ECLI:NL:GHARL:2026:4305

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
24/1246 en 24/1584
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:58 AwbArt. 8:42 AwbArt. 8:29 AwbArt. 8:73 AwbArt. 67a AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen gebruikelijk loon aanslag IB/PVV 2019 en verzuimboete

Belanghebbende, directeur en enig aandeelhouder van een holding en een BV, was het niet eens met de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2019, waarin een gebruikelijk loon van € 26.470 werd vastgesteld. Tevens werd een verzuimboete opgelegd wegens het niet tijdig doen van aangifte. Na een uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Het geschil betrof de vraag of belanghebbende daadwerkelijk arbeid had verricht voor de BV, zodat de gebruikelijkloonregeling van toepassing was. Belanghebbende stelde dat hij vanwege medische redenen geen feitelijke werkzaamheden had verricht en dat de werkzaamheden die hij verrichtte arbeidstherapeutisch waren. De Inspecteur stelde dat belanghebbende wel administratieve werkzaamheden had verricht en dat het gebruikelijk loon terecht was vastgesteld.

Het Hof oordeelde dat de Inspecteur zijn bewijslast had voldaan met verwijzing naar administratieve werkzaamheden en correspondentie. De medische verklaringen van huisarts en echtgenote deden hieraan niet af. Belanghebbende slaagde er niet in te bewijzen dat een lager gebruikelijk loon gebruikelijk was. Ook de verzuimboete wegens te late aangifte werd door het Hof als terecht en passend beoordeeld. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het hoger beroep ongegrond werd verklaard.

Het Hof wees het beroep af, bevestigde de aanslag en de boete, en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens werd geen schadevergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan op 23 juni 2026 door de derde meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag gebruikelijk loon en verzuimboete worden bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/1246 en 24/1584
uitspraakdatum: 23 juni 2026
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 april 2024, nummer ARN 23/5436, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Den Haag(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.470. Daarbij is € 380 aan belastingrente in rekening gebracht. Verder is een verzuimboete van € 385 opgelegd wegens het niet tijdig doen van aangifte.
1.2.
Belanghebbende heeft een bezwaarschrift ingediend. De Inspecteur heeft het bezwaar gegrond verklaard, de aanslag IB/PVV 2019 verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.220 en de belastingrente verminderd tot € 253. De verzuimboete van € 385 is gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft op 10 juni 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld (zaaknummer BK-ARN 24/1246). Daarbij heeft belanghebbende tevens aan de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat uitstel van betaling van de aanslag IB/PVV 2019 en van de daarmee samenhangende beschikkingen wordt verleend (zaaknummer BK-ARN 24/1584).
1.5.
De Inspecteur heeft op 2 oktober 2024 een verweerschrift ingediend. Bij afzonderlijke brief van dezelfde datum heeft de Inspecteur gereageerd op het verzoek om voorlopige voorziening. Daarin heeft de Inspecteur opgemerkt dat de Ontvanger uitstel van betaling heeft verleend tot in de hoofdzaak is beslist.
1.6.
Belanghebbende en de Inspecteur hebben nadere stukken ingediend.
1.7.
De Inspecteur heeft bij brief van 11 maart 2025 aan het Hof verzocht om de namen van de belastingambtenaren in deze procedure geheim te houden vanwege mogelijke bedreigingen door de soevereinenbeweging. De geheimhoudingskamer van dit Hof heeft in een tussenuitspraak van 20 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:264, beslist dat de beperking van de kennisneming van de namen van de belastingambtenaren gerechtvaardigd is.
1.8.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026 te Arnhem. Belanghebbende is verschenen. Namens de Inspecteur zijn twee belastingambtenaren verschenen. Voorafgaand aan de zitting heeft raadsheer-commissaris mr. R.F.C. Spek vastgesteld dat deze belastingambtenaren staan vermeld op de mandaatbesluiten die de geheimhoudingskamer kent, heeft deze vaststelling neergelegd in een proces-verbaal en dit proces-verbaal verstrekt aan de hoofdkamer. De raadsheer-commissaris heeft ten overstaan van de hoofdkamer en partijen beide belastingambtenaren een letter gegeven.
1.9.
Belanghebbende heeft op 2 juni 2026 een stuk (van 52 pagina’s) ingebracht dat door het Hof, met instemming van de Inspecteur, als pleitnota is aangemerkt. Op dezelfde datum heeft belanghebbende een nader stuk (van zes pagina’s en met een stukkenlijst) ingebracht dat, met instemming van de Inspecteur, tot de gedingstukken wordt gerekend. Ter zitting heeft belanghebbende een pleitnota (van één pagina) ingebracht en voorgedragen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende – geboren in 1963 – is in het onderhavige jaar directeur en enig aandeelhouder van [onderneming1] (hierna: Holding BV), welke vennootschap op haar beurt alle aandelen houdt in [onderneming2] (hierna: de BV).
