Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 13 oktober 2015
[X] ,
Houtskeletbouw Alphen B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
a. [X] Groep is de aandeelhouder en bestuurder van Houtskeletbouw Alphen B.V. (hierna: HSB). [Y] Holding is de aandeelhouder en bestuurder van [X] Groep en [X] is de aandeelhouder en bestuurder van [Y] Holding.
b. In verband met reorganisatieplannen heeft HSB op 29 augustus 2011 een ontslagvergunning aangevraagd voor 16 van haar 19 werknemers. Het UWV heeft de aanvragen bij beslissing van 21 november 2011 afgewezen. De reorganisatie heeft geen doorgang gevonden.
c. Op 20 december 2011 hebben [X] Groep en HSB de (onder)huurovereenkomst tussen hen betreffende de fabriekshal en de opslagloods van HSB met wederzijds goedvinden beëindigd per 23 december 2011.
d. Bij brief van 21 december 2011 heeft de toenmalige advocaat van [X] Groep aan debiteuren van HSB haar stil pandrecht op vorderingen van HSB openbaar gemaakt en de debiteuren verzocht om openstaande facturen van HSB te voldoen aan [X] Groep.
e. Bij aandeelhoudersbesluit van 23 december 2011 heeft [X] Groep aan [X] opdracht gegeven het faillissement van HSB aan te vragen. In het aandeelhoudersbesluit is vermeld dat de totaalschuld van HSB aan [X] Groep was opgelopen tot € 356.476,44 en die van HSB aan [X] Bouwbedrijf B.V., een andere dochtervennootschap van [X] Groep, tot
€ 78.750,26.
f. In de week van 20 tot en met 27 december 2011 (met name op 22 en 23 december 2011) heeft HSB een aantal schuldeisers voldaan tot een totaalbedrag van
€ 243.576,32. Daarmee werd – uitgaande van de vorderingen van HSB zoals die bleken uit de administratie van HSB – 65% van de op dat moment openstaande vorderingen voldaan. Die betalingen zijn verricht met gelden die HSB kort daarvoor had ontvangen van debiteuren.
g. Op 27 december 2011 heeft HSB haar faillissement aangevraagd. Op 3 januari 2012 is het faillissement uitgesproken met benoeming van de curator als zodanig.
h. Op 6 januari 2012 zijn de curator en [X] Groep overeengekomen dat [X] Groep tegen betaling van € 45.000,-- vijf lopende projecten van HSB mocht overnemen. Overname van het klantenbestand van HSB was geen onderdeel van de overeenkomst.
paritas creditorum) en een eerlijke verdeling van de boedel gefrustreerd, aldus de curator.
Bij eindvonnis van 5 maart 2014 (hierna: het eindvonnis) heeft de rechtbank [X] Groep c.s. hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan de curator van
€ 167.051,62 met wettelijke rente en hen voorts veroordeeld in de proceskosten.
gezamenlijkeschuldeisers op te komen; een selectieve behartiging van de belangen van schuldeisers valt buiten de grenzen van de in art. 68 lid 1 Fw Pro. aan de curator gegeven opdracht tot beheer en vereffening van de failliete boedel, terwijl ook overigens in de Faillissementswet daarvoor geen grondslag valt aan te wijzen (HR 14 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN7887; zie ook HR 16 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7997, NJ 2006/311). In dit geval is geen sprake van een bewuste benadeling van een of meer specifieke crediteuren: door de selectieve betalingen is het daarmee gemoeide actief niet meer beschikbaar voor verhaal ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Bij toewijzing van de vordering van de curator zal de opbrengst in de boedel vallen en aan de gezamenlijke schuldeisers ten goede komen in de vorm van een toename van het boedelactief. Daaraan doet niet af dat in dat geval, naar het zich laat aanzien, het boedelactief niet voldoende zal zijn om tot een uitkering te komen aan de concurrente crediteuren, zodat alleen de preferente crediteuren hiervan zullen profiteren. De curator is dus ontvankelijk in zijn vordering.
