbat aan de mannelijke vluchtelingen die op 13 juli 1995 op de compound waren, een 30% kans op ontkomen aan de onmenselijke behandelingen en executies is ontnomen.
Afronding van de beoordeling in hoger beroep
safe areaSrebrenica. Uit krantenberichten nadien is het hof gebleken dat deze verkenning door het NIOD er toe heeft geleid dat er op dit moment, bij gebrek aan nieuwe gegevens, geen nader onderzoek komt. Het hof gaat daarom aan deze stelling ter zake van aanvullend onderzoek voorbij, zoals op voorhand ter zitting met partijen is besproken.
I. door op 13 juli 1995 de afscheiding van de mannelijke vluchtelingen door de Bosnische Serven te vergemakkelijken door de vluchtelingen in groepen en door ‘de sluis’ naar de bussen te laten gaan,
II. door de mannelijke vluchtelingen die zich op 13 juli 1995 op de compound bevonden niet de keus te bieden om op de compound te blijven en hun aldus de kans van 30% te onthouden om niet te worden blootgesteld aan de onmenselijke behandelingen en executies door de Bosnische Serven;