2.2.
In de maandelijkse aangiften loonheffing van de BV voor januari tot en met oktober 2019 is belanghebbende als contactpersoon aangemerkt. Daarbij is tevens zijn telefoonnummer vermeld.
2.3.
Namens Holding BV heeft belanghebbende in een brief van 13 maart 2019 aan de Inspecteur verzocht om een fiscale eenheid voor de omzetbelasting tussen Holding BV en de BV.
2.4.
Belanghebbende heeft op 14 maart 2019 vanuit het e-mailadres van de BV informatie aan de Inspecteur toegestuurd voor een hoorgesprek betreffende het bezwaar tegen een aan Holding BV opgelegde verzuimboete.
2.5.
Naar aanleiding van deze informatie heeft de Inspecteur een aantal vragen gesteld aan belanghebbende. Belanghebbende heeft deze vragen beantwoord en het bezwaar tegen de verzuimboete verder toegelicht in een telefoongesprek. Belanghebbende heeft op 16 maart 2019 namens Holding BV vanuit het e-mailadres van de BV aan de Inspecteur geschreven dat de samenvatting van de Inspecteur een correcte weergave is van hetgeen is besproken.
2.6.
Belanghebbende heeft bij brief van 2 april 2019 namens de BV bezwaar gemaakt tegen de aanslag vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) voor het jaar 2016. In de aangifte Vpb 2016 is vermeld dat de BV zich bezighoudt met persoonlijke verzorging, dat de netto-omzet van de BV € 385.043 bedraagt, dat de personeelskosten € 194.244 bedragen en dat het resultaat nihil is.
2.7.
Namens de BV heeft belanghebbende in november en december 2019 uitgebreid gecorrespondeerd met de Inspecteur over het bezwaar tegen de aanslag Vpb 2016.
2.8.
Belanghebbende is uitgenodigd en herinnerd tot het doen van de aangifte IB/PVV 2019. Na in gebreke te zijn gebleven, is belanghebbende aangemaand tot het doen van deze aangifte uiterlijk op 9 december 2020. Belanghebbende heeft op 31 december 2020 aangifte IB/PVV 2019 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 2.544.
2.9.
De Inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2019 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.470. Bij uitspraak op bezwaar is de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.220 (zie 1.2). Deze aldus verminderde aanslag is als volgt berekend:
Belastbaar inkomen
Aangifte
-/- € 2.544
- Correctie gebruikelijk loon
26.47
- Correctie aftrek eigen woning
-/- 706
Totaal correcties
25.764
Aanslag (na bezwaar)
€ 23.220
2.10.
Belanghebbende heeft zijn huisarts gevraagd om medische informatie over zijn ziekenhuisopname in 2019. De huisarts heeft in een brief van 25 mei 2023 het volgende geschreven:
“Bovengenoemde patiënt is op 21-01-2019 opgenomen op de eerste hart hulp ivm atriumfibrilleren en koorts. Patiënt is twee dagen opgenomen geweest behandeld. Daarna zijn meerdere controles geweest bij de cardioloog Het boezemfibrilleren is niet continu aanwezig, maar wordt uitgelokt door stress of fysieke inspanning. Patiënt gebruikt momenteel geen medicatie, maar probeert middels het aanpassen van zijn leefstijl de klachten onder controle te houden.”
2.11.
Belanghebbendes echtgenote heeft in een brief van 25 mei 2023 het volgende geschreven:
“Op verzoek van mijn echtgenoot [belanghebbende] verklaar ik het volgende aangaande zijn gezondheid en werksituatie.
ZIEKTE
Op 21 januari 2019 heb ik mijn echtgenoot met hartproblemen een longontsteking en hoge koorts naar de eerste hulp gebracht van het Ter Gooi Ziekenhuis.
Mijn echtgenoot was totaal uitgeput en was niet meer in staat zich vrij te bewegen. Korte opname volgde.
Nadat hij met medicijnen en onder begeleiding van zijn huisarts, thuis mocht herstellen, heeft dat 4 maanden geduurd voordat hij, uitsluitend, privézaken weer kon oppakken. Met het strikte advies enige vorm van stress op lichamelijke Inspanningen te vermijden. De situatie is tot heden onveranderd.
ZAKELIJK
Na mijn persoonlijke faillissement in 2016 heeft mijn echtgenoot de ondernemingen [Holding BV] en [BV] opgericht om mijn schoonheidssalon met behoud van personeel en contractuele verplichtingen te kunnen voortzetten.
