ECLI:NL:GHARL:2025:7994

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
23/2971
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag BPM en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) van € 6.872, opgelegd door de Inspecteur van de Belastingdienst. De rechtbank Gelderland had eerder de uitspraak van de Inspecteur bevestigd, waartegen belanghebbende in beroep ging. Belanghebbende betoogde dat de handelsinkoopwaarde van de auto, een Volkswagen Amarok 3.0 TDI, verlaagd moest worden vanwege schade, en dat de afschrijving op basis van de historische nieuwprijs van de auto berekend moest worden. De rechtbank oordeelde echter dat belanghebbende niet voldoende bewijs had geleverd voor zijn stellingen. Tijdens de zitting op 26 november 2025 werd het hoger beroep behandeld. Het Hof oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd en dat belanghebbende niet in zijn bewijslast was geslaagd. Wel werd een schadevergoeding van € 500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in het hoger beroep, aangezien de termijn met meer dan een maand was overschreden. Het Hof verklaarde het hoger beroep ongegrond, maar kende wel een vergoeding van proceskosten toe aan belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/2971
uitspraakdatum: 9 december 2025
Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 12 oktober 2023, nummer ARN 22/1834, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 6.872.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag BPM gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Op 27 november 2024 en 2 april 2025 hebben regiezittingen plaatsgevonden waar BPM-zaken aan de orde zijn geweest die bij het Hof aanhangig waren en waarin de gemachtigde van belanghebbende namens verschillende belanghebbenden als procesvertegenwoordiger optrad, waaronder in de onderhavige zaak. In het kader van deze regiezittingen hebben partijen over en weer stukken uitgewisseld.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2025. Namens belanghebbende is mr. [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam2] en mr. [naam3] verschenen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft voor een Volkswagen Amarok 3.0 TDI (hierna: de auto) op aangifte een bedrag van € 2.770 aan BPM voldaan. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd waarin de schade is gecalculeerd op € 13.487. Deze schade is voor 100% in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde.
2.2.
De Inspecteur heeft een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt. In dit rapport is vanwege schade een bedrag van € 2.296 in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag BPM opgelegd van € 6.872. Deze naheffingsaanslag is als volgt berekend:
Catalogusprijs
€ 59.073
BPM (grijs kenteken; CO2-uitstoot 203 gr/km)
17.297
= Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)
76.37
Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd; AutotelexPro)
21.034
Schade
-/- 2.296
= Handelsinkoopwaarde (beschadigd)
18.738
Afschrijving
75,46%
Historische BPM (geel kenteken; CO2-uitstoot 204 gr/km)
€ 39.309
Afschrijving (75,46%)
-/- 29.667
= Verschuldigde BPM
9.642
Extra leeftijdskorting
Door belanghebbende is betaald op aangifte
-/- 2.770
Naheffingsaanslag
€ 6.872
2.3.
De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag in stand gelaten.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep:
i) dat de handelsinkoopwaarde moet worden verminderd met € 13.487 wegens meer dan normale gebruiksschade;
ii) dat voor het berekenen van de afschrijving ingevolge artikel 10 lid 2 Wet BPM de historische nieuwprijs moet worden gebaseerd op het bedrag aan BPM dat voor de te registreren personenauto is verschuldigd, en niet aan de hand van de (veel lagere) BPM die voor de als referentie gebruikte bedrijfsauto is verschuldigd; en
iii) dat wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep een schadevergoeding moet worden toegekend.
3.3.
Belanghebbende heeft zijn stelling dat ter bepaling van de historische bruto-BPM aansluiting kan worden gezocht bij het (veel lagere) tarief van de als referentie gebruikte bedrijfsauto, ingetrokken.
3.4.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met schade
4.1.
Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat op basis van het taxatierapport meer schade in aanmerking moet worden genomen dan waarvan de Inspecteur en de Rechtbank zijn uitgegaan. Aangezien belanghebbende in hoger beroep zijn standpunt onvoldoende nader heeft onderbouwd, ziet het Hof geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel dan dat van de Rechtbank.
Historische nieuwprijs; BPM van te registreren auto
4.2.