Coral/Stalt(HR 12 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2669, NJ 1998/727) is volgens hen in dit geval niet van toepassing omdat geen sprake is geweest van betaling aan zustervennootschappen ten nadele van andere crediteuren van HSB. HSB heeft alleen andere crediteuren betaald (op basis van anciënniteit). [X] Groep had per 27 december 2011 zelf een vordering op HSB van € 287.229,51 en die is niet betaald; zij is dus ook niet verrijkt door de betalingen. De crediteuren zijn ook niet betaald met het oog op een eventuele doorstart, aldus [X] Groep c.s. Zij stellen dat in dit geval geen gronden bestaan voor persoonlijke aansprakelijkheid van de (indirect) bestuurder van HSB. Nu op het moment van betalen nog geen sprake was van een faillissement, en dus ook niet van een paritas creditorum, stond het [X] Groep c.s. vrij selectieve betalingen te verrichten. Zij hebben daarbij (onverplicht) rekening gehouden met de voorrechten; zij hebben immers de toen opeisbare vorderingen van de belastingdienst en werknemers voldaan, aldus [X] Groep c.s. Zij bestrijden voorts de door de rechtbank gehanteerde peildatum van 20 december 2011, waarop de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd. Volgens hen behoort het beëindigen van een huurovereenkomst tot de normale bestuursbevoegdheid van een bestuurder. Bovendien volgt daaruit nog niet dat op die datum evident was dat HSB zou failleren en dat daarom vanaf dat moment geen selectieve betalingen aan crediteuren meer mochten plaatsvinden, aldus [X] Groep c.s.
In zijn arrest van 12 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2669, NJ 1998/727
(Coral/Stalt)heeft de Hoge Raad beslist dat niet de regel kan worden aanvaard dat een tot een groep behorende vennootschap die heeft besloten haar activiteiten te beëindigen en niet over voldoende middelen beschikt om al haar schuldeisers te voldoen, in beginsel de vrijheid zou hebben om de tot haar groep behorende crediteuren te voldoen met voorrang boven niet tot haar groep behorende crediteuren. In dat geval handelt die vennootschap slechts dan niet onrechtmatig indien de voorkeursbehandeling van tot de groep behorende crediteuren op grond van bijzondere, door de vennootschap te stellen en bij betwisting te bewijzen omstandigheden kan worden gerechtvaardigd. Selectieve betaling van crediteuren in de aanloop naar bedrijfsbeëindiging of faillissement kan ook in andere gevallen een onrechtmatige daad (van de bestuurder) van de vennootschap opleveren: zie HR 22 mei 1931, NJ 1931/1429, HR 30 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2382, NJ 1997/663 en HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9654, NJ 2010/189, in welke gevallen sprake was van, kort gezegd, selectieve betaling(sonwil). Uit het arrest van HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1204 volgt dat in het geval dat een (indirect) bestuurder van een vennootschap wordt aangesproken wegens onrechtmatige daad op de grond dat hij heeft meegewerkt aan de benadeling van schuldeisers van de gefailleerde vennootschap, in casu door in het zicht van het faillissement een andere schuldeiser te betalen, bij de beoordeling aansluiting moet worden gezocht bij de maatstaven zoals vermeld in HR 8 december 2006, ECL:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659
(Ontvanger/Roelofsen). Het gaat dan om de in dat arrest in rov. 3.5 onder (ii) onderscheiden vraag, te weten of ter zake van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering, gezien de omstandigheden van het geval grond bestaat voor aansprakelijkheid van de bestuurder omdat hij heeft bewerkstelligd dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt. Uit het arrest van 8 december 2006 volgt dat de betrokken bestuurder op grond van onrechtmatige daad voor schade van de schuldeiser aansprakelijk kan worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een zodanig verwijt kan worden aangenomen. Dit alles geldt ook voor een enig indirect bestuurder, aldus de Hoge Raad.
Coral/Stalt, om selectieve betaling aan een tot de groep behorende vennootschap, in beide gevallen om de moedermaatschappij. Gezien de door de Hoge Raad in zijn arrest van 23 mei 2014 toepasselijk geachte maatstaf voor bestuurdersaansprakelijkheid
(Ontvanger/Roelofsen), is het hof van oordeel dat aansprakelijkheid van bestuurders wegens selectieve betaling van crediteuren niet beperkt is tot gevallen waarin aan een groepsvennootschap is betaald. Gelet moet worden op alle omstandigheden van het geval, waarbij bevoordeling van een groepsvennootschap boven andere crediteuren een van de omstandigheden is die onrechtmatig handelen zullen meebrengen. Het hof zal daarom onderzoeken of [X] Groep c.s. door het bewerkstelligen van de gewraakte selectieve betaling door HSB van bepaalde schuldeisers, ten opzichte van de onbetaald gebleven schuldeisers in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig hebben gehandeld dat hun daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat van een dergelijk ernstig verwijt in ieder geval sprake zal kunnen zijn als komt vast te staan dat [X] Groep c.s. wisten of redelijkerwijze hadden behoren te begrijpen dat de door hen bewerkstelligde handelwijze van HSB tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. In het hiervoor aangehaalde arrest van 23 mei 2014 overwoog de Hoge Raad dat in het oordeel van het hof besloten lag dat de bestuurder wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de betalingen door de vennootschap tot gevolg zouden hebben dat de vennootschap andere verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade,
zodat(cursivering hof) hem van het bevorderen van die betalingen persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken en dat dit oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
‘1. De (onder)huurovereenkomsten met betrekking tot de fabriekshal aan de [adres 1] en de opslagruimte aan de [adres 2] zullen worden beëindigd per 23 december 2011.