Mijn echtgenoot was "slechts" DGA omdat ik tijdens de oprichting van de onderneming onder curatele stond van mijn curator na een persoonlijk faillissement. De opzet en regeling werd onder toezicht van de curator gearrangeerd.
Mijn echtgenoot had als DGA uitsluitend een adviserende en coachende rol voor mij als persoon.
Over zakelijke inbreng of arbeid was dan ook geen sprake, het was puur een formaliteit.
ZAKELIJK TIJDENS ZIEKTE
Verschillende keren heeft mijn echtgenoot in de periode halverwege 2019 tot en met 2022 geprobeerd zijn zakelijk begeleidende en adviserende rol weer op te pakken. Ondanks zijn frisse pogingen was dat van korte duur omdat zijn gezondheid dat niet toeliet. Hij werd telkens weer teruggeworpen naar zijn gezondheidssituatie zoals die van zijn ziekenhuis ontslagdatum van 24 januari 2019, Proberen, maar dan weer terug naar af.
Het had voor de hand gelegen dat mijn echtgenoot zijn DGA-positie had afgestaan aan mij na zijn steeds falende gezondheid. Echter door de nasleep van mijn faillissement mocht ik van de banken geen DGA-positie innemen.
Door het aanvragen van NOW-ondersteuningen voor de onderneming [BV] was het ook niet meer mogelijk het bedrijf te staken of over te dragen zonder gevolgen van terugbetaling van deze NOW-uitkeringen. Dit laatste lag niet in de financiële mogelijkheid voor de ondernemingen.
Pas per 1 april 2022 heeft mijn echtgenoot door deze overheidsregels de ondernemingen kunnen staken.”
2.12.
De Rechtbank heeft de Inspecteur in het gelijk gesteld. Volgens de Rechtbank heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in ieder geval administratieve werkzaamheden voor de BV heeft verricht, zodat terecht een gebruikelijk loon in aanmerking is genomen.

3.Geschil

3.1.
In hoger beroep is, net als bij de Rechtbank, in geschil of de Inspecteur terecht een gebruikelijk loon van € 26.470 in aanmerking heeft genomen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
Belanghebbende betoogt dat hij vanwege medische redenen geen feitelijke werkzaamheden heeft verricht voor de BV, zodat niet aan de vereisten voor fictief loon is voldaan. De werkzaamheden die hij wel heeft verricht, zijn geschied op arbeidstherapeutische basis, aldus belanghebbende. Verder betoogt belanghebbende onder meer dat van een lager gebruikelijk loon moet worden uitgegaan.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur, tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2019 en tot vernietiging van de verzuimboete. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

Tussenuitspraak
4.1.
Belanghebbende heeft aangegeven het niet eens te zijn met de in 1.7 genoemde tussenuitspraak van de geheimhoudingskamer. Het Hof zal slechts in uitzonderlijke gevallen terugkomen van een in een tussenuitspraak gegeven oordeel. Van een uitzonderlijk geval is in dit geval niet gebleken. De beslissing van de geheimhoudingskamer vindt bevestiging in brieven van belanghebbende van 15 april 2024 en 7 mei 2024, waaruit volgt dat belanghebbende voor en na de uitspraak door de Rechtbank een persoonlijke claim heeft neergelegd bij onder meer de rechter en de griffier die onder deze uitspraak zijn vermeld. In het hogerberoepschrift schrijft belanghebbende onder meer:
“Elke handeling ten nadele van de mens die aanwezig is en zich kenbaar maakt middels die rechtmatige eigen Persona is een criminele en corrupte handeling door de ambtenaren, functionarissen en derden namens deze criminele Nederlandse overheid.”
Ook op die grond acht het Hof de beslissing van de geheimhoudingskamer in de tussenuitspraak van 20 januari 2026 gerechtvaardigd. Het in de tussenuitspraak gegeven oordeel over de geheimhouding (zie 1.7) kan daarom als eindbeslissing worden opgevat.
Nadere stukken binnen tien dagen voor de zitting
4.2.
Belanghebbende heeft op 26 mei 2026 – ofwel negen dagen voor de zitting – nadere stukken ingediend met een omvang van in totaal circa 600 pagina’s. De Inspecteur heeft geprotesteerd tegen toelating van deze stukken.
4.3.
