ECLI:NL:HR:2012:BW1999
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- F.B. Bakels
- C.A. Streefkerk
- W.D.H. Asser
- J.C. van Oven
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt absolute immuniteit VN bij vorderingen over Srebrenica-genocide
In deze zaak vorderden Stichting Mothers of Srebrenica en andere eisers de Staat der Nederlanden en de Verenigde Naties aansprakelijk te stellen voor nalatigheid en onrechtmatig handelen in verband met de val van de Srebrenica-enclave in 1995 en de daaropvolgende genocide. De vorderingen waren gericht op een verklaring voor recht en schadevergoeding.
De Nederlandse rechter verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tegen de VN vanwege immuniteit van jurisdictie. Het hof bekrachtigde dit oordeel en de Hoge Raad bevestigt dit arrest. De immuniteit van de VN is gebaseerd op artikel 105 van Pro het Handvest van de Verenigde Naties en het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de VN, en is absoluut.
De eisers stelden dat de immuniteit moest wijken vanwege het recht op toegang tot de rechter (artikel 6 EVRM Pro) en de ernst van de verwijten, waaronder genocide. De Hoge Raad overwoog dat deze immuniteit ook bij ernstige mensenrechtenschendingen niet wordt doorbroken, mede gelet op jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Internationaal Gerechtshof.
De Hoge Raad verwerpt de cassatieberoepen van zowel de Stichting als de Staat en bevestigt dat de immuniteit van de VN niet proportioneel kan worden doorbroken, ook niet bij beschuldigingen van genocide. De Staat en Stichting worden in de kosten van het geding in cassatie veroordeeld.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de VN absolute immuniteit van jurisdictie toekomt, waardoor de Nederlandse rechter niet bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen tegen de VN.