ECLI:NL:GHARN:2011:BQ7758
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over feitelijke vestigingsplaats vennootschap voor vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een vennootschap opgericht naar Nederlands recht, stelde dat haar feitelijke leiding sinds 1 juli 2001 was verplaatst naar Curaçao, waardoor zij voor het tweede halfjaar van 2001 als inwoner van de Nederlandse Antillen moest worden aangemerkt voor de vennootschapsbelasting. De Inspecteur betwistte dit en stelde dat de feitelijke leiding in Nederland bleef, mede gelet op de actieve betrokkenheid van de aandeelhouder en diens adviseur.
Het Hof heeft het bewijsaanbod van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat het aan belanghebbende is om aannemelijk te maken dat de werkelijke leiding sinds 1 juli 2001 op Curaçao was gevestigd. Uit de feiten en omstandigheden, waaronder een directieovereenkomst en een verklaring van de directeur A N.V., bleek dat werkzaamheden op Curaçao werden verricht. Echter, het Hof achtte de aanwijzingen en goedkeuringen van de aandeelhouder en adviseur in Nederland zodanig bepalend dat de directeur geen zelfstandige positie innam.
Het Hof concludeerde dat belanghebbende niet voldeed aan haar bewijslast om aannemelijk te maken dat de feitelijke leiding zich op Curaçao bevond. De ruling van de belastingdienst op Curaçao werd onvoldoende geacht omdat geen feitelijk onderzoek voorafging. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.