[…]
Ook zal de huurovereenkomst van de activa, zoals die in 2011 is gesloten met de [X] Groep, worden beëindigd per 23 december 2011. […]
3. FP [de accountant; hof] geeft aan dat de fiscale eenheid voor wat betreft de OB niet vóór faillissement verbroken kan worden. […]
[…] Wel wordt afgesproken dat vóór indiening van het verzoek tot faillietverklaring er melding betalingsonmacht zal worden gedaan aan de fiscus terzake de LB over november 2011.
4. Afgesproken wordt dat alle lopende crediteuren zoveel als mogelijk worden betaald.
5. Bezien moet worden in hoeverre de debiteuren gaan betalen; vermeden moet worden dat het saldo van de bankrekening van HSB ten tijde van het indienen van het faillissementsrekest positief zal zijn. […]’
allelopende crediteuren zoveel als mogelijk worden betaald’ (cursivering hof). In de geciteerde zin kan niet worden gelezen dat het in de gegeven omstandigheden geoorloofd was bepaalde crediteuren volledig te betalen en andere niet. Gesteld noch gebleken is hoe deze afspraak tot stand is gekomen, wat de overwegingen (van [X] Groep c.s.) daarbij zijn geweest en of ook over de mogelijke (juridische) consequenties is gesproken. Productie 33 betreft een brief van een van de advocaten aan HSB van 21 december 2011 over aan debiteuren te verzenden brieven, naar het hof begrijpt ten behoeve van de openbaarmaking van het pandrecht van [X] Groep, en over de faillissementsaanvrage. Bij pleidooi is namens [X] Groep c.s. naar voren gebracht dat het bedoelde advies is te lezen in de zin: ‘Ik stel voor dat vrijdag 23 december de betalingen van de crediteuren met de op dat moment dan vervallen vorderingen te doen’. Naar het oordeel van het hof kan deze enkele zin in de brief van 21 december 2011 zowel op zichzelf beschouwd als bezien in het licht van het besprekingsverslag van 7 december 2011 niet worden aangemerkt als een advies dat inhield dat [X] Groep c.s. in het zicht van het faillissement van HSB bepaalde concurrente crediteuren, niet zijnde groepsvennootschappen, konden betalen (en andere niet) zonder enig risico voor persoonlijke aansprakelijkheid. Nu de stelling dat de voormalige advocaten van [X] Groep c.s. hebben geadviseerd voorafgaand aan de faillietverklaring bepaalde crediteuren te betalen niet (voldoende) deugdelijk is onderbouwd, komt bewijslevering niet aan de orde en wordt het bewijsaanbod van [X] Groep c.s. als niet ter zake dienend gepasseerd. In het licht van het voorgaande kan dan ook niet worden aangenomen dat [X] Groep c.s. overeenkomstig een advies van hun advocaten hebben gehandeld.
€ 95.451,09 bedraagt en evenmin dat de vordering van de belastingdienst van
€ 41.523,-- is herzien tot € 19.446,-- en door [X] Groep is betaald. Volgens hem resteert dan een preferente vordering van (95.451,09 - € 41.523,-- =) € 53.928,09 terwijl de vordering van de belastingdienst is vervangen door een concurrente vordering (van [X] Groep) van € 19.446,--. Uitgaande van een stand van de boedelrekening van € 10.220,76 en boedelkosten van € 32.572,80, een boedelvordering van het UWV van € 117.554,-- en een bedrag aan terug te vorderen BTW van € 10.560,23 ten tijde van het schrijven van de memorie van antwoord, was het tekort op de boedel- en preferente schulden op dat moment € 183.273,90, welk bedrag hoger is dan de schadevergoeding van € 167.051,62, waartoe [X] Groep c.s. zijn veroordeeld, aldus de curator. Bij pleidooi heeft hij genoemde bedragen geactualiseerd, in die zin dat de vorderingen van de preferente crediteuren € 49.897,09 en de boedelkosten € 51.418,22 thans bedragen; de boedelvordering van het UWV bedraagt nog steeds € 117.554,--. Volgens de curator dienen boedelschulden bij de berekening te worden betrokken en komt hij daarom niet toe aan een berekening van de zogenoemde ‘Quotenschade’.