Ter bepaling van de historische nieuwprijs moet in aanmerking worden genomen het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto verschuldigd zou geweest op het tijdstip waarop deze voor het eerst in gebruik werd genomen. [1] Het gelijk op dit punt is daarom aan belanghebbende.
Handelsinkoopwaarde; invloed van hogere BPM
4.3.
Om de werkelijke waarde(daling) van de te registreren auto zo goed mogelijk te benaderen, moet volgens de Inspecteur in dat geval ook de handelsinkoopwaarde naar boven worden bijgesteld. De handelsinkoopwaarde is gebaseerd op een bedrijfsauto met een CO2-uitstoot van 203 gr/km, terwijl de te registreren auto een personenauto betreft met een CO2-uitstoot van 204 gr/km heeft.
4.4.
Naar het oordeel van het Hof is, gelijk de Inspecteur heeft betoogd, een afwijkend BPM-tarief wegens een ander type voertuig, een verschil dat in aanmerking moet worden genomen ten opzichte van de handelsinkoopwaarde van het referentievoertuig.
4.5.
De partij die stelt dat een hoger BPM-tarief niet leidt tot een navenant hogere handelsinkoopwaarde en dus een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto, dient de daarvoor relevante feiten en omstandigheden aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken. [2] Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele werkt van belanghebbende. Belanghebbende is niet in zijn bewijslast geslaagd. Zijn feitelijke stelling dat ook het referentievoertuig een personenauto (met geel kenteken) betreft en daarbij niet een navenant hogere handelsinkoopwaarde zichtbaar is, is op generlei wijze onderbouwd. In de koerslijst (AutotelexPro) van de referentieauto is namelijk vermeld dat sprake is van een bedrijfsauto (met grijs kenteken).
4.6.
Dit betekent dat het Hof ervan uitgaat dat het hogere BPM-tarief van de te registreren auto een zodanige invloed heeft op de handelsinkoopwaarde dat ondanks de hogere historische nieuwprijs het afschrijvingspercentage daardoor niet wijzigt.
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn hoger beroep
4.7.
Belanghebbende heeft ter zitting verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Dit betoog slaagt.
4.8.
Het hoger beroepschrift is ontvangen op 10 november 2023. Met onderhavige uitspraak is de redelijke termijn met meer dan één maand overschreden. Nu bijzondere omstandigheden die een langere termijn zouden rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken, dient het bedrag van de immateriëleschadevergoeding te worden berekend op € 500. [3]
4.9.
De overschrijding kan volledig worden toegerekend aan de fase van hoger beroep, zodat de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade.
Slotsom
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Omdat het hoger beroep op zichzelf beschouwd ongegrond is, wordt uitsluitend een vergoeding van proceskosten toegekend in verband met het hoger beroep vanwege het honoreren van het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. [4] Bij de berekening van die vergoeding wordt een wegingsfactor 0,5 gehanteerd. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 453,50 (1 punt voor verzoek, wegingsfactor 0,5, waarde per punt € 907). Voor de behandeling ter zitting wordt geen punt toegekend. [5]
5.2.
Indien het hoger beroep ongegrond wordt verklaard, wordt geen griffierecht meer vergoed, tenzij vóór 31 mei 2024 om schadevergoeding is verzocht en de redelijke termijn op 31 mei 2024 al was overschreden. [6] Aan beide voorwaarden is in dit geval niet voldaan.

6.Beslissing

Het Hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500; en
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten van belanghebbende voor de hogerberoepsfase tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, raadsheer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.
De griffier, De raadsheer,
(J.W.J. de Kort) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
2.Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en 1858; Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3914; Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876.
3.Weliswaar is artikel 19a lid 3 Wet BPM (vergoeding van € 50 per half jaar) op 1 januari 2024 in werking getreden, maar deze bepaling vindt voor het eerst toepassing op vergoedingen voor overschrijding van de redelijke termijn waarvan de termijn na 1 januari 2024 is aangevangen (artikel IV, aanhef en letter b Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507). In het onderhavige geval is daarvan geen sprake, nu het hogerberoepschrift op 10 november 2023 is ingediend.
4.Vgl. HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1338, r.o. 3.2.
5.ABRvS 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:771, r.o. 3.1.
6.Vgl. HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.2.