Artikel 8:58, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Deze bepaling beoogt, blijkens de daarop gegeven toelichting, een behoorlijk verloop van de procedure te waarborgen. Uit deze strekking volgt dat de rechter - binnen het kader van een goede procesorde - de mogelijkheid heeft stukken die binnen tien dagen voor de zitting of eerst ter zitting zijn overgelegd al dan niet in de procedure toe te laten. [1] Bij de beslissing of een partij, hoewel de wederpartij daartegen bezwaar maakt, de gelegenheid moet krijgen de stukken over te leggen, zal een afweging moeten plaatsvinden van enerzijds het belang dat die partij heeft bij het overleggen van die stukken en de redenen waarom hij dit niet in een eerdere fase van de procedure voor de feitenrechter heeft gedaan, en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang.
4.4.
Aan voornoemde tiendagentermijn heeft belanghebbende zich niet gehouden. De vraag of het stuk niettemin tot de procedure in hoger beroep kan worden toegelaten, beantwoordt het Hof ontkennend. In de uitnodigingsbrief voor de zitting is nadrukkelijk vermeld dat tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend. Als reden waarom hij dit niet in een eerdere fase van de procedure heeft gedaan, heeft belanghebbende ter zitting gegeven dat hij met deze op 26 mei 2026 ingediende stukken, heeft gereageerd op de door de griffier van het Hof toegestuurde stukkenlijst die hij pas later heeft ontvangen en dat het hem veel tijd kostte om volledig te zijn. Het Hof merkt op dat uit het track en trace-bericht van PostNL volgt dat de stukkenlijst op 30 april 2026 om 13:46 op het adres van belanghebbende is bezorgd. In de begeleidende brief bij de stukkenlijst is belanghebbende ook op de tiendagentermijn gewezen. Gelet op de ontvangstdatum 30 april 2026 valt niet in te zien waarom belanghebbende, ook als het veel tijd kostte om volledig te zijn, de overgelegde stukken niet eerder dan 26 mei 2026 in de procedure kon inbrengen. Het belang dat belanghebbende heeft bij het overleggen van het stuk weegt daarom naar het oordeel van het Hof niet zwaarder dan het algemene belang van een doelmatige procesgang. Daarbij betrekt het Hof ook de omvang van de ingediende stukken ter grootte van circa 600 pagina’s en het protest dat de Inspecteur tegen toelating van de stukken heeft geuit. Daarom wordt het stuk niet tot de procedure toegelaten. Op de inhoud ervan slaat het Hof derhalve geen acht.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
4.5.
Op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb dient de inspecteur in beginsel alle stukken die hem ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten, in het geding te brengen. [2] Deze verplichting tot overlegging van stukken strekt zich ook uit tot stukken die pas in de loop van het beroep of hoger beroep ter beschikking van de inspecteur zijn gekomen. [3]
4.6.
Indien de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat een bepaald stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak en daarom een verzoek doet tot overlegging van dat stuk door de inspecteur, moet aan dat verzoek worden tegemoetgekomen, mits het bestaan van dat stuk aannemelijk is en bovendien aannemelijk is dat het de inspecteur ter beschikking staat of heeft gestaan. Dit is slechts anders in gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb Pro en in uitzonderingsgevallen zoals misbruik van procesrecht. [4]
4.7.
Vooropgesteld wordt dat in onderhavige procedure uitsluitend in geschil is of terecht een gebruikelijk loon van € 26.470 in aanmerking is genomen. Belanghebbende heeft in dat verband onvoldoende aangedragen om aan te nemen dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. De Inspecteur is niet gehouden om gegevens over te leggen die niet van belang zijn voor de beslechting van dit geschilpunt, zoals de stukken die betrekking hebben op het verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) dat belanghebbende op 21 maart 2026 heeft ingediend. Van een schending van artikel 8:42 Awb Pro is daarom geen sprake. Het Hof ziet daarom geen aanleiding de zaak aan te houden of het onderzoek te heropenen.
Gebruikelijk loon
4.8.
Ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang [5] heeft, wordt voor het kalenderjaar 2019 het van dat lichaam genoten loon (het gebruikelijke loon) ten minste gesteld op het hoogste van de volgende bedragen:
a. 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;
b. het hoogste loon van de werknemers die in dienst zijn van het lichaam;
c. € 45.000. [6]
4.9.
Vaststaat dat belanghebbende een aanmerkelijk belang heeft in BV. Verder is tussen partijen niet in geschil dat belanghebbendes echtgenote in 2019 de meestverdienende werknemer van de BV is met een jaarloon van € 26.470.
4.10.
Onder verwijzing naar het hoogste loon van de overige werknemers heeft de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2019 het gebruikelijk loon gesteld op € 26.470.
4.11.
