3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Eiser] is directeur/enig aandeelhouder van Matoha Beheer B.V. (hierna: Matoha). Matoha is enig directeur en voor 50% aandeelhoudster van Standard Groep Holland B.V. (hierna: Standard).
(ii) In maart 1993 hebben Standard en Stichting Wereld Natuurfonds (hierna: WNF) een samenwerkingsovereenkomst gesloten met als belangrijkste doel door middel van een omvangrijke televisieledenwervingsactie nieuwe donateurs te werven voor WNF.
(iii) Ter financiering van deze actie heeft ING op 2 maart 1993 aan Standard een krediet in rekening-courant verstrekt van ƒ 5.000.000,-- (rekeningnummer [001]; hierna: het 355-krediet of de 355-rekening). Het krediet, dat zou worden afgelost uit de actie-opbrengst, liep tot 1 januari 1994 en is nadien verlengd tot 1 november 1994.
(iv) Daarnaast heeft ING aan Standard nog een krediet in rekening-courant verleend ter financiering van andere activiteiten, welk krediet werd geadministreerd onder rekeningnummer [002] (hierna: het 200-krediet of de 200-rekening).
(v) Ingevolge de samenwerkingsovereenkomst kon Standard in verband met de door haar verrichte activiteiten aanspraak maken op een vergoeding van WNF. Bij akte van 3 maart 1993 is de daarop betrekking hebbende vordering van Standard op WNF verpand aan ING.
(vi) Na afloop van de televisie-actie op 3 september 1993 is tussen WNF en Standard een geschil ontstaan over de door WNF aan Standard verschuldigde vergoeding.
(vii) Uit de door Standard oorspronkelijk met ING gesloten kredietovereenkomsten vloeide voort dat Standard in 1994 gehouden was het 355-krediet en het 200-krediet af te lossen. In de loop van 1993 en 1994 verliepen betalingen en stortingen in verband met het WNF-project niet alleen via het 355-krediet, maar ook via het 200-krediet. Op enig moment in 1994, gelegen vóór 5 oktober 1994, hebben ING en Standard een nadere overeenkomst gesloten (hierna: de nadere overeenkomst), welke inhield dat Standard uitstel van haar aflossingsverplichtingen verkreeg tegenover de toezegging van Standard om het van WNF te ontvangen bedrag - waarvan de hoogte toen nog niet vaststond - aan te wenden ter aflossing van de beide kredieten.
(viii) Onderhandelingen hebben ertoe geleid dat het geschil tussen Standard en WNF is geëindigd doordat WNF in december 1994 tegen kwijting door Standard een bedrag van ƒ 900.000,-- heeft gestort op de derdengeldenrekening van de toenmalige raadsman van Standard.
(ix) Dit bedrag van ƒ 900.000,-- is door Standard niet (gedeeltelijk) aangewend voor de aflossing van de door ING aan haar verstrekte kredieten. Het niet aanwenden van het van WNF ontvangen schikkingsbedrag voor de aflossing van de kredieten is in strijd met hetgeen tussen ING en Standard nader is overeengekomen en levert een aan Standard toerekenbare tekortkoming op.
(x) ING heeft bij brief van 12 december 1994 het 355-krediet en het 200-krediet met onmiddellijke ingang opgezegd.
(xi) ING heeft geprocedeerd tegen Standard met als doel (terug)betaling van de aan ING uit hoofde van kredietverlening en ongerechtvaardigde verrijking verschuldigde bedragen. Na het arrest van de Hoge Raad van 26 januari 2001 (nr. C99/065, LJN ZC3408, NJ 2002, 118) heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage bij in kracht van gewijsde gegaan arrest van 23 december 2003 het door Standard aan ING in hoofdsom te betalen bedrag vastgesteld op € 847.608,56 (ƒ 1.867.883,46).
Dit bedrag bestaat uit:
- een creditsaldo op de 355-rekening per 16 oktober 1995 van (inclusief contractuele creditrente) ƒ 433.448,72;
- een bedrag verschuldigd wegens ongerechtvaardigde verrijking ad ƒ 1.180.715,15;
- een debetsaldo op de 200-rekening ad ƒ 1.120.617,03.