Belanghebbende betoogt dat hij geen arbeid heeft verricht voor de BV en dat daarom de gebruikelijkloonregeling geen toepassing vindt. Gelet op deze betwisting dient de Inspecteur te bewijzen dat belanghebbende in het jaar 2019 wel arbeid voor de BV heeft verricht. Met de verwijzing naar de voor de BV verrichte (administratieve) werkzaamheden (zie 2.2 tot en met 2.7) is de Inspecteur in zijn bewijslast geslaagd. De verklaringen van de huisarts en echtgenote over de gezondheidstoestand van belanghebbende doen niet eraan af dat belanghebbende deze werkzaamheden heeft verricht, zodat deze verklaringen voornoemd bewijsoordeel niet aantasten.
4.12.
Het ligt vervolgens op de weg van belanghebbende om te bewijzen dat ter zake van de meest vergelijkbare dienstbetrekking waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk is (artikel 12a, lid 2, Wet LB 1964). Met de enkele verwijzing naar de verklaringen van de huisarts en zijn echtgenote is belanghebbende niet in deze bewijslast geslaagd. Anders dan belanghebbende stelt, kan uit deze verklaring bovendien niet worden afgeleid dat belanghebbende om medische redenen slechts tot arbeidstherapeutische werkzaamheden in staat is waarmee geen loon kan worden genoten.
4.13.
Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om de aanslag te verminderen.
Verzuimboete
4.14.
De verzuimboete van € 385 is opgelegd vanwege het niet tijdig doen van de aangifte IB/PVV 2019.
4.15.
Bij het niet of niet tijdig doen van aangifte IB/PVV kan ingevolge artikel 67a AWR in samenhang met artikel 9, lid 3, AWR slechts sprake zijn van een verzuim, indien de aangifte niet binnen een door de inspecteur gestelde termijn is gedaan en geen gevolg is gegeven aan een aanmaning van de inspecteur.
4.16.
De Inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV 2019 waarna belanghebbende is herinnerd en is aangemaand tot het doen van aangifte op uiterlijk op 9 december 2020. Belanghebbende heeft op 31 december 2020 aangifte IB/PVV 2019 gedaan (zie 2.8).
4.17.
Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV 2019 niet gedaan binnen de door de Inspecteur in de aanmaning gestelde termijn. De Inspecteur heeft daarom terecht een verzuimboete opgelegd. Het Hof acht deze boete passend en geboden.
Belastingrente
4.18.
Het hoger beroep van belanghebbende wordt geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte belastingrente van € 253. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden daartegen aangevoerd. Nu de aanslag IB/PVV 2019 wordt gehandhaafd, dient ook de in rekening gebrachte belastingrente te worden gehandhaafd.
Schadevergoeding
4.19.
Voor zover belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van schade, wordt dit verzoek afgewezen. De wettelijke regeling van artikel 8:73 Awb Pro (oud) biedt in procedures over de IB/PVV immers alleen de mogelijkheid van een schadevergoeding indien het (hoger) beroep gegrond wordt verklaard. Nu dit hoger beroep ongegrond zal worden verklaard, kan reeds om die reden geen schadevergoeding worden toegekend.
Slotsom
4.20.
Gelet op het vorenstaande is de aanslag IB/PVV 2019, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, niet tot een te hoog bedrag vastgesteld en is de verzuimboete terecht opgelegd. Ook hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep van belanghebbende zal daarom ongegrond worden verklaard.
Verzoek voorlopige voorziening
4.21.
Indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van het Hof een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.22.
Voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening is nodig dat tegen een besluit beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (formele connexiteit). Het Hof beslist met onderhavige uitspraak op het hoger beroep van verzoeker. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard. Dat betekent dat op het moment dat deze uitspraak wordt gedaan niet (langer) is voldaan aan het connexiteitsvereiste. [7] Het verzoek om een voorlopige voorziening is dan ook niet-ontvankelijk. Dit brengt mee dat er geen aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof:
  • bevestigt de uitspraak van de Rechtbank; en
  • verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is op 23 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(G.J. van de Lagemaat) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0562, r.o. 3.3.
2.Vgl. HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:492, r.o. 3.2.2.
3.Vgl. HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.2; HR 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:241, r.o. 4.1.3.
4.Vgl. HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:281, r.o. 2.4.1.
5.Op grond van artikel 4.6 Wet inkomstenbelasting 2001 is sprake van een aanmerkelijk belang indien de belastingplichtige, al dan niet tezamen met zijn partner, direct of indirect in het bezit is van ten minste 5% van het geplaatste aandelenkapitaal van een vennootschap.
6.Artikel 3.81 Wet inkomstenbelasting 2001 in samenhang met artikel 12a, lid 1, Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964).
7.Vgl. CRvB 26 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:791.